Als economische groei voorop staat, zeg het dan

Eind mei organiseerden vier ministers gezamenlijk een congres over milieu en economie. De bijeenkomst diende ter voorbereiding van een kabinetsnota over dit onderwerp....

EIND MEI 1996: vier ministers - van Milieubeheer, Economische Zaken, Verkeer en Landbouw - organiseren het congres 'Milieu en economie: kiezen voor kansen'. Het gaat vooral over economie, en nauwelijks over milieu en natuur. Er wordt gesproken over gebundelde goederenstromen, mainports, win-winoplossingen, niet over de vraag welke toekomst we eigenlijk willen.

Het congres is de voorbode van een nota van het kabinet over economie en milieu, die eind dit jaar zal verschijnen. De strekking daarvan laat zich op basis van de teneur van het congres wel raden.

Eén: we moeten een economische groei van 3 procent per jaar realiseren.

Twee: dat is ook nodig om milieubehoud te kunnen betalen.

Drie: ons economisch succes drijft op onze distributiefunctie, en dus is er veel meer infrastructuur nodig.

Vier: overheidsingrepen in de sectorstructuur zijn taboe.

Vijf: als het allemaal onverhoopt toch tegenvalt op milieugebied is het de schuld van de consument.

Daarop valt heel wat af te dingen.

Ten eerste: de noodzaak van 3 procent groei per jaar. Volgens minister Wijers van Economische Zaken, van de voormalige milieupartij D66, is 'die boodschap nog niet bij iedereen doorgedrongen'. Wel bij mevrouw De Boer van Milieubeheer, die deze doelstelling onderschrijft.

Nu mag iedereen zijn eigen voorkeuren hebben, ook een voorkeur voor een groeiend inkomen. Maar dan moet men de prijs van die voorkeur, namelijk grotere risico's voor natuur en milieu, ook accepteren. Uit bijkans alle studies blijkt: hoe strenger het milieubeleid, en hoe meer een land in eenzaamheid opereert, hoe sterker de terugslag op de economische groei.

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft daar onder meer op gewezen in het rapport Duurzame risico's een blijvend gegeven. We kunnen kiezen, maar het verhullen van de gevolgen van de keuzes is ontoelaatbaar.

Het remmend effect op de groei valt overigens mee; zelfs bij de meest extreme vormen van milieubeleid is er nog steeds sprake van groei.

Ten tweede: groei is nodig om milieubehoud te kunnen betalen. Een stokoude misvatting, die al lang is weerlegd. Vele studies, maar ook 'boerenverstandredeneringen' maken de onhoudbaarheid van deze opvatting duidelijk.

Voorbeeld: bij 3 procent groei per jaar in combinatie met (volgens Wijers' recente Energienota) een verbetering van de energie-efficiëntie met 1,6 procent per jaar en een groei van het aandeel duurzame energie naar 10 procent in 2020, stijgen de CO2-emissies met circa 1 procent per jaar.

Ander voorbeeld: om de 3 procent groei te realiseren zijn volgens het kabinet meer wegen en spoorlijnen nodig, die natuur en landschappen doorsnijden en in sommige gevallen ook meer emissies geven. Om die infrastructuur te kunnen betalen zijn belasting- en aardgasinkomsten nodig, en om die laatste binnen te krijgen moet in de Waddenzee naar gas worden geboord.

Dat heet dan allemaal nodig te zijn om natuur- en milieubehoud te kunnen betalen. Wie het begrijpt mag het zeggen.

Ten derde: de distributiefunctie van Nederland vereist meer investeringen in infrastructuur. Voor vele miljarden worden Betuwelijnen en hoge-snelheidslijnen aangelegd, en Schiphol uitgebreid. Premier Kok wil er, getuige zijn interview in de Volkskrant van 1 juni, zelfs nog een schepje bovenop doen. Verwarrend is dat een deel van deze projecten als 'goed voor het milieu' wordt verkocht. De redenering is dan: de trein is schoner dan de (vracht)auto, en overstappen helpt. Maar het mechanisme achter deze projecten is dat ze het transport bevorderen.

De projecten worden betaald met belastinggeld door ons allemaal is opgebracht. De kosten van deze infrastructuur worden niet of nauwelijks aan de gebruiker in rekening gebracht. Er is op deze manier sprake van een gigantische subsidie voor de transportsector; een jaar geleden raamde het Centrum voor Energiebesparing deze op 10 à 15 miljard voor de drie genoemde projecten alleen al. Dat trekt natuurlijk vervoer aan, met alle gevolgen voor natuur- en milieu van dien.

Maar ook vanuit economisch oogpunt is het een twijfelachtige vorm van sectorstructuurbeleid. De vraag naar het waarom van deze subsidies wordt niet beantwoord. Er ligt een diepgeworteld geloof aan ten grondslag dat dergelijke investeringen goed zijn voor onze economie. Een kwestie van 'betonpsychologie'. Maar het is inderdaad uitsluitend een gelóóf, het bewijs wordt nooit geleverd.

Omgekeerd echter zijn voor de stelling dat in een ontwikkelde economie nieuwe infrastructuur niet tot extra groei leidt, rijkelijk bewijzen voorhanden.

Ten vierde: overheidsingrepen in de sectorstructuur zijn taboe. Zo stond niet zo lang geleden, in een onderraad van het kabinet, een zeer zinvol rapport van het Instituut voor Milieuvraagstukken over lange-termijnscenario's (de DEOS-studie) op de agenda. Hoongelach viel de studie ten deel.

Reden: de afkeer van het kabinet van overheidsingrepen op milieugebied, en vooral de angst om in de structuur van de economie in te grijpen. Nu ís er in DEOS helemaal geen sprake van sectorbeleid; de sectorstructuur verandert als gevolg van maatregelen gericht op duurzaamheid. Intussen echter voert het kabinet door zijn steun aan 'Nederland distributieland' een sectorbeleid dat in omvang zijn weerga niet kent.

TEN VIJFDE: als we niets bereiken op milieugebied is het de schuld van de consument. Dit was (aldus de Volkskrant, 30 mei) de strekking van een van de werkgroepen op het genoemde congres over milieu en economie. De consument wil niet meer.

Maar de kasten puilen uit van de rapporten waarin wordt aangetoond dat het gedrag van de consument goeddeels wordt bepaald door economische factoren. Zoals het verschil in prijs tussen milieuvriendelijke en milieuschadelijke produkten. Om die verhouding te veranderen moet de overheid ingrijpen, bijvoorbeeld door het belastingstelsel te veranderen, voorschriften te maken, enzovoorts. De overheid is in elk geval aan zet, niet de consument.

Onlangs zijn in de werkgroep die zich bezighoudt met de 'vergroening' van het belastingstelsel voor een paar honderd miljoen gulden aan voorstellen gedaan, die als eerste bescheiden stap zonder enig probleem kunnen worden ingevoerd. Slechts met grote tegenzin, afgedwongen door de Kamer, gaat het kabinet hierover een standpunt innemen.

Maar ik ben als consument nu wel zo ver dat als dergelijke maatregelen niet uiterlijk dit jaar worden ingevoerd, ik ophou met het scheiden van papier, glas en noem maar op, en ook de auto neem als ik met de trein kan.

Als het kabinet geen duurzaamheid wil, laat men het dan duidelijk zeggen, dan gooi ik ook het bijltje erbij neer.

Jan Paul van Soest is directeur van het Centrum voor energiebesparing en schone technologie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden