Als de voetafdruk van een gazelle in het zand

TWAALFHONDERDVIJFTIG jaar klassiek Arabisch proza. Is dat net zoiets als 1250 jaar klassiek 'westers' proza en als dat zo is, hoe krijg je die 1250 jaar proza dan in een bloemlezing van pakweg zeshonderd bladzijden?...

Natuurlijk zou je kunnen zeggen: beperk je terrein. Doe niet 'westers', maar Frans, of Duits, of Angelsaksisch, maar dan nóg sta je voor een huiveringwekkend embarras du choix.

Een oplossing zou kunnen zijn je dan maar in de tijd te beperken, maar iedereen die met plezier terugkijkt op wat hij aan minder courante boeken uit lang vervlogen tijden heeft gelezen, begrijpt onmiddellijk dat ook dit uiterst onbevredigend is, als je de Arabische of in het algemeen gesproken de 'niet-westerse' wereld een indruk wilt geven van de westerse letterkunde.

Niet doen dus?

Iets niet doen, is altijd de makkelijkste oplossing. Het is de standaard-oplossing van de bureaucratie. Het is machteloosheid, of erger.

Toch zijn de keuzeproblemen die ik schetste, geen flauwekul als het gaat om een bloemlezing, van Arnoud Vrolijk, die bedoeld is om ons in contact te brengen met de Arabische letterkunde van eeuwen her tot de moderne tijd. Het idee van die bloemlezing alleen al is veelzeggend. Het benadrukt het culturele eenrichtingsverkeer dat sinds 1492 tussen het Westen en de rest van de wereld heeft bestaan, en het benadrukt tegelijkertijd - iets wat heel erg van deze tijd is - dat wij daar niet langer genoegen mee nemen. Wij zijn geïnteresseerd geraakt in andere culturen, of misschien moet je zeggen: we kunnen ze niet langer negeren.

Laat ons eerlijk zijn: hoeveel we ook gelezen hebben, hoe erudiet we ons ook in woord en geschrift plegen te gedragen, hoeveel talen we ook beweren te lezen en enigszins te spreken, hoezeer we in de loop van ons leven ook bereisde roelen zijn geworden - die Patagonië evengoed kennen als Antarctica, en er niet voor terugdeinzen om een korte tussenvakantie even in Australië of Alaska door te brengen -, van andere culturen dan de westerse weten we evenveel als onze demissionaire minister Van Aartsen, die voor mij in Nederland zo'n beetje het symbool van het culturele onbenul is geworden (met staatssecretaris Rick van der Ploeg als goede tweede).

Het kan dan ook geen kwaad als degenen die ervoor gestudeerd hebben, in dit geval al die vakbekwame arabisten , ons eens een spiegel voorhouden, niet aan de hand van allerlei politieke of historische beschouwingen, maar aan de hand van wat een cultuur ten diepste definieert: haar literatuur in de meest brede zin van het woord, dus zowel de schone letteren als het in geschrifte bewaarde, zedelijke, geslachtelijke, culinaire en filosofische leven, om maar een paar categorieën te noemen die in De taal der engelen aan bod komen.

Aan deze opsomming valt al af te lezen dat Arnoud Vrolijk zich bij zijn culturele, maar misschien ook wel educatieve opdracht zo min mogelijk heeft ingehouden. We krijgen heel veel kanten van de Arabische cultuur te zien, maar niet de meest recente, want de bloemlezer probeert een beeld te geven van die cultuur zolang deze nog in zeer belangrijke mate autonoom was, en de Arabische landen nog niet met de westerse moderniteit en de invloed daarvan op hun traditie te kampen hadden.

De Arabieren waren veroveraars, schrijft Vrolijk, en brachten dan ook grote delen van het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Europa (Spanje) onder hun heerschappij, maar ze waren met weinigen en gingen al gauw op in de plaatselijke culturen, die de hunne beïnvloedden. Het essay dat Vrolijk aan zijn bloemlezing toevoegt, is knap geschreven, voegt veel toe aan onze ontbrekende kennis, en schetst een historische ontwikkeling die ons de hedendaagse realiteit beter doet begrijpen.

Wat hij ten slotte aan proza heeft gekozen, legt hij uit, en ook hoe hij het gedaan heeft, waardoor er überhaupt een selectie mogelijk werd. Hij heeft zich op negen 'thema's' georiënteerd. Die zal ik niet allemaal gaan noemen. Belangrijker is dat er onderwerpen zijn die je - als je het omgekeerde zou moeten doen, zie boven - niet meteen zou kiezen. Dus de Arabische bijbel, de Koran. Flinke fragmenten.

Grappig is dat Vrolijk een fragment van een zeventiende-eeuwse Nederlandse vertaling opneemt, misschien om ons een vergelijking met de Statenbijbel mogelijk te maken. De soer'a's die we te lezen, krijgen zijn serieuze, om niet te zeggen: saaie kost, evenals de commentaren daarop. Er zijn meer van zulke stukken, die je eerlijk gezegd voor kennisgeving aanneemt. Curieuzer wordt het als we het terrein van de religie verlaten en met fragmenten uit oude Arabische 'zedeconstighe' verhandelingen meer inzicht verwerven in ethiek, etiquette en nog praktischer vraagstukken, die in het oog springen door de open manier waarop over heel aardse zaken, zoals de geslachtsgemeenschap, wordt gesproken.

De openheid omtrent dat laatste - we hebben het al kunnen zien in de poëziebloemlezing Een Arabische tuin van Geert Jan van Gelder - is vermoedelijk het meest markante verschil tussen de Arabische literatuur en onze oudere letterkunde, want al hebben wij dan Gargantua en Pantagruel, de Decamerone, de Canterbury Tales en in Nederland onze eigen Focquenbroch, in het Arabisch gaat het er aanzienlijk onbesuisder (of pragmatischer) aan toe dan in de christelijke letteren.

Op het gevaar af hierbij te lang te blijven stilstaan - het bloed kruipt nu eenmaal waar het niet gaan kan - citeer ik een stukje uit 'De zoetgeurende tuin' van Muhammad ibn Muhammad Al-Nafzawi (begin vijftiende eeuw):

'Geprezen zij God, die de vagina van de vrouw geschapen heeft als opperst genot voor de man en de penis van de man als hoogste genot voor de vrouw. De vagina kent immers rust noch kalmte totdat de penis erin is binnengedrongen, en de penis vindt hetzelfde slechts in de vagina. Als deze twee samenkomen leveren ze strijd, stoten en vechten ze, en beider lust nadert elkaar in de ontmoeting der schaamdelen. De man stoot, de vrouw schudt en langs deze weg vindt de ontlading plaats. God heeft de mens zo geschapen dat hij genot vindt in het kussen van de mond, wangen en nek, in de omarming en in het zuigen op zachte lippen. Dit alles doet de penis van de man onmiddellijk oprijzen. De Wijze God heeft in Zijn wijsheid de borstkas van de vrouw getooid met borsten, haar kin met zachte rondingen, haar wangen met een kokette blos. Hij heeft haar verleidelijke ogen gegeven en lange wimpers als blankgepolijste zwaarden. Hij heeft haar een gewelfde buik gegeven en Hij heeft haar getooid met een navel, golvende huidplooien en zware billen. Daaronder heeft Hij haar lange dijen gegeven en daartussen heeft Hij het ontzagwekkende schepsel geschapen dat in zijn breedheid en vlezigheid lijkt op een leeuwenkop: de vagina. Hoeveel helden hebben niet in verdriet en wroeging daarover het leven gelaten! God heeft de vagina een mond gegeven, een tong en twee lippen en een vorm die treffende gelijkenis vertoont met de voetafdruk van een gazelle in het zand.'

Het is een van de vele momenten in deze bundel waarop de Arabische literatuur tot haar kern wordt teruggebracht, zou ik haast willen zeggen. Wat er nog aan toe te voegen? Een keuze maakt zichzelf waar, als ze de lezer het gevoel geeft volledig en representatief te zijn. Vrolijk is daar met steun van zijn collega-arabisten die de vertalingen verzorgden, in geslaagd. Wie de taal der engelen in dit boek beluistert, zal merken dat in de traditionele Arabische cultuur eerbied en respect voor de Allerhoogste het genot niet in de weg stond. Integendeel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.