Als de leider ziek is

Macht vrijwaart niet van lichamelijk en psychisch falen. Pijnen, depressies en waanideeën kunnen politieke beslissingen beïnvloeden – met verstrekkende gevolgen....

Dat het huwelijk van John F. Kennedy geen toonbeeld was van monogaam geluk, is uitvoerig beschreven. Minder bekend is dat hij met artsen en medicijnen beduidend ontrouwer was dan met geliefdes. Pas 43 was hij toen hij in 1960 aantrad als 35ste president van de Verenigde Staten, maar in beroerdere gezondheid dan veel stokoude kerels die elders de dienst uitmaakten.

Hij leed – onder meer – aan de ziekte van Addison (een chronisch onvoldoende werking van de bijnierschors), hevige rugpijnen en aanvallen van depressie. Om zijn vele lichamelijke en geestelijke pijnen te verlichten liet hij zich een indrukwekkend palet aan medicijnen verstrekken door artsen die van elkaars bestaan zelden iets afwisten.

Een van de gevaarlijkste geneesheren die Kennedy regelmatig ontbood was dr. Max Jacobson, bijgenaamd de Voel-Je-Lekker-Dokter, gespecialiseerd in injecties met amfetaminen en steroïden die zijn patiënten onmiddellijk opkrikten, zij het maar voor een paar uur. Het is vrijwel zeker dat ‘de lekkere dokter’ de president in juni 1961 in Wenen injecteerde vlak voor deze topoverleg inging met Sovjet-leider Chroesjtsjov.

Dingen liepen niet volgens plan. Chroesjtsjov kwam drie kwartier te laat. De stemming van euforische zelfverzekerdheid waarin Kennedy zijn gesprekspartner had begroet, sloeg tijdens het overleg om. Naar het schijnt verloor hij al zijn zelfvertrouwen en kon hij op een gegeven moment nauwelijks meer zinnen formuleren. De conclusie dat de weinig verfijnde Chroesjtsjov na dit gesprek dacht met een watje in het Witte Huis te maken te hebben en besloot kernraketten op Cuba te plaatsen die de wereld op de rand van een nucleaire oorlog brachten, durft David Owen, arts en voormalig minister van Buitenlandse Zaken van Groot-Brittannië, wel voor zijn rekening te nemen.

Lichamelijk en psychisch falen van toppolitici kan verstrekkende gevolgen hebben. Anthony Eden stond als minister onder Churchill bekend als verstandig, voorzichtig en evenwichtig. Echter, na een mislukte operatie aan zijn galblaas in 1953 kreeg hij te kampen met allerhande pijnen die gepaard gingen met stemmingswisselingen. Al snel kreeg hij daarvoor benzedrinepillen voorgeschreven, te gebruiken naar behoefte. Zomer 1956, Eden was inmiddels een jaar premier, was zijn benzedrinegebruik aan ieders controle ontglipt– ook aan die van Eden zelf.

Van de Drinamyl-capsules die hij in royale hoeveelheden slikte, is bekend geworden dat ze bijwerkingen hebben als roekeloosheid, overdreven zelfvertrouwen en waanvoorstellingen. Zo zou het kunnen komen dat de ooit zo verstandige Eden de Egyptische president Nasser medio 1956 niet meer zag als een kleine leider van een arm land, maar als een Hitleriaans monster dat de wereld bedreigde. Toen Nasser het Suezkanaal nationaliseerde, ging Eden zonder zelfs zijn trouwste bondgenoten in de VS in te lichten akkoord met een ‘krankjorem’ Frans-Israëlisch invasieplan dat hij, geloven zijn biografen, onmiddellijk had verworpen als de benzedrine zijn denkvermogen niet had aangetast. De invasie mislukte hopeloos. Januari 1957 was Edens politieke ondergang een feit.

Stalin werd helaas niet democratisch tot aftreden gedwongen. Zijn waanvoorstellingen waren geen bijwerkingen van medicijnen maar van ondergrondse jaren, toen de geheime politie van de tsaar de illegale communistische cellen infiltreerde en Stalin overal ‘verraders’ begon te zien. Een paar decennia later stonden miljoenen Sovjet-inwoners bloot aan de grillen van een paranoïde psychopaat. Brezjnev werd in zijn laatste levensjaar door potente knapen van de KGB overal naar binnen gedragen en kon naar het schijnt weinig anders meer dan knikkebollen. Reagans geheugen, spraak- en denkvermogen waren al in zijn tweede ambtstermijn behoorlijk door Alzheimer aangetast. Nixon was in de periode 1971-1974 door excessief gebruik van alcohol en kalmeringsmiddelen in toenemende mate ontoerekeningsvatbaar.

Het idee dat leiders bekwaam zijn, bekwamer dan ‘wijzelf’, dat ze weten wat ze doen en zo gezond zijn als ze zich presenteren, is een veel voorkomende vorm van zelfbedrog. Gaan we aan hun gezondheid twijfelen, dan komt dat onze nachtrust niet ten goede. De Amerikaanse psychiater Jerrold Post schreef een aantal jaren geleden het even voortreffelijke als verontrustende When Illness Strikes the Leader. Een omvangrijke hoeveelheid ziektegeschiedenissen van toppolitici passeert hierin de revue, stuk voor stuk met omvangrijke gevolgen.

David Owen verklaart zijn fascinatie voor zieke leiders uit het feit dat hij zowel de hoogste regionen van de politiek als de medische wereld van binnen kent. Als neuroloog raakte hij doordrongen van het alomvattende karakter van ziekteprocessen. Als minister van Buitenlandse Zaken (1977-1979) en onderhandelaar voor het voormalig Joegoslavië (1992-1993) zat hij veelvuldig aan tafel met lieden bij wier gezondheid hij flinke vraagtekens plaatste.

Owen schreef In Sickness and in Power, vertaald als Zieke wereldleiders, een uitgebreider en pretentieuzer boek dan dat van Post, vol onthullingen over wereldleiders die hij persoonlijk heeft gekend. In de eerste honderd pagina’s onderwerpt hij diverse 20ste-eeuwse politieke kopstukken aan een medisch onderzoek. Aan vier ‘ernstige gevallen’ wijdt hij vervolgens detailstudies: aan Eden en aan Kennedy, en aan Mitterrand en Blair.

Om Eden en Kennedy kon Owen om begrijpelijke redenen niet heen. In beide gevallen is nagenoeg onomstotelijk vast komen te staan dat ziekte en medicijngebruik hun politiek handelen verregaand beïnvloedden. Die kennis danken we vooral aan het feit dat zij in democratieën opereerden. Wat bekend is geworden over zieke alleenheersers, gelijkt een zee waaruit ijsbergen steken. Mao leed waarschijnlijk aan verschillende geslachtsziekten en aan Parkinson, Ceausescu droeg de hele dag een luier, Kim Il Sung had zo’n enorme bochel dat de propagandafotografen zich in de raarste bochten moesten wringen om het ding voor de wereld onzichtbaar te houden – maar naar wat deze kerels precies hadden en hoe groot de invloed daarvan was op hun geestesgesteldheid, blijft het gissen, net als bijvoorbeeld naar de huidige toestand van Fidel Castro.

Owen omzeilt deze zee vol ijs. Hij bestudeert de patiënt François Mitterrand, bij wie al een paar maanden na zijn aantreden als president in 1981 prostaatkanker werd geconstateerd. Toen de Franse president Pompidou in 1974 onverwacht aan beenmergkanker overleed, verklaarde Mitterrand over zijn eigen gezondheid altijd openheid te zullen betrachten. Eenmaal zelf met kanker in het hoogste ambt, deed hij het tegenovergestelde. Jarenlang zette hij zijn lijfarts Claude Gubler onder druk de bevolking in medische bulletins voor te liegen.

Dat is betreurenswaardig. Echter, als Owens reconstructie – gebaseerd op Gublers verbitterde relaas – iets duidelijk maakt, is het dat Mitterrand met zijn prostaatkanker lange tijd goed functioneerde. Pas vanaf 1993 werd hij bedlegerig en bemoeide hij zich weinig meer met belangrijke politieke beslissingen. Zo faalde hij bijvoorbeeld zijn gewicht te gooien achter het Vance-Owen plan voor het voormalig Joegoslavië. De auteur van Zieke wereldleiders lijkt dat nog steeds dwars te zitten. Dat hij juist om die reden een studie wijdt aan de kanker van Mitterrand, is een verdenking waarvan hij zich niet geheel weet vrij te pleiten.

Beduidend discutabeler is Owens aanklacht tegen Tony Blair. Bij hem constateert hij een kwaal die hij graag à la de posttraumatische stress stoornis officieel erkend wil zien, namelijk het hubris- of overmoedsyndroom.

Het is een bekende paradox dat mensen die de top bereiken vaak precies degenen zijn die die top niet hadden moeten bereiken. Met hun sterke manifestatiedrang en hun niet-aflatende ambitie, hun overdosis enthousiasme, hun werk- en vechtlust, hun gebrek aan empathie voor tegenstanders, hun meer dan positieve zelfbeeld en hun behoefte dingen te sturen of ergens een stempel op te drukken, overschrijden ze makkelijk de grens tussen het min of meer normale en het pathologische. Owen citeert Robert Hutchisons Gebed van een geneesheer: ‘Heer verlos ons van mensen met een onvermogen met rust te laten, van overdreven enthousiasme voor het nieuwe en verachting voor het oude (...), van een geneeswijze die meer leed veroorzaakt dan de ziekte zelf.’ De Chinese wijsgeer Lao-tse stelde 2500 jaar geleden: ‘De leiders zijn het beste als de bevolking nauwelijks weet van hun bestaan.’

De praktijk is veelal anders. Door alle speciale aandacht die topfiguren ten deel valt, alle likkers en lakeien die onherroepelijk in hun entourage samenklonteren, al het applaus en al de bewonderende blikken die hun verschijning losmaakt, alle privileges, bodyguards en luxe, het isolement en de vervreemding van de ‘gewone wereld’, kunnen ze gemakkelijk gaan denken dat ze uitverkoren, onvervangbaar en onmisbaar zijn, dat ze een grootse missie hebben – ze vallen ten prooi aan hubris.

Overmoed is de mens al bekend sinds Ikarus met smeltende vleugels in zee stortte. Er stond Owen een schier eindeloze reeks 20ste-eeuwse politici ter beschikking om zijn hubris-syndroom mee te illustreren, van Mao tot Mugabe, van Hitler tot Hoxha, van Khaddafi tot keizer Bokassa. Hij kiest voor Tony Blair, die zich overmoedig in het Amerikaanse Irak-avontuur zou hebben gestort. Voor alle duidelijkheid: Owen verwijt Blair niet dat hij met dat avontuur instemde. Owen was daar zelf ook een voorstander van. Hij verwijt Blair en Bush in de euforische zelfverzekerdheid die uit hun overmoed voortvloeide geen plan te hebben gemaakt voor de tijd na de invasie. Eén van de wijze mannen die Blair op de noodzaak daarvan zou hebben gewezen was, inderdaad, dokter David Owen, die een aantal malen op Downing Street 10 werd ontboden voor speciale Irak-diners.

Zijn medische rapport betreffende patiënt Blair heeft op veel plekken het karakter van een persoonlijke afrekening. Allerhande intieme details over een gespannen, vermoeide en geïrriteerde Blair geeft Owen prijs. Over zichzelf houdt hij dergelijke details zorgvuldig achter, terwijl hij in Zieke wereldleiders wel veelvuldig put uit zijn eigen ministerstijd. Het kan niet anders of Owen was in die zware jaren ook wel eens geïrriteerd of gespannen terwijl hij belangrijke knopen moest doorhakken. Op bekentenissen blijft het wachten.

In het slothoofdstuk ‘Bescherming tegen ziekte bij staatshoofden’ pleit Owen voor een uitgebreid mandaat voor de Verenigde Naties om landen van hoogmoedige alleenheersers te verlossen. Met enige trots biecht hij op ooit het plan te hebben gehad Idi Amin te laten vermoorden, en in 1978 te hebben geprobeerd de machtsgreep van Robert Mugabe te voorkomen. Politici in democratieën wil Owen aan strenge medische keuringen onderwerpen, wat in de VS al gebruikelijk is bij topmanagers in het bedrijfsleven. Dat veel ongezonde doch sluwe lieden door zulke controles heen zullen glippen, blijkt uit alle hoofdstukken die aan deze conclusie voorafgaan. Net als het feit dat veel gevaarlijke kwalen moeilijk traceerbaar zijn. Want met welk apparaatje kan de dokter een pathologische ijdelheid meten, of een wel erg positief zelfbeeld vaststellen?

Overmoed, megalomanie, depressie, waanideeën, oververmoeidheid, langdurige slapeloosheid en zware lichamelijke pijnen sturen politieke beslissingen vaker dan we willen weten – ook in democratieën. Owen maakt dat net als Jerrold Post overtuigend duidelijk. Hij verdient lof voor het aankaarten van een problematiek die hij met recht ‘angstaanjagend belangrijk’ noemt, en voor het bij elkaar brengen van (in ieder geval voor een deel) belangwekkende feiten. Dat dokter Owen zelf een toppoliticus was – een niet weinig ijdele en ook een beetje rancuneuze – komt zijn bevindingen echter niet alleen ten goede.

Het klassieke onderscheid tussen de politicus en de intellectueel is dat de eerste de halve waarheid vertelt terwijl de tweede in ieder geval probeert open kaart te spelen. Het is, kort door de bocht, het verschil tussen David Owen en Jerrold Post. When Illness Strikes the Leader is met minder medische kennis en minder praktijkervaring geschreven dan In Sickness and in Power. Maar dokter Post is wel over al zijn patiënten even kritisch.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden