Alom heerst vrees voor nucleair Iran, maar neiging om weg te kijken groeit

De politieke hoogmis van de week was ongetwijfeld het bezoek van de Chinese leider Hu Jintao aan de Verenigde Staten....

Nog niet zo lang geleden leverde een vraaggesprek met de regeringsleider van India zelden teksten op waaraan Washington zich kon warmen. New Delhi beschouwde zichzelf als de voortrekker van de niet-gebonden landen en kapittelde bij voortduring de Amerikaanse buitenlandse politiek. Maar anno 2006 is de relatie volledig veranderd. India is hard op weg een strategische partner van de VS te worden. In het interview met Hoagland roemde premier Manmohan Singh de toenemende samenwerking tussen beide landen. En over Iran zei hij: 'Laat het duidelijk zijn dat wij niet nog een kernmacht in de regio wensen.'

Vooral dat laatste zal met tevredenheid zijn genoteerd in Washington. Maar legt het ook substantieel gewicht in de schaal? Het curieuze is dat het vooruitzicht van een nucleair bewapend Iran een bont gezelschap van omstanders vrees inboezemt - en toch lukt het niet om een verenigd front te vormen dat Teheran daadwerkelijk de pin op de neus zet. Israël is uiteraard zeer bezorgd over een Iraans kernwapen (zeker sinds het aantreden van Mahmoud Ahmadinejad als 'president and chief holocaust denier', zoals The Economist hem in de jongste editie noemt), maar ook Turkije en de meeste Arabische landen huiveren bij de gedachte aan een 'shi'itische bom'. De VS en de Europese Unie vrezen de destabiliserende gevolgen van een met kernwapens uitgerust Iran, dat twintig jaar lang heeft gelogen over zijn nucleaire programma. En zelfs Rusland is ongerust over zo'n stokebrand aan zijn zuidgrens, al zijn de lucratieve handelscontracten niet te versmaden.

Waarom blijft de internationale pressie op Iran niettemin zo diffuus en ineffectief? Waarom voelde het Iraanse bewind zich deze week niet geremd om triomfantelijk zijn vorderingen met de verrijking van uranium wereldkundig te maken? De voornaamste reden is gelegen in het ontbreken van geloofwaardig Amerikaans leiderschap, en dat heeft natuurlijk alles te maken met de ontluisterende situatie in Irak. Deze tast niet alleen het morele gezag van Washington aan, maar zaait ook ernstige twijfel over het vermogen van de huidige Amerikaanse regering om het Iraanse bewind met een afgewogen mengeling van diplomatieke afgrendeling, economische pressie en militaire dreiging tot concessies te dwingen. En die twijfel wordt alleen maar groter doordat president Bush zijn minister van Defensie, die als geen ander verantwoordelijk is voor de vele beleidsfouten bij de bezetting van Irak, hardnekkig de hand boven het hoofd houdt.

Het aanblijven van Donald Rumsfeld is het jammerlijke bewijs dat het Witte Huis 'niets is vergeten en niets heeft geleerd', zoals ook werd gezegd van de Bourbons, die na de val van Napoleon toch terugkeerden op de Franse troon.

Dit is een spijtige constatering, niet in de laatste plaats omdat een geloofwaardig Amerikaans leiderschap nog altijd hard nodig is in de wereld. Alle kritiek die aan het adres van de regering-Bush kan worden gericht, maakt het Iraanse gevaar er niet minder op en de noodzaak er een tegenwicht aan te bieden niet kleiner. Helaas is er een toenemende neiging waarneembaar om die twee dingen wel met elkaar te verwarren en vanwege Amerikaanse misstappen het probleem van een nucleair bewapend Iran te relativeren. Dat is een oude reflex die vooral Europeanen parten speelt en die zich bijvoorbeeld manifesteert op de opiniepagina van NRC Handelsblad, waar het appeasement-denken de laatste tijd welig tiert.

Zo wordt het probleem-Iran weggepoetst met uiteenlopende argumenten als: er is, historisch gezien, best wat te zeggen voor de bezorgdheid van Teheran om haar veiligheid; zware druk op het bewind leidt alleen maar tot een nationalistische reactie onder een bevolking die eigenlijk niets moet hebben van de tucht der mullahs; het Iraanse atoomwapen is toch nog niet klaar; we hebben de kernmacht van de Sovjet-Unie overleefd, dus met de Iraanse zal het ook wel lukken.

Wie gevoelig is voor deze argumenten - en wie is dat niet? -, doet er goed aan kennis te nemen van het artikel over 'Ahmadinejads demonen' in The New Republic, geschreven door de Duitse politicoloog (en vroegere fractiemedewerker van De Groenen) Matthias Küntzel. Het is een goed gedocumenteerd, ijzingwekkend stuk over de onverzoenlijke, missionaire inslag van de politieke beweging waarin de Iraanse president is geworteld en die voortkomt uit de Basiji, de tienermilities die in de oorlog met Irak massaal de vuurlinie werden ingestuurd en van wie er naar schatting zo'n honderdduizend zijn gesneuveld.

Küntzel ruimt twee misvattingen uit de weg. De eerste is dat er een brede kloof zou gapen tussen bewind en bevolking. De meeste Iraniërs zullen vast wel dromen van minder bedilzucht, maar Ahmadinejad en de zijnen hebben van de Basiji een miljoenenbeweging gemaakt, een ijzeren cohorte die zelfopoffering ter wille van de shi'itische zaak hoog in het vaandel voert. Die zelfopoffering wordt gevoed door een apocalyptisch denken dat - en hier sneuvelt de tweede misvatting - zijn politiek handelen veel grilliger maakt dan dat van andere revolutionaire regimes. Niets is in zijn ogen verhevener dan de martelaarsdood.

In alle eerlijkheid: ik zou momenteel ook niet precies weten hoe daaraan het hoofd te bieden. Maar laten we in elk geval niet denken dat het probleem verdwijnt door weg te kijken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden