Alles is doordrenkt van pekelwater

Het summum van triestheid en uitzichtloosheid vormen de kalimijnen bij Golmud waar Mongoolse arbeiders onder abominabele omstandigheden buiten werken, vaak bij dertig graden onder nul....

We kunnen er, om met een Franse missionaris te spreken, niet zeker van zijn waar God het paradijs heeft gesitueerd, maar neem van mij aan dat het niet rondom Golmud was. De enige reden dat er überhaupt mensen wonen, is de potaswinning, een treurige nijverheid, door uitgeloogde arbeiders bedreven.

De kalimijnen van Golmud liggen bijna duizend kilometer van de bewoonde wereld, met slechts één treinverbinding en daar zit ik dus negentien uur in. Nu is reizen met een hard sleeper redelijk comfortabel als niet - zoals hier - boven je iemand studeert voor sterfgeval, college kinkhoest geeft of schraaprochel doceert, wellicht vanwege het werken in die open zoutgroeven.

Bij het station wordt druk geworven voor de slaapbussen die van hier in 36 uur over de Tibetaanse hoogvlakte naar Lhasa rijden. Mongolen en bagage puilen er al uit, maar wanneer ze vertrekken, is niet duidelijk. We vinden een taxi en leggen met veel moeite uit dat we naar de zuidelijke bergen willen, richting Lhasa, om het begin van de Tibetroute te zien, de weg waarvan de aanleg tweeduizend doden heeft gekost. De chauffeur wantrouwt de zaak en rijdt eerst naar een tussen vuilnishopen verrijzende nieuwbouwwijk, waar hij zijn vrouw ophaalt. Zij is lerares, spreekt enig Engels en moet mee als tolk.

De situatie ontdooit en we gaan op weg naar Naj Tal, zo'n honderd kilometer van Golmud. De weg is goed, maar links noch rechts is veel beschaving. Beneden ons stroomt een machtige rivier. Het land is gortdroog, maar met zijn majestueuze rotswanden onvoorstelbaar mooi. Hier werkt men aan de hoogste spoorweg ter wereld, duizenden kilometers op bijna vijfduizend meter hoogte in een van de meest barre klimaten ter wereld, een tot voor kort onmogelijk geacht project.

Naj Tal blijkt een gat met als voornaamste attractie een krachtige zoetwaterbron, die in een overdekte put is gevat. Er is een klein restaurant waar we in een apart kamertje worden gezet, hoewel ik liever in de gelagkamer zou eten. We krijgen zoals gewoonlijk veel meer dan we mogelijkerwijze op kunnen, maar gelukkig vraagt de vrouw van de chauffeur een doggybag en pakt al de kostelijke voedselresten zorgvuldig in. Ze is een beetje gegeneerd, maar wij prijzen haar uit volle borst en zeggen dat Hollanders niets anders doen dan doggybags verzamelen.

Op de terugweg kruist een kamelenkaravaan de weg. Iets verderop ligt een kamp met een boosaardige hond, zorgvuldig in toom gehouden door de eigenaar. We mogen alles fotograferen en filmen. De volgende dag gaan we naar het grote zoutmeer Cai Erhan. De werk- en woonomstandigheden van de overwegend Mongoolse arbeiders, die de kalizouten met houwelen van de uitgeloogde bodem en uit kuilen loshakken en in zakken scheppen, zijn weerzinwekkend en hun verdiensten navenant. Ze zwoegen in de buitenlucht, ook 's winters bij min dertig graden.

Alles is doordrenkt van zout en pekelwater. De potas ligt in keiharde lagen aan of vlak onder de oppervlakte of is opgelost in het gigantische, volkomen dode zoutmeer. Daaruit voeren dieseldampen uitbrakende wagentjes het in verdampingspannen weg. De bodem langs het meer bestaat uit een soort zoutmodder waarin ik filmend tot mijn enkels verdwijn en slechts met achterlating van een schoen weer uitkom.

De chauffeur en zijn vrouw kijken verontrust, bellen geheimzinnig in een mobieltje en rijden plotseling een politiepost binnen. Ze willen dat ik uitstap, de lerares gaat het station binnen en wij worden omringd door agenten. Wat nu, toch aangegeven wegens illegaal filmen? Ze komt terug met een teil warm water en een handdoek om de zoutblubber van mijn voeten wassen; het begint inderdaad al te schrijnen.

Als het, zoals meestal, waait, hangt een dichte zoutstorm over de verblindend witte vlakte. Tussen zoutheuvels wonen de arbeiders met hun kinderen in stenen krotten en ook hier werken de vrouwen even hard als de mannen. De recreatie bestaat uit wat oude biljarttafels Behalve die slavenarbeiders wonen er in dit gebied verspreid, maar dan ook heel verspreid, wat Tibetanen en Oigoeren met kamelen, geiten en schapen in ronde vilten tenten. Ze zijn boeddhistisch of islamiet. De voorafgaande dagen heb ik in Xining zowel een in de bergen uitgehouwen boeddhistische tempel, een Tibetaans klooster vol rokende yakboterpotten, een moskee in Chinese stijl en zelfs een miniem katholiek kerkje vol religieus zoemende oude vrouwtjes bezocht; God is op alle fronten bediend.

Golmud zelf valt na de barre omgeving geweldig mee. Een oude oase waar druk, laag en degelijk gebouwd wordt. Ook hier weer overvolle markten met rijen kledingstallen van het soort dat mij erg aanspreekt, vooral de lange lubbertjes-onderbroeken van een bubbeltextiel waarmee men hier door de bitterkoude winters komt.

Het Shangshanpark heeft met zijn ijzeren amusements park iets tuinstedelijks. Rondom de stad worden land- en tuinbouw bedreven, in kassen van plastic folie en op kleine akkers en weiden met schapen, geiten en zelfs koeien.

We nemen de enige trein terug naar Xining. De eindeloze woestenij is vannacht besneeuwd, wit en koud. Een zwart plekje blijkt een legertent waarin spoorwegwerkers overnachten; ze doen buiten met hun etensblikjes in de hand hun behoefte. In de trein vult de Chinese Berdien Stenberg de luidsprekers met zoet gefluit. Buiten dolen kudden paarden en naar voer schrapend vee onder zwermen zwarte vogels. Door de sneeuw wellen vuilgele plekken moeraswater. Op plathouten wagens achter tractoren staan kleumende werkploegen zonder enige bescherming tegen de ijzige wind, langs de lijn schurken railwerkers zich bij een miezerig kolenvuurtje en twee armoedige sheltertentjes. Wassen in de bevroren trein stel ik maar even uit. Chinezen weten nu, want zo komen conclusies tot stand, dat we smeerpoetsen zijn.

Tegen de ochtend zijn we weer terug in Xining, waar we met een kabelbaan over de rivier naar een tempel willen. In het verlaten park waar de baan begint, blijkt deze uitgeschakeld. We lopen langs de vervuilde rivier en klimmen langs de heuvelrug naar de tempel. Die wordt prachtig gerestaureerd, o.a. door in streepjespak gestoken gevangenen. Van hun bewaker krijg ik het eerste en enige filmverbod.

Weliswaar is religie lang onderdrukt, maar aan tempels en kloosters bouwt men nu volop in China. Een oude monnik, die een klont yakboter voor ons aansteekt, geeft ons van een voor Boeddha opgetaste fruitstapel een paar appels.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden