Als de relatie maar vaak genoeg uit ging, ruimde je vanzelf op

Beeld Robin de Puy

Terwijl de dag van de verhuizing naderde en wij in een onttakeld huis tussen dozen, stapels en stofwolken voortdurend op zoek waren naar zaken die we reeds hadden ingepakt en andere dingen juist weer terugvonden - een speen, een aanmaning, M&M's, bonnetjes, een aantekeningenblokje en een handvol Poolse zloty's - werd 20 kilometer verderop door daartoe bevoegde kerels gestoomd, gestript en geschilderd dat het een lieve lust was. Aan de beslissing niet zelf te gaan klussen, hadden we van tevoren weinig woorden vuil gemaakt: kwestie van zelfinzicht.

Dat daarmee de kous nog niet af was, bleek toen we in de loop van het proces moesten beslissen over gordijnen, gordijnrails, oude radiatoren, nieuwe handvatten, behang, verf, kastindeling, scharnierwerk, licht, geluid, levertijden, afmetingen, dempers en draaiers. En dan moest het écht lastige gedeelte, namelijk goed werkend internet, nog komen. Godzijdank kregen we hulp van mijn aangetrouwde tante Ronnie, een van oorsprong Amsterdamse met gevoel voor stijl die ons op geheel Amsterdamse wijze behoedde voor onze eigen smaak. Op mijn voorstel overal bordeauxrode fluwelen gordijnen op te hangen: 'Je wilt toch niet in een bordeel wonen? Nou dan.'

Ik concentreerde me maar op het inpakken. Op de gehuurde dozen stonden de namen van mensen die ons voor waren gegaan. 'Kamer Boaz & Sterre' stond er op een. Op een ander: 'Boeken pa'. Het kwam voor dat ik met één stapel begon en een uur later nog geen steek verder was. Hé, een stripje kaaszegels tussen de tijdschriften, even inplakken. Kijk nou, het geboortekaartje van een buurmeisje. Och, een geplet lieveheersbeestje. In een HP/De Tijd van 27 juli 2001 verloor ik me in een

Dossier over Dutroux ('Waarom het Beest nog steeds niet is berecht') en het cover-artikel van de Vrij Nederland van 9 juli 2005 ('Onderbuikgevoel: lezers over hun intuïtie') bleek ook lezenswaardig - kennelijk bestond de gewone man toen ook al.

Gelukje: veel stond nog altijd keurig verpakt op zolder, in dozen die ik vier jaar eerder zelf naar binnen had gedragen. Er was geen ruimte geweest om alles uit te pakken, geen noodzaak ook. Nog een geluk: het écht grote weggooien, het soort weggooien dat je doet als je ergens tien jaar hebt gewoond, was ook al geschied; het voordeel van verbroken relaties en de daarmee gepaard gaande verhuizingen - als het maar vaak genoeg uit ging, ruimde je vanzelf op.

Mijn moeder belde.

'Ik ben net even in het nieuwe huis geweest om de keukenkastjes alvast schoon te maken', zei ze. 'Leuk hoor, dat oker op de muren.'

Ik: 'Welk oker?'

Een dag later kon ik het zelf zien. De schilders, rouwdouwers in gevlekte shirts en witte broeken, zaten net een witte kadet met satésaus te eten. Er lag een pakje Pall Mall op tafel, uit de transistorradio kwam non-descripte klereherrie. André, de schilder met een tatoeage van de naam Cash ('Van Johnny was er maar één') in zijn nek, zei dat het geen oker was maar cognac, precies zoals ik had besteld. Het was een hele klus geweest, dat wel, al die ramen en al die vakjes, godskolere. Hun vrouwen werden schildersweduwen genoemd, alle dagen hadden ze werk, ja, ook 's avonds, binnenkort gingen ze zelfs naar Frankrijk.

Ik: 'Doen jullie alles samen?

André: 'Ja. Behalve seks.'

Toen ik even later het cognac van de muur op me liet inwerken en de herfstzon door de ramen naar binnenviel, ving ik een glimp op van het geluk dat ons te wachten stond.

eva.hoeke@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.