'Almachtige God, zie mijn benauwdheid' DEEL 1 VAN HET VERZAMELD WERK VAN GERARD REVE

HET IS AL moeilijk voorstelbaar geworden, maar niet eens zo lang geleden was Gerard Reve weg te denken uit Nederlandse literatuur....

Nadat Reve vergeefs had getracht de internationale markt te veroveren met The Acrobat And Other Stories (1956), was de belangstelling van pers en publiek voor zijn werk dramatisch teruggelopen. Enig misnoegen hierover klinkt door in het interview van R.J. Gorré Mooses, dat voorafgaat aan de Tien vrolijke verhalen uit 1961. De schrijver ontvangt de verslaggever (niemand anders dan Reve zelf) in een kaal bovenhuis aan een Amsterdamse burgwal. Het is er koud, ofschoon een salamander fel brandt. 'Dit is de historische kachel, waarin de held Frits van Egters watert', licht de schrijver gedragen toe. 'Ik heb hem nog geprobeerd te verkopen, maar het Letterkundig Museum in Den Haag wilde hem niet hebben.'

Datzelfde museum legde op 20 november 1996 ruim anderhalve ton op tafel om het manuscript van De avonden te verwerven, dat de schrijver door zijn geldbeluste levensgezel naar een Haarlems veilinghuis had laten brengen. Zo'n monument kon en mocht het museum niet mislopen.

Een klassieker heet het romandebuut van (toen nog Simon van het) Reve sinds halverwege de jaren zestig. Wat wil zeggen: nadat de schrijver met zijn glorieuze boek Op weg naar het einde (1963) echt was doorgebroken, en de uitgaven in pocketvorm zijn vroegere werk bij een jong en groot publiek bekend hadden gemaakt. Vanaf toen werd Reve een veelgelezen beroemdheid, hetgeen ook een hernieuwde belangstelling voor de vorm en inhoud van De avonden teweegbracht. In de korte receptiegeschiedenis Veertig jaar 'De avonden' van Gerard Reve (1988) brengt G.F.H. Raat dan ook een markant onderscheid aan in een eerste en een tweede periode.

Dat onderscheid is veelbetekenend. Kees Fens heeft dikwijls beweerd en bewezen dat het latere werk van een auteur de blik op het eerste kan veranderen. Dit gaat ook op voor Gerard Reve. Hij is niet de schrijver van één boek, zoals verstokte Avonden-dwepers nu ruim dertig jaar krijten, maar van twee. Eerst door de publicatie van Op weg naar het einde (1963) werd De avonden het boek 'waar eigenlijk alles al in zit'.

Alle boeken die Reve schreef tot en met 1962, staan in nauwe verbinding met zijn debuut. De geest van De avonden beheerste het voorlopige Verzameld werk uit 1954, en dus ook het Verzameld werk, deel 1, dat zojuist verscheen, kort voor de 75ste verjaardag van Gerard Reve op 14 december.

Die geest is er een van benauwenis, van angst, van gierende wanhoop die door minutieuze registratie van banaliteiten bezweerd moet worden. Van eenzaamheid, dwangneuroses, zwarte humor, druk op de ketel door sluimerende religieuze en seksuele gevoelens die nog geen kant op kunnen, van een onoverbrugbare kloof tussen een kind en zijn ouders. Juist door al het vroege werk in één prachtband te bundelen, dringt de klassieker zich verder naar voren.

Het horloge dat de verteller in 'De laatste jaren van mijn grootvader' (1947) erft, lijkt nu een vooruitwijzing naar het lichtgevende horloge waar Frits van Egters in de tweede zin van De avonden op blikt. De jongensclub die Elmer in Werther Nieland wil oprichten, en die niet van de grond komt doordat niemand wat aankan met de plechtige stamelingen van de jeugdige voorzitter, wijst nu terug naar de rondgang van Frits van Egters in De avonden als het net nieuwjaar is: broer Jaap is niet thuis, vriend Viktor evenmin. Frits gaat naar vriend Louis: 'Almachtige God, zie mijn benauwdheid. Dit is de laatste deur.' Ook die geeft niet thuis, zodat Van Egters het ontroerende slotgebed voor zich uit moet spreken (met de Almachtige God als toezichthouder en groot luisterend oor), een variant van het autosuggestieve Vechtgebed zoals in 1922 aanbevolen door dr. Herman Gerard de Cock in diens De kleine neurasthenicus (dat in De Avonden voorkomt onder de titel De kleine zenuwlijder) met de woorden: 'Je moet jezelf 't gevoel geven, dat je leeft, dat je vol leeft, dat alles aan je werkt, dat er niks stilstaat, dat er niks dood is, dat er niks niks doet.'

Zijn fixatie op ziekten en gebreken, doden, eenogigen, lilliputters, bultenaren, horrelvoeten, astma- en teringlijders, bezetenen en querulanten brengt Reve in het verhaal 'Haringgraten' (uit Tien vrolijke verhalen) in verband met zijn communistische jeugd. Er kwamen er veel over de vloer vroeger, communisten, en die waren meestal ziek, dreigden zulks te worden of worstelden met ziekte in hun gezin. Communist zijn maakt de mens lelijk of gebrekkig, of beide, schrijft Reve. Bewijzen voor deze veronderstelling kan hij niet leveren, 'maar wel heb ik duidelijk gezien dat actieve communisten er, naarmate ze langer in de beweging meemarcheerden, niet mooier of gezonder op werden'.

Hier begint de jool door te breken. De drukkende, vooral zakelijke toon van De avonden wordt losgelaten, ten faveure van een stilistisch ongeëvenaard geouwehoer.

De vooraankondigingen zijn onmiskenbaar - maar dan uitsluitend voor wie de Reve van 1963 en daarna kent. Ongelooflijk maar waar: bij verschijnen had geen criticus, Simon Vestdijk uitgezonderd, oog voor de humor in De avonden! Klaarblijkelijk moest Reve niet alleen zijn homoseksualiteit en religiositeit, maar ook zijn humor vanaf Op weg naar het einde nadrukkelijk uitleven, voordat die elementen met terugwerkende kracht in De avonden konden worden gesignaleerd.

Alles wat de latere, barokke Reve typeert, wordt in De avonden nog onderdrukt, en dat geeft het boek zijn onheilspellende kracht. De hoofdpersonen in de roman en verhalen uit dit eerste deel van het Verzameld werk zijn alleen, en kunnen zich tegenover niemand ten volle uitspreken. Ook niet tegenover de lezer. In 1963 verlaat Reve voorlopig zijn pogingen om fictie te schrijven, die in de verhalen na De avonden dikwijls uitmondden in variaties op dat oerboek. Hij hoeft niet langer een plot te bedenken, maar richt zich in openhartige brieven tot zijn lezers. Als de schrijver die hij zich dan weet. Ook dat is een man die alleen staat (en als hij niet alleen is, zal hij zich dat toch blijven voelen), maar die zich intussen wél op papier zonder gêne kan uiten. De sluizen gaan open, en met zo'n daverende inzet dat er voor de latere romans en verhalen beduidend minder spanning resteert.

In 1963 ontdeed Reve zich van het korset van de traditionele vertelkunst. De uitlaatklep van het puurder autobiografische schrijven zal niet meer dichtgaan. Het oude harnas zou Reve nooit meer als gegoten zitten. Elke roman die hij vanaf Een circusjongen (1975) aanvat, bevat sterke onderdelen, maar stelt ook altijd - van weinig tot bijzonder - teleur, vanwege de geforceerdheid en oeverloosheid. Het vechten is vieren geworden. De alleenspraak die hij in zijn begintijd noodgedwongen voert, is in het latere werk een voorwaarde geworden voor diepzinnige passages en hilarische conferences, maar ook voor een hoop flauwekul en gelul.

Zo is het tempo van bijvoorbeeld de recente roman Het hijgend hert (1998) weer moordend. Letterlijk: zo sloom dat het verhaal is vermoord nog voordat het goed en wel op gang is gekomen. Dat belooft nog wat, voor de latere delen van het Verzameld werk, die tussen nu en 2001 worden uitgebracht.

In de periode 1947-1962 zie je Reve worstelen met de vorm. Hij wil méér zeggen, maar weet nog niet hoe dat ten uitvoer te brengen. Een jaar verder heeft hij die nieuwe vorm gevonden - en vanaf dat moment zien wij ook pas helder waar de schrijver voordien mee heeft gestreden.

Hoe dan ook, op wat voor manier ook gelezen: dit Verzameld werk, deel 1 is het ideale winterboek, van een kleine neurasthenicus die worstelde en bovenkwam als een groot schrijver. Sinds decennia gecanoniseerd, en denkelijk voorgoed.

Bij een zo feestelijke gelegenheid, en met zo'n schitterende editie als de onderhavige in handen, is het ongepast te klagen. Slechts twee voorzichtige aanmerkingen derhalve. Het getuigt van editoriaal purisme om The Acrobat And Other Stories hier in het Engels op te nemen, omdat Reve het boek in 1956 nu eenmaal zo liet verschijnen. Sinds 1963 kennen we het immers als Vier wintervertellingen in de geautoriseerde vertaling van Hanny Michaelis. Het leest beduidend plezieriger om Fred in 'De vakantie' te horen zingen: 'Wat een kruis, wat een kruis/ geen jenever meer in huis', in plaats van: 'What a cross, what a cross/ What a great and gloomy loss/ When the gin is gone I weep.' Om nog maar te zwijgen van vaders gezongen versie, in datzelfde verhaal, van een kreet die we reeds kennen uit De avonden en die er in het Engels ridicuul bijstaat: 'And Jesus died at Golgotha/ Weeduh weeduh weet shing boom'

Voorts bevat dit deel als toegift het nooit herdrukte Commissaris Fennedy, een met recht tragisch toneelstuk uit 1961. De arme Ton Lutz regisseerde in 1962 de opvoering, en Willem Nijholt zegde de proloog en epiloog - pikant detail, voor wie de briefwisseling tussen Reve en Nijholt Met niets begonnen (1997) kent. Nu, hier kunnen we kort over zijn.

Arjan Peters

Gerard Reve: Verzameld werk. Deel 1.

L.J. Veen; 870 pagina's; * 89,90.

ISBN 90 204 5745 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden