Alles voor de literaire held

Ze zijn de fanclubs van de letterkunde, de literaire genootschappen. Hoeveel literaire genootschappen Nederland kent, is onduidelijk, hoeveel leden ze hebben nog veel vager....

De universitaire achtergrond van de Stichting Jacob Campo Weyerman is nog duidelijk te herhennen. Weyerman levert een prachtige bron voor onderzoek naar de 18e eeuw.

NEERLANDICI waren het, docenten en studenten historische letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, die 23 jaar geleden de Stichting Jacob Campo Weyerman oprichtten – en nog steeds draagt de stichting de sporen van die achtergrond. Ze heeft iets gedegens, iets wetenschappelijks: er wordt nog volop onderzoek gedaan naar leven en werk van kunstschilder, schrijver, avonturier en oplichter Weyerman (1677-1747).

Ze heeft iets vrolijks, iets studentikoos: elk jaar, rond Weyermans geboortedag 9 augustus, trekt de vereniging erop uit, op bedevaart naar een plaats die een rol speelde in het leven van haar kleurrijke held, en die uitstapjes eindigen, hoe keurig de leden misschien ook lijken, steevast in de kroeg – want speelde niet een groot deel van Weyermans leven zich af in de koffiehuizen, in de kroegen van zijn tijd?

Zo'n uitstapje gaat bijvoorbeeld naar de abdij van Huijbergen bij Bergen op Zoom, omdat Weyerman daarover schreef. In die 'befaamde Abdy van Huybergen' krijgt men een goede indruk van de levenswijze van de monniken, meldde Weyerman: de heren geestelijken hebben van hun abdij iets gemaakt wat nog het meeste weg heeft van een herberg, en ze dragen de liederlijke bijnaam 'kindermakers'.

'Het gaat ons om de oneerbiedige kant van de 18e eeuw', zegt penningmeester Riet Hoogma (46).

De belangstelling voor die oneerbiedige kant, voor de onderstroom van de literatuur in vroegere eeuwen, hing in de lucht, eind jaren zeventig. Niet de canon, ontslaan in de preutse, moralistische 19e eeuw was interessant, niet Justus van Effen, of Betje Wolff en Aagje Deken, maar de meer obscure schrijvers, die, ofschoon in hun tijd vaak populair, in de vergetelheid waren geraakt. Een van de schilderachtigste van die obscure schrijvers is Weyerman, schilder van bloemen en vruchten, maar vooral schrijver van kluchten en pamfletten, van weekblaadjes als De Rotterdamsche Hermes, De Amsterdamsche Hermes of De naakte waarheyt en van het handboek De levensbeschryvingen van de Nederlandsche konstschilders en schilderessen, waarin hij zijn collega-schilders typeerde in bloemrijke omschrijvingen als: 'een onvermoeibaar prater, die kakelt als een kip bezig een ei te leggen'.

Weyermans levensloop was schilderachtig, van zijn geboorte in een leger-kamp bij Charleroi (zijn moeder schijnt het als man verkleed tot sergeant te hebben geschopt), tot zijn dood in de gevangenis waar hij belandde door zijn nietsontziende pen en de chantage waarmee hij óók de kost verdiende.

Hoogma: 'Als hij zegt dat een schout zijn dienstmaagd heeft bezwangerd, dan klopt dat ook.'

Voorzitter Barbara Sierman (46): 'Hij gebruikte zulke informatie ook om mensen af te persen'. 'Hij schrijft heel goed, heel scherp', vindt ze, 'maar je moet het niet in te grote hoeveelheden consumeren. Achter alles zit een dubbele bodem, pas als je het uitzoekt, vind je die tweede laag.'

Sierman laat het facsimile zien van De Rotterdamsche Hermes dat in 1980 verscheen. Eén aflevering van het tijdschriftje bestond uit vier velletjes. 'Daarvoor had je de hele week de tijd. Je moest het rustig lezen, er met iemand over praten. Je moet een achttiendeeeuws tempo aanhouden. Weyerman moet je echt nuttigen.'

Dat nuttigen gebeurt door fijnproevers. Wat de stichting over Weyerman publiceert, bijvoorbeeld in de Abderareeks en in het tijdschrift Mededelingen, verschijnt doorgaans in een oplage van tweehonderd exemplaren. De stichting heeft iets meer dan 150 leden, van wie een stuk of dertig, veertig actief. Zij komen vooral uit Amsterdam en Leiden, waar ze via de universtiteit met Weyerman in contact zijn gekomen.

In een willekeurige boekwinkel Weyerman kopen, zal niet meevallen, maar, zegt Hoogma, zijn werk staat in alle bibliotheken. 'Als iemand iets wil lezen, dan kan dat. Dat was een van onze doelstellingen en die is gelukt.'

Weyerman verdient het om gelezen te worden, vindt de stichting, niet alleen om zijn stijl, maar ook omdat hij zoveel informatie geeft over zijn tijd. Hij beschrijft bijvoorbeeld de kaartspelletjes in de kroeg, en hoe hij op bezoek gaat bij iemand die kunst verzamelt, of modeverschijnselen zoals de paardenrace. 'Alle leuke, en niet-leuke, maar vooral de leuke dingen van de 18e eeuw kom je bij hem tegen', zegt Hoogma. 'Bij hem kun je vinden hoe rariteitenkabinetten eruit zagen, hoe ze verf maakten. Hij is de eerste bekende bron over dammen.'

De stichting betreurt het dat historici Weyerman maar weinig gebruiken. Haar droom is een eigen website – die wordt momenteel gebouwd – waarop Weyermans teksten integraal te vinden zullen zijn, om ze zo toegankelijk te maken. 'Ons ideaal is dat je kunt zoeken op "dammen" of op "verf". Dan hoeven historici niet alle teksten door te lezen, maar kunnen ze Weyerman toch als bron gebruiken', zegt Hoogma.

Vestdijk had de Nobelprijs verdiend

Bijna dertig jaar na zijn dood is de Vestdijkkring nog steeds geïnteresseerd in elk feitje over zijn leven of dat van zijn personages. 'Over Vestdijk valt altijd wat te schrijven.'

EENS had de vereniging achthonderd leden gekend, er waren er nog driehonderd over. Tijd om de Vestdijkkring op te heffen.

'Dat vond ik onzin', zegt de nieuwe voorzitter Hans Visser. 'Waarom zou je een vereniging opheffen als er nog driehonderd leden zijn? Waarom zou je geen moeite doen om de jeugd erbij te betrekken?'

Dus maakte de kring vorig jaar een herstart, met een nieuw bestuur waarin ook oprichtster Ria Albers, met een gloednieuwe website, een nieuwe prijs (de Ina Dammanprijs voor studenten en scholieren), symposia, en een vernieuwde Vestdijkkroniek, het drie maal per jaar in een oplage van vijfhonderd exemplaren verschijnende periodiek met interpretaties, verenigingsnieuws, en artikelen over Vestdijk.

De Vestdijkkring werd in 1972 opgericht, een jaar na de dood van de schrijver, oorsponkelijk als een leeskring. Van de vijf leeskringen zijn er nog twee actief, die in Utrecht en die in Rotterdam, en er wordt meer besproken dan het werk van Vestdijk alleen.

Wie zijn er lid? Vrouwen? Oudere vrouwen?

Visser, zelf 'bijna 64', lacht. De ledden, beaamt hij, zijn veelal vrouwen 'en bijna allemaal ouder dan ik.'

Lukt het dan, om de jeugd bij de Vestdijkkring te betrekken?

'We hebben de Ina Dammanprijs in het leven geroepen.'

De Ina Dammanprijs is, net als de Anton Wachterprijs voor debutanten, een tweejaarlijkse prijs. Studenten en scholieren kunnen hem winnen voor de beste scriptie, het beste werkstuk, het beste essay over Vestdijks werk. De prijs heet naar Ina Damman, omdat Anton Wachter, de hoofdpersoon uit Terug tot Ina Damman, indruk op haar wilde maken met een opstel.

Visser laat een afbeelding zien van het beeldje dat bij de prijs hoort, een jurk van metaal die de kunstenaar Jan Kamfers maakte. 'Een lege jurk om het onbereikbare van de vrouw te benadrukken.' De prijs wordt 21 oktober voor het eerst uitgereikt, in Harlingen. Er zijn vier inzendingen binnen, zegt Visser. 'Vestdijk wordt nog wel gelezen, hoor. Ook op scholen.'

En ach, dat de belangstelling voor Vestdijk afneemt, mag waar zijn, maar 'Ter Braak en Couperus worden toch ook veel minder gelezen'. Of neem Hermans. 'Hermans zal waarschijnlijk door nog veel diepere dalen gaan. Dat werk is wel interessant, maar toch niet van het kaliber van Vestdijk.'

Want Vestdijk had de Nobelprijs moeten krijgen, in 1964. 'Weet je hoe het kwam dat hij die misliep? Door de Telegraaf, die zo stom was om te publiceren dat hij de prijs zou krijgen.' Vrijdag, op de Dag van het Literaire Genootschap zal de Vestdijkkring T-shirts dragen, waarop staat dat Vestdijk de Nobelprijs had verdiend.

Visser, lid nummer 7 van de Vestdijkkring, werd eind jaren tachtig bekend door zijn conflict met de weduwe van Vestdijk, die hem alle medewerking ontzegde aan de biografie die hij schreef. Mieke Vestdijk- Van der Hoeven heeft haar ere-lidmaatschap opgezegd, valt te lezen in het verenigingsnieuws achterin de laatste Vestdijkkroniek.

De gerestylde kroniek wordt vooral volgeschreven door het nieuwe bestuur. 'Over Vestdijk blijft altijd wel wat te schrijven', zegt Visser. In het volgende nummer wordt het proefhoofdstuk gepubliceerd, dat hij destijds met Anne Wadman schreef voor hun Vestdijkbiografie – het hoofdstuk dat door Mieke Vestdijk werd afgewezen, omdat ze onder meer vond dat Visser werkelijkheid en fictie te veel door elkaar haalde. Daarop ontzegde zij Visser alle medewerking en een heuse rel onstond. Visser: 'Dan kan iedereen eindelijk eens zien waarover het ging.'

Van Vissers biografie, die in 1987 toch verscheen, komt dit jaar een herziene versie. Visser blijft gefascineerd. 'Ik denk dat een of twee werken van Vestdijk wel altijd gelezen zullen blijven.' Hij schat dat dat De koperen tuin zal zijn, en Ivoren Wachters, maar zelf vindt hij De redding van Fré Bolderhey intrigerender. 'Het is zo bijzonder dat iemand dat kon schrijven.'

Tot het nulpunt van de taal

De Samuel Beckett Stichting ziet Beckett als een Ierse schrijver, niet als een Franse. 'Wij komen op voor het latere werk dat minder bekend is, maar zeer de moeite waard.'

DE Samuel Beckett Stichting telt honderd donateurs, alles bij elkaar. Donateurs, geen leden. 'We zijn geen gezelligheidsvereniging!' En dat zijn er genoeg. 'We streven niet naar een maximale uitbreiding', zegt voorzitter Marius Buning, net terug van een Beckett-symposium in Berlijn.

Ledenbijeenkomsten zijn er ook al niet, want 'Beckettianen zijn individualisten', te solistisch voor clubs – net als de schrijver zelf.

De donateurs bestaan uit mensen afkomstig uit de toneelwereld, academici en 'loslopende liefhebbers, fanaten die leven in het werk van Beckett.' Verder zijn er schrijvers, zoals Bernlef, en 'een à twee studenten'. In het bestuur zitten 'jonge jongens', dertigers, en op lezingen komen ook jongeren af.

De stichting werd opgericht in 1990, het jaar na de dood van de Iers- Franse schrijver, met als officieel doel de belangstelling voor hem levend te houden, en als praktisch doel het organiseren van een internationaal festival, in 1992 in Den Haag.

Met twee vrienden, Beckett-adepten net als hij, richtte Buning de stichting op. 'Ik had al veel toneel van Beckett gezien, maar ik las hem verder niet. Tot begin jaren zeventig, op vakantie op Rhodos – toen heb ik alles gelezen en is de vlam in de pan geslagen.

'Wat mij geweldig aantrekt, en ik denk veel andere mensen ook, is de manier waarop hij de taal gebruikt, waarop hij bijna tot het nulpunt van de taal gaat.'

Welke taal, want is Beckett nou een Franse of een Ierse schrijver?

'In Frankrijk beschouwt men hem als Frans. Maar hij is een Iérse schrijver', zegt Buning. 'Beckett is geen existentialist, geen doemdenker. Hij is een Ierse, zwartgallige humorist, die laat lachen om ongeluk. There is nothing funnier, zei hij, than unhappiness. Het leven is tragisch, maar als je er twee keer naar kijkt, wordt het weer komisch.'

Hij kent ze wel, de mensen die Beckett Beckètt noemen, op zijn Frans. 'De oudere generatie, mensen die zweren bij Wachten op Godot, bij de vroege Beckett. Wij komen op voor het latere werk, dat minder bekend is, maar zeer de moeite waard.'

Over dat werk wordt geschreven in het Beckett Blad, de nieuwsbrief voor donateurs en relaties (oplage 150 exemplaren), die halfjaarlijks verschijnt.

Een keer per jaar (mede)organiseert de stichting een publieksactiviteit – zo werd Becketts biograaf James Knowlson voor een lezing uitgenodigd lang voor zijn biografie er was, in 1996 (de vertaling, Tot roem gedoemd, verschijnt volgende maand bij de Bezige Bij).

Als de Bezige Bij, Becketts uitgever in Nederland, een nieuwe vertaling presenteert, zoals onlangs Droom van maqige tot mooie vrouwen, dan zorgt de Beckett Stichting voor sprekers. Want wie in Nederland iets met Beckett wil, komt al snel bij de stichting terecht. Ook als het over de rechten tot opvoering gaat, bijvoorbeeld. Beckett was zeer strikt waar het de uitvoeringen van zijn teksten betrof. Hij deed Nederlandse voorstellingen in de ban, nadat de Toneelschuur in Haarlem in 1987, ondanks zijn expliciete verbod, via de rechter had afgedwongen dat ze Wachten op Godot in een vrouwelijk rolbezetting mocht brengen. Die banvloek hief hij pas vlak voor zijn dood op.

Buning: 'Beckett was héél, héél streng. Ik ben tegen verboden. Bij een omstreden voorstelling zou gewoon vermeld moeten worden dat de erven bezwaren hebben.'

De stichting heeft goed contact met Edward Beckett, neef en een van de erven. 'Dat is een van mijn briljante ideeën geweest: hem eregast te maken van het festival in Den Haag. Edward is musicus, die zit ook in zijn maag met de artistieke vrijheid. Maar hij voelt zijn plicht tegenover Beckett.'

De man die alles verbiedt, is de Franse uitgever J. Lindon (van Editions Minuit), grote vriend van Beckett en uitvoerder van zijn testament. 'Hij heeft zich zo vereenzelvigd met Beckett dat hij de geest van Beckett is geworden.'

Dus schrijfster Marion Vredeling die teksten van Tsjechov en Beckett door elkaar vlocht tot een soort dialoog, Sam en Iwan – en dat, zegt Buning, 'heel goed' had gedaan – kreeg geen toestemming tot uitvoering van het stuk. 'Ze kwam bij ons, omdat ze had gehoord dat de rechten moeilijk lagen. Ik heb de brief van Linden nog boven liggen: Mais non! Mais non!

'Ik vind dat een auteur zeggenschap over zijn teksten heeft, zolang hij leeft. Maar als bij dood is en de tijd verstrijkt, moet er iets veranderen. Lindon oordeelt uitsluitend op persoonlijke gronden. Beckett wordt tot heilige verklaard. Daar doen wij niet aan mee.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden