Alles voor Amerika

De aanslagen van 11 september hebben in de hele wereld diepe sporen nagelaten. Bijna een jaar later maakt Amerika zich op voor de eerste herdenking....

IN DE MAANDEN die volgden op de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon, tooiden de meeste Amerikaanse kranten en televisiestations zich met vlaggen, banners, logo's en andere symbolen van nationale eenheid en vastberadenheid. En het bleef niet bij zulk uiterlijk vertoon. Een paar dagen na de ramp betuigde Dan Rather, anchorman van de nationale nieuwszender CBS, zijn onvoorwaardelijke trouw aan het vaderland. Hand in hand met talkshowmaster David Letterman verklaarde de door emoties overmande presentator dat hij als rechtgeaarde Amerikaan klaarstond voor het geval Bush een beroep op hem zou doen.

Het optreden van de doorgewinterde CBS-journalist stond niet op zichzelf. In vrijwel alle Amerikaanse media maakten kritische distantie en onpartijdigheid plaats voor een intense betrokkenheid, gevoed door gevoelens en opvattingen die de journalisten als 'gewone' Amerikaanse burgers koesterden. Slechts weinigen bekommerden zich nog om de klassieke waarden van de professionele journalistiek. Verslaggevers en commentatoren die dat wél deden, konden op scherpe tegenstand rekenen, bleek uit een reeks incidenten en controverses in de maanden na 11 september. Zo zag het hoofd van ABC, net als CBS een gerenommeerd nationaal televisienetwerk, zich gedwongen een verklaring over de noodzaak van een onpartijdige journalistiek publiekelijk te herroepen.

Vaak waren zulke correcties evenwel niet nodig. Integendeel, veel journalisten stortten zich vol overtuiging in hun nieuwe rol als 'Amerikaans patriot met een bijzondere opdracht', zoals Jay Rosen, hoogleraar journalistiek aan de New York University, het uitdrukt in Journalism after September 11, een bundel artikelen over de effecten van de ramp op het functioneren van de media en de journalistiek.

Evenals een aantal andere auteurs, beschouwt Rosen het gebrek aan distantie en kritiek onder Amerikaanse journalisten als een resultaat van de commercialisering van de media en de daarmee verbonden miskenning van de publieke waarde van serieuze journalistiek. De forse ingrepen in de omvang en budgetten van redacties (onder meer ten koste van het buitenlandse correspondentennet), de lichtere programmering en de vermenging van nieuws en amusement leidden ertoe dat de media eenvoudigweg niet meer in staat waren hun taken naar behoren uit te voeren. Het is misschien wrang, aldus Rosen, maar niet toevallig dat juist de concerns die zich de voorgaande jaren zo weinig gelegen hadden laten liggen aan serieuze journalistiek, zich nu schaamteloos ontpopten als de verdedigers van de democratische waarden en zich kritiekloos achter Bush opstelden.

De discussie over de meegaande houding en propagandistische toon van de media begon al kort na de aanslagen, eerst in kleinere kring en op internet, totdat The New York Times de kwestie eind september op de voorpagina aan de orde stelde. Tot een breed publiek debat kwam het evenwel niet: kritische geluiden kwamen vooral uit kringen van progressieve democraten en radicalen als Noam Chomsky. Uit die hoek zijn ook de auteurs van Journalism after September 11 afkomstig; de verschillen in ideologische oriëntatie zijn te proeven in de scherpte waarmee zij het fileermes van de kritiek hanteren.

Ronduit negatief over de rol van de media is bijvoorbeeld Robert McChesney, hoogleraar communicatie uit Illinois. In zijn analyse toont McChesney zich een ware leerling van de radicale socioloog Charles Whright Mills (1916-1962). De 'onderdanigheid' van de journalisten en hun onvermogen de rol van de VS in de wereld en de oorlog in Afghanistan ter discussie te stellen, vormden in zijn ogen een getrouwe afspiegeling van de politieke en economische machtverhoudingen op nationaal en internationaal niveau.

Aan de andere kant van het spectrum staat een gematigde auteur als James Carey, de ongekroonde deken van de Amerikaanse journalistiek. Hij ziet in het optreden van de media - ondanks alle tekorten - een mogelijk begin van herwaardering van de kritische en onafhankelijke journalistiek als een voor de democratie onmisbare publieke institutie. De gebeurtenissen van 11 september hebben in één klap de bodem weggeslagen onder de zelfgenoegzame, triviale, apolitieke en marktgerichte journalistiek die zich sinds de jaren tachtig meester had weten te maken van de media en hun publieke reputatie te grabbel had gegooid. De journalistiek 'is van een lange vakantie thuisgekomen', aldus de optimistische Carey, al moet het echte hervormingswerk nog beginnen.

Ook andere auteurs tonen zich minder negatief dan McChesney en Rosen. Met name de verslaggeving in de eerste dagen na de aanval wordt in meerdere bijdragen geprezen als professioneel, ernstig en toegewijd; commerciële overwegingen en belangen speelden voor een keer geen rol, en nog nooit stonden de journalisten zo dicht bij hun publiek. Pas met het verstrijken van de eerste week kwam in de ogen van de critici de fundamentele zwakte van de Amerikaanse journalistiek aan het licht: haar politieke en professionele onvermogen de burger onbevooroordeeld van zodanige informatie te voorzien dat deze zich een beredeneerd oordeel over de ontstane politieke situatie zou kunnen vormen.

De bijdragen in Journalism after September 11 beperken zich evenwel niet tot de discussies over de kwaliteit, onafhankelijkheid en publieke rol van de media. Integendeel, een heel scala aan thema's passeert de revue - vruchtbaar als het onderwerp is, want de ramp was óók een exceptioneel media event, een gebeurtenis zoals de wereld nog nooit gezien had, grotendeels live geregistreerd door tientallen, honderden camera's en gelijktijdig bekeken door miljoenen toeschouwers over de hele wereld. Hetzelfde geldt voor de publieke verwerking van het trauma en de vergeldingsoorlog in Afghanistan. Ook daarin speelden de media een cruciale rol.

Al deze aspecten worden in de bundel vanuit verschillende gezichtspunten belicht. Zo wordt, behalve bij de televisie en de serieuze dagbladpers, ook stilgestaan bij de populaire bladen en de tijdschriften, de bijzondere positie van de fotografie, de culturele patronen en praktijken die - dikwijls onbewust - de interpretatie van de gebeurtenissen sturen, de rol van het internet en wereldwijde zenders als CNN, en de verschillen tussen de Britse en Amerikaanse media. Bij elkaar genomen leveren de artikelen een interessant en informatief - zij het hier en daar gepolitiseerd - beeld van de Amerikaanse journalistiek op. De bundel komt, kortom, zeer van pas, gelet op de actuele internationale politieke ontwikkelingen.

Dat laatste geldt in het bijzonder voor de bijdrage van Silvio Waisbord van Rutgers Universiteit. Net als andere auteurs probeert hij te verklaren waarom zoveel Amerikaanse journalisten zich vol overtuiging voegden naar de idee van 'journalistiek als een vorm van patriottisme' en gevoelige kwesties uit de weg gingen, maar in tegenstelling tot zijn meer politiek angehauchte collega's tast hij de kwestie voorzichtiger af. Hij heeft bijvoorbeeld meer oog voor de sociaal-psychologische en sociaal-culturele dimensies van de situatie.

In essentie komt Waisbords betoog erop neer dat de klassieke journalistieke idealen nauwelijks houvast bieden in tijden van crisis, angst en woede. Om het trauma, de enorme schok die de aanslagen toebrachten aan het zelfvertrouwen van de Amerikanen en hun gevoel van onkwetsbaarheid, een plek te geven, grepen ook journalisten al snel terug op verhalen en idealen die troost en veiligheid konden bieden. De idee van the nation at risk voldeed daaraan. Het hernieuwde patriottisme verenigde de natie, die kort tevoren nog zo scherp verdeeld was geweest, onder meer door de omstreden presidentsverkiezingen. Iedere burger realiseerde zich dat hij of zij als Amerikaan doelwit was.

Journalisten, aldus Waisbord, reageerden dus niet anders dan de meeste van hun landgenoten. Daarbij kwam een aantal andere factoren die als katalysator werkten, zoals het feit dat fundamentalistische politieke groeperingen op grond van hun behandeling van de westerse media en individuele journalisten op weinig sympathie konden rekenen. De beelden van de brute moord op een journalist van de Wall Street Journal zal velen nog vers in het geheugen hebben gelegen. Dat ook veel vooruitstrevende journalisten geen tegenstelling voelden tussen hun professionele en nationale idealen, is eveneens goed te verklaren, aldus Waisbord. De centrale waarden van de democratische journalistiek - vooruitgang, rationaliteit en vrijheid - liggen immers ook besloten in wat zij voelen als de essentie van 'Amerika'.

De nationalistische houding van de Amerikaanse media is volgens Waisbord dus alleen maar te begrijpen wanneer ook andere dan economische en politieke factoren bij de analyse worden betrokken. Zo heeft de aantoonbare herwaardering vanuit het publiek voor het werk van de media in de maanden na de aanslag de journalisten gesterkt in hun houding, evenals de maanden durende paniek rond de anthrax-brieven, die een heel eigen dynamiek teweegbrachten.

En zo voeren de beschouwingen in Journalism after September 11 onvermijdelijk tot de conclusie dat het klassieke journalistieke ideaal van onafhankelijkheid, rationaliteit, democratische gezindheid, onpartijdigheid en kritische distantie op een wankele - menselijke, al te menselijke - basis rust. Het optimisme van James Carey over een versterking van de positie van de media als het kloppend hart van de democratische publieke sfeer zou weleens van korte duur kunnen blijken te zijn. Alleen de sterksten blijken de last van de beginselen te kunnen dragen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden