Als de dood voor verandering

Aan de vooravond van de verkiezingen voor de Bondsdag stelt historicus Paul Nolte: de Duitsers moeten zich losmaken van het Wirtschaftswunder....

De eerlijkheid gebiedt Paul Nolte te zeggen dat hij na 22 mei (toen de SPD haar voorkeur voor vervroegde Bondsdagverkiezingen uitsprak) wel een telefoontje van deze of gene politicus had verwacht. Gewoon, om eens rustig en onbelast door de politieke realiteit te spreken over de toestand van Duitsland. Daarover geeft de 42-jarige hoogleraar geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Berlijn namelijk geregeld pregnante meningen ten beste.

Dat de generatie van Joschka Fischer – de 1968’ers – de politiek niets meer te bieden heeft, maar dat de volgende generatie te zeer opgaat in een tot niets verplichtend sarcasme om de zittende machten te kunnen uitdagen. Dat de Duitsers niet voor behoudend willen doorgaan, terwijl zij als de dood zijn voor maatschappelijke veranderingen – uit vrees dat daarmee het hele na-oorlogse bouwwerk aan het wankelen wordt gebracht. En dat er een nieuwe onderklasse is ontstaan van mensen ‘zonder culturele competenties’ die niettemin smaakbepalend zijn voor de massacultuur.

Ter illustratie van deze ontwikkeling introduceerde Nolte het begrip Unterschichtenfernsehen, wat zou kunnen worden vertaald als ‘onderlaag-televisie’. Hiermee bedoelde hij dat het televisie-aanbod in toenemende mate wordt afgestemd op de voorkeuren van degenen die de meeste tijd achter de televisie doorbrengen. En dan heb je het in Duitsland al snel over de bijna vijf miljoen werklozen.

Een aantal jaren geleden zou hij er nog op hoge toon van zijn beticht een kwetsbare groep te belasteren. Maar nu heeft hij kennelijk een thema geagendeerd ‘dat in de lucht hing’. Dat wil zeggen: de intelligentsia – overwegend links georiënteerd – nam met belangstelling kennis van Noltes definitie van de nieuwe onderklasse, en wilde er met hem over in debat gaan.

Maar uitgerekend tijdens de campagne die voorafgaat aan Duitslands Schicksal-verkiezingen – waarbij over het lot van de Bondsrepubliek zal worden beschikt – neemt geen enkele politicus de moeite om even met Nolte te bellen. Hij is te bescheiden om hierin een symptoom te zien van het ernstig vormverlies waaraan Duitsland lijdt, maar het had in de rede gelegen dat politiek en wetenschap zich in tijden als deze met elkaar verstaan.

‘Momenteel is de onzekerheid onder de politici te groot om gedachtenexperimenten en ingrijpende hervormingsvoorstellen op de kiezers los te laten’, zegt Nolte. ‘Het akelige gevolg is dat zij in de lopende campagne de academische nuances schuwen, en weer zijn teruggekeerd naar het politiek autisme van weleer.’

Echt verrast heeft deze ontwikkeling hem niet. Want Duitsland gaat hieronder al jaren gebukt. Maar spijtig is het wel, dat wederom geen kansen worden benut voor hervormingen die uiteindelijk onvermijdelijk zijn. ‘Nu kan de Duitse politiek nog in betrekkelijke vrijheid over de te volgen koers beschikken. Als zij nu niet handelt, zal ze door de omstandigheden worden gedwongen tot een radicalisme waarvoor ze nu nog huivert. In die zin zijn dit beslissende verkiezingen.’

Hoe het zo gekomen is? Nolte heeft geen idee. ‘Zo’n jaar of twee geleden maakte zich aarzelend een ‘omslagstemming’ meester van het land. Ook door toedoen van de media. De Frankfurter Allgemeine Zeitung stelde het probleem van de vergrijzing indringend aan de orde. En der Spiegel creëerde een gevoel van urgentie bij de hervorming van de sociale zekerheid. De rood-groene coalitie van Gerhard Schröder heeft de gunst der tijden echter onvoldoende benut. Zij is pas in 2003, bij de afkondiging van de zogenoemde Agenda 2010, tot handelen overgegaan, maar heeft zich alweer in het defensief laten dwingen.

‘En dat terwijl er toch consensus tussen de volkspartijen SPD en CDU bestond over aard en doel van de hervormingen. Ze waren het erover eens dat het belastingstelsel ingrijpend moet worden vereenvoudigd, en dat veel subsidieregelingen moeten worden beëindigd. Maar zodra het verzet tegen de plannen vaste vormen aannam, won de beduchtheid voor wanorde en protest het weer van de doortastendheid.’

Nolte onderschrijft niet de gangbare opvatting dat het de Duitsers nog niet slecht genoeg gaat om van de noodzaak van hervormingen overtuigd te zijn. ‘Kan het ons dan nóg slechter gaan? Moeten er 20 miljoen werklozen zijn voordat we eindelijk forse ingrepen aanvaarden?’ Nee, aan crisisbewustzijn ontbreekt het de Duitsers niet. Integendeel. Zij ontlenen er alleen geen strijdbaarheid aan. ‘De gevóelde crisis is nog veel overweldigender dan de werkelijke crisis’, zegt Nolte. ‘De Duitsers zijn bevangen geraakt door een ondergangslethargie. Het is moeilijk om nog een beroep te doen op hun vertrouwen in een betere toekomst. Ze hebben het geloof in hun eigen kunnen verloren.’

De Duitse politiek zou het als haar opdracht moeten verstaan dit sentiment te trotseren. En daarvoor is ze in principe ook toegerust, denkt Nolte. Want de Duitsers zijn gewoon om leiding van de staat te aanvaarden. Ten tijde van de Bondsrepubliek is de relatie tussen burger en overheid echter eenzijdig geworden. ‘Men verwacht bescherming van de staat, maar geen dwang. En dat is een grote belasting van de pogingen het land te hervormen.

‘Dit heeft Duitsland gemeen met het eveneens sterk staatsgeoriënteerde Frankrijk. Ook dat land slaagt er maar niet in om over zijn eigen schaduw heen te springen. De Duitse onbeweeglijkheid heeft echter ook een historische dimensie. De vorige generaties zijn getuige geweest van adembenemende lotswendingen. Zij hebben een keizerrijk zien ontstaan en verdwijnen. Hun vermogen is ten prooi gevallen aan de hyperinflatie. Hun eerste democratie is roemloos ten onder gegaan. En zij hebben een dictator aan de macht geholpen die een nieuwe oorlog ontketende. Maar na alle historische dwalingen zijn ze eindelijk aangekomen in de Bondsrepubliek waar orde, welvaart en democratie heersten. Die succesformule geldt als een bezwering tegen de wisselingen van het lot. Als het even tegenzit met de economie, weerklinkt de roep om een Karl Schiller (de minister van Economische Zaken in de Grote Coalitie van 1966-’69 die met een Keynesiaans investeringsprogramma reageerde op de eerste na-oorlogse recessie in de Bondsrepubliek). ‘Maar de aanpak van Karl Schiller voldoet sinds 1973 al niet meer.’

Het succes van gisteren is het Duitse noodlot van vandaag. ‘De Duitsers zouden nu misschien wat beweeglijker zijn als ze zich zouden losmaken van de vergane glorie van het Wirtschaftswunder.’ Maar tijdens de achterliggende verkiezingscampagne is gebleken dat politici hun lot nog steeds niet aan onwelkome boodschappen durven verbinden. ‘Merkel heeft haar hervormingsgezindheid niet pregnant willen uiten. Ik putte even hoop uit het, naar Duitse maatstaven, moedige voornemen de BTW met 2 procent te verhogen. Het had in de rede gelegen dat Merkel vervolgens had uitgelegd wat voor verstandige dingen zij met de extra belastinginkomsten zou doen. Maar deze toelichting is nooit gegeven. Met als gevolg dat de CDU zich als partij van de kaalslag in het defensief heeft laten duwen.’

Maar de CDU is altijd nog een wonder van coherentie en consistentie in vergelijking met de SPD, zegt Nolte. ‘Gerhard Schröder heeft aangedrongen op ontbinding van de Bondsdag omdat hij verzet in zijn eigen partij vreesde tegen zijn hervormingsbeleid. De vervroegde verkiezingen hadden dus het karakter van een volksraadpleging over zijn Agenda 2010. Maar in de praktijk blijkt daar niets van. Wat heet: de SPD heeft zich er krachtig voor ingespannen om niet te worden geassocieerd met het hervormingsbeleid van de achterliggende jaren, terwijl dat welbeschouwd toch het enige succes van Schröder was. Nóg opmerkelijker is dat de bondskanselier met veel inzet een rol vervult die hij helemaal niet zou moeten ambiëren: die van doodgraver van zijn eigen beleid. In het debat met Merkel vermeed hij de thema’s waarover zij het eigenlijk eens waren, en reduceerde hij de CDU tot de partij van de sociale kilte.’

Hoewel de SPD electoraal veel baat lijkt te hebben bij haar zelfverloochening en nestbevuiling, houdt Nolte met de mogelijkheid van een regering-Schröder III geen rekening. ‘Dat zou zowel rekenkundig als inhoudelijk buiten mijn bevattingsvermogen liggen. Bovendien kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat de rood-groene coalitie zichzelf heeft opgegeven. Voor de SPD zie ik na morgen een rol weggelegd als junior-partner in een grote coalitie met de CDU, of als grootste oppositiepartij. In dat laatste geval zal ze zich nóg verder verwijderen van de hervormingsconsensus. In beide gevallen zal Gerhard Schröder de politiek verlaten.

‘Zijn plaats in de geschiedenis is verzekerd – net als die van elke andere bondskanselier. Ik denk dat hij als een tussenfiguur te boek zal staan. Als iemand die te laat en te aarzelend met het achterstallig onderhoud van de Bondsrepubliek is begonnen, en die daar te snel mee is opgehouden.’

Nolte betwijfelt of het onvermogen van de gevestigde politiek de weg zal vrijmaken voor een Fortuynistische protestbeweging. ‘Daarvoor is het gros van de Duitsers toch te conflictschuw. Niet zonder reden leeft er onder de bevolking een brede sympathie voor een grote coalitie. Nee, als er in Duitsland íemand bij benadering vergelijkbaar is met Pim Fortuyn, is het Oskar Lafontaine – een van de twee aanvoerders van de Linkspartei. Maar die gelijkenis heeft meer betrekking op hun stijl dan op hun inhoud. Waar Fortuyn sluimerende onvrede ontketende, wordt die onvrede door Lafontaine vooral gekanaliseerd. Vanwege deze rol wordt Lafontaine door het politiek establishment heimelijk wel gewaardeerd: hij verhindert het ontstaan van een grote buitenparlementaire oppositie – hét schrikbeeld van de modale Duitser.’

Wat Nolte zelf vooral mist in de Duitse politieke cultuur, is een onbevangen omgang met het begrip ‘conservatisme’. ‘Het wekt om de een of andere reden onwelkome associaties. Zo was Helmut Kohl er alles aan gelegen zijn CDU niet als conservatieve partij, maar als partij van het midden te positioneren. Friedrich Merz, de vroegere leider van de CDU/CSU-fractie in de Bondsdag, heeft dapper geprobeerd zijn partij van deze verkramptheid te verlossen. Maar van zijn pleidooi voor een Duitse Leitkultur in de multiculturele samenleving werd een karikatuur gemaakt: alsof Merz van de allochtonen zou verlangen dat zij zich het oeuvre van Goethe en Schiller eigen maken. Maar dat was uiteraard zijn oogmerk niet. Hij maakte slechts zijn zorgen kenbaar over het feit dat de in Duitsland wonende Turken de basisvaardigheden onvoldoende hebben eigengemaakt.’

Het ontbreekt de parlementaire democratie aan zelfzuiverend vermogen, besluit Nolte. Niettemin heeft hij vrede met het imperfecte stelsel. ‘Ik kan mij geen aanvaardbaar alternatief voorstellen. De onvrede met de bestaande orde schept zelden levensvatbare alternatieven. In dat opzicht deel ik het Duitse voorbehoud tegen experimenten: van de Weimar Republiek hebben we geleerd dat je de democratie niet te snel moet afschrijven. Ze blijkt altijd weer over een onvermoede vitaliteit te beschikken.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden