'Alles wat weerbaar is, is waardeloos'

In 1966 publiceerde de dichter Louis Lehmann een gesprek tussen twee muizen. Dat ging zo: 'Piep./ Piep./ Piep?/ Piep./ Piep./ Piep, piep!/ ....

EEN HERLEZER van eigen werk is Louis Th. Lehmann niet. Op de vraag of hij zijn gedichten vergeet zodra ze op papier staan, antwoordt hij bevestigend. De consequentie vereist, dat hij op de volgende vraag - 'Dus het vergaat u zoals beschreven in uw gedicht ''Small talk'' uit de bundel 'Luxe'?' - slechts kan repliceren dat hij het betreffende vers dan eerst onder ogen moet zien. Even bladeren in de drukproef van de bijna 700 pagina's dikke verzamelbundel Gedichten 1939-1998 die voor ons op tafel ligt:

Als verzen nog geen verzen zijn,

maar woorden in mijn hoofd,

dan lijken ze heel even fijn,

net iets dat wat belooft.

Ik word, als soms met een roman,

nieuwsgierig, en haast blij.

Maar als ze op papier staan, dan

is dat gevoel voorbij.

En dus vergeet ik ze ook gauw,

kijk ik er nog eens naar,

dan denk ik: Hé, schreef ik dat nou?

Wat handig, en wat raar.

Lehmann: 'Mijn eigen werk lezend ga ik deels door de grond van gêne, en voor een ander deel denk ik soms: wat knap. Voor deze verzamelbundel heb ik alles wat van mijn hand aan poëzie is gepubliceerd in bundels en tijdschriften laten rangschikken door Tom van Deel. Hij liever dan ik. Zelf heb ik weinig hoeven doen, hooguit enkele gedichten aandragen die ik in de jaren veertig als rechtenstudent bijdroeg aan het Leidse Corpsblad Virtus concordia fides.'

Literair geïnteresseerden die jong waren in de jaren veertig en vijftig, zullen zich Louis Lehmann (1920) herinneren. In het voorjaar van 1940 verschenen twee dichtbundels van zijn hand: Subjectieve reportage en Dag- en nachtlawaai. Een wonderkind, noemde Vestdijk hem. 'Lehmann is op twintigjarige leeftijd met een astrale volmaaktheid als een meteoor onze literatuur binnen komen vallen', jubelde Menno ter Braak. Tussen 1939 en 1966 verschenen er met tussenpozen nieuwe bundels (en twee romans, geschreven voor en genegeerd door het grote publiek) en veranderde de toon van nuchter-romantisch naar voornamelijk ironisch. Constanten echter in Lehmanns poëzie zijn het understatement, een ongewone voorkeur voor het gewone (de eerste regels uit zijn debuut luiden: 'Rijdt u maar aangenaam door mijn geschriften,/ mijn fiets is de getuige van mijn driften'), het taalplezier en de surrealistische spelletjes die hij bijvoorbeeld kon uitleven in het tijdschrift De schone zakdoek, dat in de oorlogsjaren 1941-1944 in één exemplaar verscheen.

In 1964 kreeg Lehmann de Jan Campert-prijs voor zijn bundel Who's Who in Whatland . Op dit heuglijke feit reageerde hij in zijn daaropvolgende bundel met twee hexameters: 'Nu ik voor 't eerst een litteraire prijs heb gekregen,/ koop ik misschien een nieuwe aluminium theepot.'

Na 1966 publiceerde Lehmann dertig jaar lang geen dichtbundels meer. Zelfs leek hij er afstand van te nemen, door het uitvaardigen van zijn vermaarde elfde gebod: 'Gij zult niet bloemlezen.' Lehmann: 'Bloemlezen, had ik indertijd het idee, was een manier om van dichters te profiteren zonder er veel voor te betalen, en in het geval van schoolbloemlezingen zelfs zonder er toestemming voor te vragen. Met mijn gebod hoopte ik een massa-beweging te ontketenen, maar ik had slechts één volgeling: Lucebert.'

Men zal zijn naam dus vergeefs zoeken in de driedelige bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van Gerrit Komrij. Ten onrechte - zoals Komrij direct zal beamen. Maar ja, de dichter wilde niet. Niet gebloemleesd worden, en ook niet meer publiceren. Hij had er tabak van.

Als jurist en archeoloog was hij nooit aan een baan gekomen, en Lehmann vermoedt dat dat iets te maken had met zijn naam als dichter: 'Dat heb ik echt een keer gehoord, toen ik eens solliciteerde: ''Maar meneer, u schrijft toch?'' Alsof mijn bekendheid ook inhield dat ik welgesteld was. En dat in een tijd, dat ik van mijn uitgever jaarafrekeningen kreeg volgens welke evenveel centen werden uitgekeerd als er dagen in het jaar zijn.

'Waar ik naar solliciteerde? Al snel niet meer naar een baan als jurist. Ik heb in 1953 drie maanden bij Unilever gewerkt. Zeer komisch. Het bedrijfsleven van dichtbij, dat is van een kinderachtigheid, je begrijpt niet hoe daar miljoenen verdiend kunnen worden.'

Wat moest u daar doen?

'Niks! Teksten voor reclames schrijven. Ik heb in die drie maanden precies drie opdrachten gekregen. Zo saai en onnozel. En lachen geblazen: op een zeker moment vroegen ze of er iemand deuntjes kon componeren, die ze in supermarkets konden laten horen, met reclameteksten erin. Ik, zei ik. Toen heb ik wat eenvoudige melodietjes op papier gezet, waarvan één met een declamatorium in de vorm van een dialoog over een schuurmiddel. (Schaterend:) Op een avond hebben we die dingen met een erbarmelijk bandje gerepeteerd. Daarna heb ik er nooit meer iets van vernomen.

'Al gauw ben ik toen in Amsterdam archeologie gaan studeren. Kijk, in mijn leven is door de bezetting een rare breuk gekomen. De oorlog kwam op een moment dat ik als negentienjarige overal te jong voor werd gevonden, en toen die was afgelopen, leek het alsof ik overal te oud voor was.'

Voor de oorlog uitbrak bent u gedebuteerd.

'Daar heb ik wel eens spijt van gehad. Ik zat op school naast een jongen met een schrijfmachine. Zo kon ik eens zien, hoe mijn handgeschreven gedichten er in tikletters uit zagen. Die jongen liet ze lezen aan zijn neef, Adriaan van der Veen. Via hem kwamen ze in 1939 terecht in het tijdschrift Werk.

'Ik kende geen enkele schrijver. Natuurlijk las ik ze wel: Slauerhoff, Marsman, Greshoff, Vestdijk. Maar in de middelbareschooljaren was het mijn ideaal om schilder te worden. Op mijn achttiende heb ik mijzelf toen gevraagd: Maar wát wil je dan schilderen? Geen antwoord. Toen heb ik die ambitie opgegeven.

'Dat er kritieken over mij werden geschreven, ervoer ik als een grote grap. Ter Braak heb ik twee keer oppervlakkig gezien, Vestdijk één keer en dat was geen succes. Het vooroorlogse literaire leven was verre van opwindend. Het bestond in hoofdzaak uit journalisten die dronken in een kroeg zaten.'

Zijn bundel Subjectieve reportage wordt voorafgegaan door twee motto's. Het eerste is van Georges Ferre: 'Il faut vivre la vie comme un coup de sifflet', en daaronder van W.H. Auden: 'For poetry makes nothing happen. . .'

Was die Ferre een jeugdheld van u?

Een glunderend Lehmann: 'Georges Ferre bestáát niet! Ik dacht: ik maak een Franse quasi-energieke frase die modern klinkt maar niks betekent. Daar zet ik dan een onopvallende naam achter, om het authentieker te laten lijken. Het Auden-citaat komt, zoals u weet, uit diens gedicht ''In Memoriam William Butler Yeats''.'

Die twee citaten vertolken een programma: het gaat erom het leven vrolijk tegemoet te treden, want van de poëzie komt de redding niet.

'Daar heb ik helemaal niet over nagedacht. Gut, het klinkt nog plausibel ook. Hoewel: die regel van Ferre is nonsens, maar wat Auden zegt is waar en dat geldt zelfs voor de hele literatuur.'

Is alles van waarde ook nutteloos? U schrijft: 'Poëzie is nutteloos/ als narcissen en tulpen,/ aan de bollen waarvan/ keihard genoemde lieden/ millioenen verdienen.'

'Alles van waarde is weerloos, zei Lucebert. Ik zou zeggen: alles wat weerbaar is, is waardeloos.'

In zijn eerste bundels is Lehmann sterk beïnvloed door Slauerhoff. Te sterk, vindt hij nu.

Maar dit is toch een mooie van u, uit de bundel Schrijlings op de horizon (1941):

Er gaat een vloed tot aan de sterren,

mijn liefste, door de lentenacht,

en jij bent het alleen, de verre,

die ik verwacht.

Er gaat een zucht onder de aarde,

een rilling mijlenver komt vrij,

en jij behoort wel aan de aarde,

maar niet aan mij.

'k Was met een ander ook tevreden,

maar ik heb bij geen enk'le vrouw

aan mijn verlangen zo geleden

als eens bij jou.

Lehmann: 'Hè get. Ik ben hier tegen! Te romantisch en grootsprakerig. Overdone. Hoorde bij die tijd.'

Maar ook mooi.

'Het klinkt goed, ja.'

Later bent u relativerender geworden.

'Gelukkig wel.'

Literair Nederland kan hem kennen als onvermoeibaar belangstellend toehoorder bij talrijke manifestaties, als rappend curiosum op de Nacht van de Poëzie in 1997, of als presentator van een wekelijkse muziekrubriek voor de VPRO-radio.

Internationaal heeft Lehmann naam gemaakt als scheepsarcheoloog. In de dertig jaar dat hij geen dichtbundel uitbracht, publiceerde hij wel een studie over galeischepen, en vijf jaar geleden promoveerde hij op een studie over de zogeheten 'multiremen' (Griekse en Romeinse oorlogsschepen met meer rijen riemen boven elkaar) en de theorieën die daarover in later eeuwen zijn ontwikkeld. Lehmann: 'De mooiste kritiek van mijn leven heb ik gekregen over mijn dissertatie, van een professor in New York genaamd Lionel Casson. Maar dat gaat dan ook over mijn vakgebied.

'Als ik jonge dichters goede raad moest geven, dan was het deze: debuteer niet voordat je een goede baan hebt. Ofschoon ik begrijp, dat veel jonge dichters tegenwoordig bedreven zijn in het geven van lezingen en dergelijke. Dat circuit bestond in mijn tijd nauwelijks.'

In het gedicht 'Enfance' schrijft u: 'Een kind te zijn is triest zijn en ontgoocheld./ Wanneer wij ons vervelen,/ zegt men dat wij moeten spelen/ en wij weten niet wat spelen is./ (. . .)/ Maar wij zoeken muziek/ en blazen, hoewel het haast pijn doet./ Wij wachten tegen beter weten/ op een melodie, die komen moet,/ zo maar vanzelf/ licht en zwevend.'

'Mijn vader was koopvaardijkapitein. Ik ben door mijn moeder op een rare geïsoleerde manier opgevoed. In mijn jeugd dacht ik: volwassenen doen de dingen op een bepaalde manier, en ik ben geen volwassene. Het gekke is, op mijn tachtigste ben ik dat idee nog steeds niet helemaal kwijt. Heel vervreemdend. Andere mensen zijn volwassen en weten hoe het moet. Ik niet.'

Die houding maakt misschien ook de toon van uw werk zo bijzonder.

Lehmann, schamperend: 'Ja, maar daar heeft alleen een ander wat aan. Volwassenen kennen trucjes, weten hoe ze carrière moeten maken. Een wereld vol raadselachtige bedrijvigheid. Ik kan jaloers op hen zijn.'

Maar zou u hen ook willen navolgen?

'Zeker niet in alle functies! Diplomaat, dacht ik vroeger. Toen ik er later meer over hoorde, was ik eigenlijk toch weer tevreden dat ik dat niet geworden ben. Weet u trouwens wat ''Matilda'' betekent in het van Tom Waits bekende liedje ''Waltzing Matilda''? Een studievriend van mij die diplomaat is geworden in Australië, heeft het me verteld. Matilda betekent een plunjezak, die hobbelt op je rug als je wandelt. Dat is het walsen dat Matilda doet.

'Maar om zoiets aardigs te horen, hoef ik zelf geen diplomaat te worden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden