Allrounden went, olympisch goud niet

Het WK allround, dit weekeinde in Hamar, is voor Sven Kramer ondergeschikt aan de Spelen van volgend jaar. Sotsji is voor hem een grotere uitdaging.

Het record ligt voor het grijpen. Zes keer wereldkampioen allround. Niemand zal het Sven Kramer kunnen nazeggen. Zelfs Oscar Mathisen en Clas Thunberg, de Noorse en Finse grootheden uit de vroege jaren van de schaatssport, kwamen nooit verder dan vijf wereldtitels.


Maar om nou te zeggen dat Kramer warmloopt voor die historische prestatie? Nee. Hij is in het Noorse Hamar, hij heeft zich voorgenomen het WK allround te winnen, maar in gedachten is hij elders. Hij wil vlammen bij de WK afstanden, volgende maand op de olympische baan van Sotsji. Die wedstrijd ziet hij als de generale voor de Winterspelen, het enige schaatstoernooi dat in zijn beleving echt van belang is.


Kramer is al drie jaar aan het aftellen. Sinds de mislukte Winterspelen van Vancouver, waar hij slechts één van de beoogde drie of vier gouden medailles veroverde, is hij uit op revanche. Hij heeft zijn zinnen opnieuw gezet op minimaal drie keer goud (5.000, 10.000 en ploegenachtervolging) en mogelijk zelfs vier (1.500 meter).


Kramer denkt zelfs al voorbij Sotsji. 'Over één jaar en over vijf jaar moet ik goed zijn', zei hij vorige week tegen de NOS. In 2018 zijn de Winterspelen in Zuid-Korea.


Is het vreemd om het WK allround nu al ondergeschikt te maken aan Sotsji? Wel volgens Jillert Anema, de uitgesproken Friese coach die vaak wordt genoemd als Sven Kramers toekomstige trainer. Hij begeleidt op dit moment diens belangrijkste rivaal op de lange afstanden, Jorrit Bergsma. In het verleden was hij intensief betrokken bij de begeleiding van viervoudig wereldkampioen allround Rintje Ritsma.


Onbegrip

Anema vindt dat Kramer en zijn coach Gerard Kemkers de schaatssport een slechte dienst bewijzen. 'Onbegrijpelijk dat ze de sport op deze manier stuk maken. De wereldtitel allround is de belangrijkste prijs van het jaar. Nu al zeggen dat de wereldtitel niet belangrijk is vanwege de Winterspelen? Ik vind het zielig. En het is gedoemd te mislukken. Het is gewoon onzin.'


Met zijn keuze breekt Kramer met een traditie. Zijn beroemdste voorgangers hechtten veel waarde aan het WK allround. Drievoudig olympisch kampioen Ard Schenk en vijfvoudig olympisch kampioen Eric Heiden sloegen de overwinning op de grote vierkamp hoger aan dan hun olympische medailles van Sapporo (1972) en Lake Placid (1980).


Zes jaar geleden vertelde Schenk het AD dat hij zijn derde wereldtitel allround, in 1972 in Oslo, belangrijker vond dan de drie gouden medailles in Japan. 'Ik vond mijn overwinning in het Bislett-stadion veel mooier. Waarom? Omdat dat over vier afstanden ging. Het WK en het EK allround. Daar ging het om.'


Heiden maakte een vergelijkbare opmerking over de gold rush die de bekroning vormde van een stormachtige loopbaan. Tussen 1977 en 1980 won hij maar liefst drie wereldtitels allround, vier wereldtitels sprint en vijf gouden olympische medailles. Zijn mooiste herinneringen bewaarde hij aan de eerste wereldtitel, in 1977 op de onoverdekte baan van Thialf.


'Eerlijk gezegd vind ik een schaatser die het WK allround wint de beste schaatser', zei Heiden in 1998 tegen NRC Handelsblad. 'Een allrounder is als atleet completer dan iemand die zich op één afstand toelegt. Allroundschaatsen blijft het mooiste wat er is.'


Is de opvatting van Schenk en Heiden uit de tijd? Het lijkt er wel op. Voor de huidige generatie topschaatsers is de waarde van een olympische medaille en de Spelen boven twijfel verheven.


Jan Blokhuijsen verwoordde de heersende opvatting toen hij vorig jaar tijdens een persconferentie voorafgaand aan het EK allround spontaan de loopbaan van Rintje Ritsma evalueerde.


Niet de vier allroundwereldtitels telden, of de zes Europese titels allround, maar het ontbreken van olympisch goud. 'Uiteindelijk gaat het om olympisch goud', zei Blokhuijsen, die alleen de wereldtitel junioren op zijn erelijst heeft.


Bart Veldkamp, olympisch kampioen 10.000 meter van 1992 en de voormalig trainer van Kramer en Blokhuijsen, heeft het belang van de olympische beweging zien toenemen. De Winter- en Zomerspelen overschaduwen tegenwoordig alle andere sporttoernooien. In het buitenland, vooral in de Angelsaksische landen, was dat al langer het geval.


Extreem presteren

Veldkamp: 'De Spelen zijn in alle sporten belangrijker geworden. Het is het moment om je te profileren, om iets bijzonders te presteren. In 1972 waren de Winterspelen nog vooral een leuke bijeenkomst voor sporters, die eens in de vier jaar werd gehouden. Later zijn prestaties veel zwaarder gaan wegen. We zijn als toeschouwers sneller verzadigd. Vroeger was het bijzonder om een EK of WK te winnen. Nu val je alleen nog op als je iets extreems presteert. De Spelen zijn daarvoor het platform geworden.'


Naar Veldkamps inschatting is dat proces begonnen met de drie onverwachte gouden medailles van Yvonne van Gennip in 1988 op de overdekte olympische ijsbaan van Calgary. Vanaf dat moment hebben de Winterspelen zich ontwikkeld tot de graadmeter van succes; aanvankelijk alleen voor de toeschouwers, later ook voor de schaatsers zelf.


De opkomst van het commerciële schaatsen, in 1995, en het ontstaan van de WK afstanden, in 1996, versterkten die beweging. Tot de komst van de merkenteams bestond de kernploeg, de enige plek waar schaatsers min of meer voltijds hun sport beoefenden, hoofdzakelijk uit allrounders. De grote vierkamp was de norm waaraan schaatstalent werd afgemeten. Ritsma, Ids Postma en Falko Zandstra zetten de toon.


Nadat Ritsma een commerciële revolutie ontketende, bleek er plotseling ruimte voor meer profschaatsers. Dankzij de WK afstanden en het wereldbekercircuit konden afstandsspecialisten hun talent ineens ontplooien. Gianni Romme en Marianne Timmer, die beiden tweemaal goud wonnen bij de Winterspelen van 1998, bewezen dat roem en rijkdom niet langer was voorbehouden aan allrounders.


De gouden medaille werd de belangrijkste prijs. Winnaars als Marianne Timmer, Gerard van Velde en Mark Tuitert lieten nooit na te benadrukken dat zij het hoogste hadden bereikt, hoe onverwacht hun zeges ook waren. Het deed er niet meer toe dat hun erelijst schril afstak bij die van bijvoorbeeld Ritsma, die in vijf olympische optredens bleef steken op tweemaal zilver en driemaal brons.


Die ontwikkeling is aan Kramer niet voorbij gegaan. Tegen zijn zes Europese titels en mogelijk zes wereldtitels steekt zijn gebrek aan olympisch succes schril af.


Grotere uitdaging

Zeven olympische wedstrijden, in 2006 en 2010, hebben hem één gouden medaille opgeleverd. Ard Schenk (3 keer), Yvonne van Gennip (3x), Marianne Timmer (3x), Gianni Romme (2x) en Jochem Uytdehaage (2x) hebben vaker goud veroverd dan hij, in minder olympische optredens. Hij staat op gelijke hoogte met mannen als Kees Verkerk, Piet Kleine, Bob de Jong, Van Velde en Tuitert. Dat zint hem allerminst.


Veldkamp: 'Vijf of zes jaar geleden had Sven niet gezegd dat hij alleen in 2014 en in 2018 nog goed moet zijn. Maar hij heeft alle allroundtoernooien gewonnen. Het boeit hem niet meer zo.


'In alle eerlijkheid moet je ook zeggen dat de tegenstand in het allrounden niet groot is. De prestatiedichtheid is niet hoog. We weten nu al dat Sven en Ireen in Hamar de titel gaan winnen. Op de Spelen is dat minder zeker. Het is een grotere uitdaging. Het is unieker.'


Blijft de vraag of een schaatser zijn kansen op olympisch goud vergroot door er twaalf maanden voor de Winterspelen al mee bezig te zijn. Veldkamp meent van wel. Hij vindt het niet gek om in een olympische cyclus van vier jaar te werken, met daarbinnen cycli van twee jaar en één jaar.


Kramer probeert zowel zijn uithoudingsvermogen als zijn snelheid te vergroten, zonder zijn kwetsbare lichaam kapot te maken. Daarvoor zijn uitgekiende trainingsprogramma's nodig. Veldkamp: 'Als je een huis bouwt, begin je niet bij het dak. Je bouwt eerst een fundament en werkt dan langzaam omhoog.'


Ook coach Anema gelooft in dit zogeheten periodiseren, al zou hij Jorrit Bergsma een week voor de Winterspelen met een gerust hart het natuurijs op sturen voor een nationale titelstrijd over 100 kilometer. Naar zijn overtuiging schieten langebaanschaatsers te ver door in hun voorbereiding. 'Sissies' noemde hij ze onlangs: watjes.


Misschien is Anema net zo ouderwets als Ard Schenk en Eric Heiden. 'Ik sla het WK allround gewoon hoger aan. Bij de Spelen is de vorm van de dag enorm belangrijk. Er zijn olympisch kampioenen die verder geen wedstrijd hebben gewonnen. Dat zijn voor mij niet de echte kampioenen.'


Relaties tussen WK's en Spelen

Voor Sven Kramer is succes bij het WK allround ondergeschikt aan succes bij de WK afstanden, volgende maand op de olympische ijsbaan van Sotsji. Is dat slim? Historisch gezien maakt een schaatser die wereldkampioen allround wordt in het jaar voorafgaand aan de Winterspelen een grotere kans op olympisch goud dan een afstandswereldkampioen.


Sinds de invoering van de WK afstanden (1996) zijn vier Winterspelen gehouden. In die periode was er olympisch goud voor drie van de vier schaatsers die een jaar voor de Spelen wereldkampioenen allround werden: Sven Kramer (2009), Shani Davis (2005) en Ids Postma (1997). Alleen voor Rintje Ritsma (2001) was de titel geen opmaat tot goud.


De voorspellende waarde van een afstandstitel is geringer. Op de 500, 1.000 en 1.500 meter wist geen enkele winnaar de olympische titel te claimen.


Op zowel de 5.000 als de 10.000 meter lukte dat in twee van de vier gevallen: voor Chad Hedrick en Sven Kramer was de wereldtitel op de 5.000 meter de voorbode van olympisch succes, op de langste afstand gold hetzelfde voor Gianni Romme en Bob de Jong.


Sprint

De wereldtitel sprint is evenmin reden voor optimisme. Slechts eenmaal veroverde de snelste sprinter ook olympisch goud: Shani Davis won de 1.000 meter in 2010 na de wereldtitel van 2009.


Bij de vrouwen is de trend vergelijkbaar. De wereldkampioene allround werd in drie van de vier gevallen een jaar na haar titel ook olympisch kampioen: Martina Sablikova (2009), Anni Friesinger (2001) en Gunda Niemann (1997).


De waarde van afstandstitels is iets groter dan bij de mannen: eenmaal op de 500 en 5.000 meter en tweemaal bij de 1.000, 1.500 en 3.000 meter.


De wereldtitel sprint vormde voor geen enkele vrouw de opmaat voor olympisch goud.


Ireen Wüst, dit weekeinde de favoriet voor de wereldtitel allround, begon nog nooit aan de Spelen als regerend wereldkampioene allround of afstandskampioene. Ze won in 2006 en 2010 olympisch goud.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden