Alles is kapot

In twee minuten tijd veranderde een aardbeving de Indiase deelstaat Gujarat in de set van een sciencefictionfilm. De Volkskrant-correspondent in New Delhi reisde door het zwaar getroffen gebied....

VLAK voor de landing drukt iedereen zijn neus tegen het raampje. De Indiase passagiers slaken een zucht van verlichting. Vanuit de lucht lijkt Ahmedabad, de hoofdstad van Gujarat, in niets op de beelden die we de afgelopen dagen op de Indiase televisie hebben gezien. Geen puinhopen, geen ingestorte gebouwen: alles staat nog keurig netjes overeind. Uit de intercom schallen The Beatles met het liedje Help en een vriendelijke stem wenst de passagiers a pleasant stay.

Op de grond blijkt dat de schade in Ahmedabad inderdaad beperkt is. Onze taxi passeert wat huizen met een scheur in de gevel, maar zo op het eerste gezicht is hier geen sprake van een ramp waarbij tienduizenden doden zijn gevallen. 'Aan deze kant van de stad valt de schade wel mee', zegt de receptionist van het hotel. 'Als u voor de aardbeving komt, moet u aan de andere kant van de rivier zijn.'

Maar ook daar moet je zoeken. Er komt een man op een paard langs die, begeleid door een fanfare, zijn bruid gaat ophalen. Er worden terrasjes opgezet in het zonnetje en ouders laten hun gillende kinderen een ritje maken in de draaimolen.

En plotseling sta je voor een metershoge berg rotzooi. Hijskranen en bulldozers bewegen zich voorzichtig tussen de brokken en vrachtwagens rijden af en aan met puin. Dit is waar de camera's op hebben ingezoomd. Flatgebouwen van tien verdiepingen zijn in een paar minuten naar beneden gekomen en hebben hele gezinnen geplet. De coördinator van de werkzaamheden vertelt dat de meeste lijken bij de trap liggen, vlakbij de uitgang. Mensen probeerden te vluchten, maar hebben het net niet gehaald. Een vader wacht huilend op zijn dochtertje van 6. Hij gelooft niet meer dat ze nog leeft, maar weigert van zijn muurtje te komen voor haar lichaam is gevonden.

Een jonge vrouw heeft net gehoord dat haar familie niet meer levend boven komt. Huilend valt ze me om de nek en gilt dat ik haar moet helpen. Ze blijft de namen van haar vader, haar moeder, haar zus, de man van haar zus en hun kind maar herhalen. Ze schreeuwt dat de hulp te laat is gekomen en dat haar vader in haar armen is gestorven. Dat ze hem niet onder de watertank vandaan getrokken kreeg die op zijn bovenlichaam was gevallen. Ze kust mijn wangen en mijn handen en zegt dat ze blij is dat ik er ben. Hoezo blij dat ik er ben? Ik doe hier helemaal niks. Ik zuig de emoties van anderen op voor een verhaal. Daarna draai ik me om en vertrek weer naar mijn heerlijke vrije en luxe leven. Zij blijft hier achter. Zonder huis, zonder familie. Zonder leven.

DE volgende dag zit ik om zes uur 's morgens met een collega in de auto, op weg naar het zwaar getroffen Bhuj. Omdat Ahmedabad overbevolkt is met journalisten die allemaal het échte rampgebied in willen, is er geen normale wagen meer te krijgen. Met veel pijn en moeite hebben we een Ambassador losgepeuterd bij een scharrelaar. Een auto van Indiase makelij die er geinig uitziet, maar onderdelen verliest bij het minste of geringste hobbeltje. Nou ja, denken we, het is maar een paar honderd kilometer tot Bhuj en we hebben in elk geval een plek om in te slapen en onze bagage in op te slaan.

Die paar honderd kilometer kruipen voorbij. De normale weg is niet meer begaanbaar en op straat worden kaarten verkocht met een alternatieve route over wegen waar je zelfs voor de aardbeving met een gangetje van twintig kilometer per uur overhobbelde. Tergend langzaam rijden we door een dodelijk saai landschap. We passeren katoenplantage na katoenplantage na katoenplantage. De enige ramp die hier zichtbaar is, is de droogte die het gebied al jaren teistert.

Na een uurtje of vier stappen we uit bij een gehucht om even te bellen. Het hele dorp staat een paar minuten later om ons heen de satelliettelefoon te bewonderen. Ik vertrek met de meisjes, om samen thee te zetten in hun lemen hutjes en wordt voorgesteld aan alle opa's en oma's die rondlopen tussen de buffels. Zodra ze begrijpen waar we naartoe gaan, wordt er een grote emmer tevoorschijn gehaald die helemaal vol zit met briefjes van tien rupees: ongeveer vijftig cent. Deze mensen, die zelf in een modderhut wonen, houden een grote collecte voor de slachtoffers van de aardbeving.

Zo'n tachtig kilometer voor Bhuj rijden we het getroffen gebied binnen. Het is ongelooflijk. In het uitgestrekte woestijnlandschap lopen mensen met een uitgebluste blik in hun ogen langs de kant van de weg, hun bezittingen in een doek geknoopt. Alles, maar dan ook alles dat ooit door mensenhanden is gebouwd, is kapot. Lemen hutten zijn tot hopen zand gereduceerd, van stenen huizen is niets meer over dan een stapel gruis. Doodstil vervolgen we onze tocht, elkaar aanstotend bij elke scheur in de weg, bij elk viaduct dat naar beneden is gedonderd en bij elk dorp dat is weggevaagd. De verwoesting is overweldigend. In twee minuten tijd heeft de beving Gujarat veranderd in de set van een sciencefictionfilm.

Twintig kilometer voor Bhuj begeeft de auto het. Het kreng wil niet meer vooruit en een minuut later begint de motor te roken. Daar sta je dan, in de schemer middenin een rampgebied, zonder auto, met kilo's bagage. Liftend komen we uiteindelijk terecht in een parkje in Bhuj waar een Indiase hulporganisatie bivakkeert. We krijgen een plekje onder een boom toegewezen waar we onze spullen neerzetten en een door accuzuur aangevreten deken spreiden. Die nacht voelen we wat tienduizenden mensen nog maanden zullen voelen. Zonder tent en zonder fatsoenlijke slaapzak is buiten slapen ellendig. Tegen vijf uur 's morgens trekt de kou vanuit de grond in mijn rug. Het lukt niet meer om in slaap te vallen. Volgens de thermometer is het 4 graden boven nul.

Na een karig ontbijt van water en kaakjes lopen we door de restanten van Bhuj. Achter de oude stadsmuren lag het netwerk van steegjes waar de stad zo beroemd om was. Nu is het een grote puinhoop. Je kunt er niet lopen, je moet klimmen. Over betonplaten, over gruis, onder loshangende telefoonkabels door. Omdat de steegjes zo smal waren, zijn zelfs de mensen die hun huizen uit waren gerend niet ontkomen aan het vallende beton. De stad stinkt naar dood. Duizenden lijken liggen klem onder het puin, straathonden vreten aan het rottende karkas van een buffel.

Er liggen meterslange blokken beton, alsof ze willekeurig zijn rondgestrooid, en alles daaronder is volledig verwrongen. Hier dringt een klein beetje tot me door wat er is gebeurd. Stel je voor dat je in je huis zit en het meubilair begint te bewegen. Het huis wiegt heen en weer en alles begint te kraken. Er vallen stenen naar beneden en je ziet geen hand meer voor ogen vanwege het stof. Je moet naar buiten, maar je kind ligt nog in de slaapkamer. Red je het om het te halen, of is daar geen tijd meer voor?

JE rent naar de deur, door het trappenhuis en je hoort overal geschreeuw. Je kunt nauwelijks lopen omdat de grond onder je voeten wegzwiept. De muur scheurt, het balkon stort neer. Tientallen vierkante meters beton laten los en het plafond dondert naar beneden. Je ziet dat je zus en je broer, je vader en je moeder worden geplet. Het huis om je heen valt weg en je valt mee, onder duizenden kilo's steen, onder pilaren, onder stalen platen.

Buiten is er niets dan stof, geschreeuw en gehuil. Je zoekt om je heen tussen de gezichten. Is iedereen er? Waar is mijn zoontje? Is mijn man op tijd naar buiten gekomen?

Groene en rode uniformen zijn in de weer op een berg puin van een meter of tien hoog. Volgens buitenlandse hulpverleners is er weinig hoop. 'Er zullen nog een paar wonderen gebeuren, maar de meesten zijn dood.' Ze zeggen dat het nog maanden duurt voor alle lichamen geborgen zijn. Bij deze flat zijn ze al drie dagen bezig en in die tijd zijn er dertien mensen gevonden. Ze hebben nog zeker honderdvijftig lijken te gaan. De flat ernaast, zeventig vermisten, de flat een straat verderop, tweehonderd. Het appartementenblok om de hoek, tachtig. Bij de meeste gebouwen zijn de werkzaamheden nog niet eens begonnen.

Over een paar weken zijn zelfs de Indiase journalisten verdwenen en zullen de hulporganisaties hun werk moeten doen zonder dat hun logo wereldwijd in beeld verschijnt. Aan de bomen, de bergen en de woestijn, aan alles dat door God is gegeven, is niets veranderd. Maar alles dat door mensenhanden is gebouwd, is op 26 januari verdwenen. En of dat nu uiteindelijk honderdduizend of enkele tienduizenden doden tot gevolg heeft gehad, doet er niet toe. De overlevenden hebben het einde van de wereld, van hun eigen wereld, in de ogen gezien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden