Alles moet weg

Neptunus krijgt ringen. Saturnus zal ze kwijtraken. Nu deze maand toch echt is gebleken dat Jupiters beroemde Rode Vlek zijn langste tijd heeft gehad: een korte gids voor ons helemaal niet zo onveranderlijke universum.

Eeuwig en onveranderlijk - dat is het beeld dat mensen van de kosmos hebben. Maar daar klopt niets van. Neem de Grote Rode Vlek op Jupiter. Die is er al sinds mensenheugenis, maar lijkt nu op het punt te staan voorgoed te verdwijnen. Alles verandert; niets is voor de eeuwigheid, hooguit leven wij te kort om ons daarvan bewust te zijn - een korte cursus constante transformatie.

1. De Grote Rode Vlek houdt er dus mee op.

Een klein telescoopje laat hem al zien: een donkere, ovale vlek op het zuidelijk halfrond van Jupiter. Soms wat meer afgeplat, soms wat ronder. Altijd van de partij. Maar hij is al een tijd aan het krimpen, de laatste jaren sneller dan ooit. Astronomen stellen vast dat hij minder dan half zo groot als ruim een eeuw geleden. Gaat hij definitief verdwijnen?

2. De Saturnusringen zijn er niet voor altijd.

Ze vormen een iconisch beeld in de astronomie: de ringen van Saturnus. Galileo Galilei zag in 1610 al dat er iets raars aan de hand was met de planeet; Christiaan Huygens ontdekte in 1656 de ware aard van het ringenstelsel. Maar ooit zal Saturnus zijn sieraad verliezen. Wie over een paar honderd miljoen jaar een kijkje komt nemen in het zonnestelsel, ziet een ringloze gasplaneet - een klein broertje van Jupiter.


Lange tijd hebben sterrenkundigen gedacht dat de ringen vrij jong zijn: hooguit een paar honderd miljoen jaar. De rotsblokken en ijsklompen waaruit ze bestaan zouden de restanten zijn van een kleine maan die bij een botsing werd verbrijzeld. De laatste jaren zijn er aanwijzingen gevonden voor een hoge leeftijd: minstens 4,4 miljard jaar. Dat zou betekenen dat het ringenstelsel het overblijfsel is van het ontstaansproces van de binnenste ijsmanen van Saturnus.


Maar het eeuwige leven hebben ze niet. Onder invloed van een gestaag bombardement van meteorieten slijten ze langzaam maar zeker weg. Uiteindelijk blijft er van het magistrale ringenstelsel van Saturnus niet veel over - hooguit een ijle, donkere ring van kleine stofjes, net zoals die rond de planeet Jupiter is aangetroffen.

3. Phobos gaat crashen.

De Amerikaanse astronoom Asaph Hall ontdekte ze in de zomer van 1877, toen Mars dicht bij de aarde stond: twee kleine maantjes in een baan rond die planeet. Hij noemde ze Phobos en Deimos ('schrik' en 'vrees'), naar de tweelingzonen van Mars en Venus. Het zijn schonkige steenklompen. Phobos meet ongeveer 20 bij 30 kilometer; Deimos is nog geen 10 kilometer in middellijn.


Maar ook planeetmaantjes kunnen van het toneel verdwijnen. Phobos draait op zo'n kleine afstand van Mars - slechts 6.000 kilometer boven het oppervlak - dat één omloop korter duurt dan de rotatieperiode van de planeet. Gevolg: aan de Marshemel draait hij in de verkeerde richting, en door getijdenwerking wordt de baan steeds kleiner. Momenteel neemt de afstand tot Mars af met ongeveer een meter per eeuw. Over vijftig miljoen jaar is het einde verhaal voor Phobos: het maantje slaat dan te pletter.


Misschien gebeurt het niet voor het eerst. Sommige van de grote inslagbekkens op Mars zouden ontstaan kunnen zijn bij botsingen met andere maantjes. Dat Mars na het verdwijnen van Phobos voorgoed door één maantje wordt vergezeld, is ook niet waarschijnlijk. Phobos en Deimos zijn afkomstig uit de planetoïdengordel; in de toekomst kunnen nieuwe rotsblokken in het zwaartekrachtsveld van Mars worden gevangen.

4. Mercurius moet oppassen.

Verdwijnende ringen en maantjes - dat is nog tot daaraantoe. Maar het is niet uitgesloten dat er een complete planeet van het toneel verdwijnt. Het zonnestelsel mag door klassieke natuurkundigen als Isaac Newton dan vergeleken zijn met een precisie-uurwerk, in werkelijkheid is het een chaotisch rommeltje. Op een termijn van duizenden jaren zijn de posities van de planeten in hun baan niet meer honderd procent nauwkeurig te voorspellen. En over een paar honderd miljoen jaar kan het volledig uit de hand lopen.


Franse wiskundigen berekenden in 2009 tweeënhalfduizend mogelijke toekomstscenario's voor het zonnestelsel, allemaal met een net iets andere uitgangspositie. Een metertje verschil in het heden kan enorme gevolgen hebben in de verre toekomst. In 1 à 2 procent van de gevallen komt de kleine planeet Mercurius in een soort 'resonantie' terecht met de veel zwaardere reuzenplaneet Jupiter. Resultaat: Mercurius wordt het zonnestelsel uit geslingerd, komt in de zon terecht, of botst met een van de andere planeten. Ook een botsing van Mars met de aarde behoort tot de mogelijkheden.


Wat in de toekomst kan plaatsvinden, kan ook in het verleden zijn gebeurd. Misschien telde het zonnestelsel ooit méér planeten, die lang geleden al zijn opgeslokt of weggeslingerd.

5. Neptunus krijgt nieuwe decoratie.

Er verdwijnt veel in het zonnestelsel, maar er komt ook veel nieuws bij. Neptunus heeft over pakweg een miljard jaar een spectaculair ringenstelsel, wanneer de grote maan Triton uiteen wordt gerukt door getijdenkrachten. Op de actieve Jupitermaan Io ontstaan voortdurend nieuwe zwavelvulkanen, zodat de huidige landkaarten binnen een paar duizend jaar achterhaald zullen zijn. Op de maan en op Mars slaan continu meteorieten in, wat nieuwe inslagkraters oplevert.


En mocht de Grote Rode Vlek op Jupiter in de komende eeuw echt verdwijnen, dan duurt het vast niet lang voordat er een nieuwe ontstaat.

GROTE KRIMPENDE VLEK

De donkere, ovale vlek op het zuidelijk halfrond van Jupiter, de grootste planeet in het zonnestelsel, kennen we al bijna vierhonderd jaar. Op 2 november 1632 - de telescoop bestond nog maar net - werd hij voor het eerst waargenomen door Leander Bandtius, de abt van Duisburg.


Ooit dachten sterrenkundigen dat het een grote lijwolk was, die de plaats markeerde van een kolossale berg op het oppervlak van Jupiter. Maar Jupiter is een gasplaneet en hééft helemaal geen oppervlak. De Grote Rode Vlek is een anticyclonaal stormsysteem, aanzienlijk groter dan de aarde. De monsterstorm torent 8 kilometer boven het omringende wolkendek uit, en draait eens in de zes dagen rond, met windsnelheden van meer dan 400 kilometer per uur.


Recente Hubblefoto's laten zien dat de storm aan het krimpen is en nog maar 16.500 kilometer meet - ruim twee keer zo klein als een eeuw geleden. Het is heel goed mogelijk dat hij helemaal verdwijnt: soortgelijke stormen in de dampkring van Neptunus hebben ook een korte levensduur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden