Alles hier is altijd nieuw

Er zijn mensen die de Waddenzee saai vinden. Omdat we haar zo langzamerhand kennen. Die mensen zijn nog nooit met wind van achter door de Paardenhoek gevaren....

Door Toine Heijmans

Dit bootje staat op de bodem van de zee. Het is een bodem van zand met slierten wier, en een krab die langs de kiel naar boven klimt. Het is een dapper bootje; amper zeven meter en voor geen hoge deining bang. Gestut door palen ligt het op te drogen voor Terschelling, met de Brandaris mooi in zicht en café de Walvis nu op loopafstand.

'La barquita Marea! La barquita llamada Marea!'

Spaanse toeristen. Het bootje dat Marea heet - de naam betekent getij in het Spaans, maar ook zeeziekte, leggen ze uit wanneer ze langslopen, vandaar hun lol. Dit bootje staat er ook zo vastberaden bij: een polyester zeedier dat zich vastgrijpt in het zand en niet gewend is droog te vallen. Dat zijn ze in Spanje ook niet gewend, droogvallende bootjes, maar op de Waddenzee is het heel normaal.

Vijf uur later drijft de Marea weer en glijdt het de haven van West-Terschelling binnen. Een jachie noemen echte schippers het. Ze moesten eens weten. Drie weken op de Waddenzee, met dit jachie, in onbetrouwbaar septemberweer, eerst storm, dan zon - dat is een heel karwei. Je kunt van Texel naar Nordeney willen varen, van oost naar west, plannen maken heeft hier geen zin. De Waddenzee schopt alle plannen in de war; het is van dag tot dag, van geul tot geul, van tij tot tij. Wind niet goed? Vaar dan maar naar een ander eiland.

Er zijn mensen die de Waddenzee saai vinden, tegenwoordig. Omdat we haar zo langzamerhand wel kennen. Omdat iedereen inmiddels zo vaak naar de eilanden is geweest dat ze niet meer boeien. Omdat de zeehond niet meer zielig is. Die mensen zijn nog nooit met wind van achter door de Paardenhoek gevaren. Die weten niks van de Blauwe Balg, het Oosterom of het Schuitenzand. Die ruiken de kokkels niet, als het bootje droogvalt op een plaat. De Waddenzee is een sprookje dat zichzelf tweemaal daags opnieuw vertelt en iedereen die er anders over denkt, heeft het mis.

Probeer geen tegendraadse dingen want ze haalt haar gram, de Waddenzee. Dan slaat ze dit bootje van zich af, zoals een paard dat doet met vliegen. Twee dagen al ligt de Marea verwaaid in Harlingen, en nog is het de oversteek naar Terschelling niet gegund. Op goed geluk dan maar, een herfstige ochtend. Grootzeil weggehaald tot een kleine driehoek, de wind noordwest zes. Dat is niet veel, dat moet kunnen. Maar bij de havenmond van Harlingen al duwt de deining het bootje terug, en wanneer het dan toch doorzet, motortje aan, zeiltje bij, spoelt lauwzout zeewater over dek, langs de gangboorden, in de kuip, doet het eiland Griend duister aan en is de zee angstvallig leeg. Stroom tegen wind geeft hoge zeeën; ze tillen de romp omhoog en laten haar weer vallen - bonk plat op zee.

Nog voor de Vliestroom maakt dit bootje rechtsomkeert.

Een dag later lukt het wel. Nog een dag later zwalkt de wind naar oost, zodat Marea mooi naar Vlieland kan. Slauerhoff kwam veel op Vlieland, als jongen, omdat hij astma had. Hij leerde er zeilen en navigeren en dromen over zee. Schreef er later nauwelijks over, dat eiland waar de mens niet anders kan dan 'argloos te leven als zeehonden, lammren' (Dorp aan Zee).

Van het water af gezien wordt Vlieland opgetild; ruimteschip op zoek naar landingsplaats. De stroom voor de haven is bij lopend tij zo groot dat een boot er bijna dwars in moet varen. De haven is een rechthoek die zelfs in de nazomer nog wordt volgepropt met jachies. Soms gaat de rode vlag omhoog en mogen passanten niet meer binnen; ze liggen rijendik met zes of zeven naast elkaar. Wie 's ochtends weg wil, moet 's avonds in debat met de buren; dan duurt het uren voor de kluwen polyester is ontward.

Soms ook is de haven van Terschelling vol, en die van Ameland, met blinkend nieuwe jachten die een koelkast aan boord hebben, een magnetron, een radar, televisie, internet, wasmachine, warmwaterdouche. 'Die lui springen eerst met een elektriciteitsdraad overboord', zegt een visser op de kade, 'en pas als die in een stopcontact zit, maken ze hun bootje vast.'

Vandaag stuift met de eb een armada van pleziervaarders naar Vlieland en Terschelling, keurig achter elkaar als jonge eendjes in de vaargeul. En met de vloed gaat het terug. Geef ze ongelijk; van hier gezien is het IJsselmeer een dorre plas. Het water van de Waddenzee, dat is tenminste zout en schuimt mooi langs de romp. 's Nachts geven de golven licht, dat is de zeevonk, een alg, de vuurvlieg van de zee.

Buiten de vaargeulen rond Texel, Vlieland en Terschelling is voor grote jachten minder plek. Die steken vaak te diep. Dit bootje heeft een ophaalbare kiel en komt wat verder. Daar is het leeg, en lastig varen. Daar vraagt het wad een bijzonder soort zeemanschap, dat honderd jaar geleden al beschreven werd door Robert Erskine Childers, een Ier die zeilde op de Duitse wadden en daar zijn spionageverhaal The riddle of the sands situeerde. Het is navigeren tussen zandplaten en modderbanken, varen in geulen en prielen, rekenen met stroom en eb en vloed. Rechtdoor, zoals op het IJsselmeer of op de Oceaan, gaat het nooit.

In Childers' tijd, hij bevoer het wad in de onstuimige herfst van 1897, wapenden zeilers zich met een peilstok om de randen van de vaargeul te verkennen. Liep een zeilschip vast, dan begon de bemanning met boegseren (lostrekken met een roeibootje), en anders was het wachten op de vloed. De Marea is modern en heeft een digitale dieptemeter, maar dan nog. Soms schampt het een zandplaat, dan raakt het vast in het slib bij Schiermonnikoog of schuurt met de kiel op een ondiepte die nog niemand had opgemerkt.

Dit is geen zee, maar onderlopend land: om twee uur bevaarbaar en om drie uur niet meer. Voor Schiermonnikoog kromt zich een geultje naar de haven. Er staan takkenbossen omheen die wadvaarders prikken noemen, een ouderwetse vorm van betonning. Waag het niet ze uit het oog te verliezen. In de vaargeul staat een meter water, daarbuiten slechts drie centimeter. Dat vereist zorgvuldig sturen. En als dit bootje eindelijk in de haven ligt die uitgebaggerd is, verandert alles er omheen in slik. Dan is de zee aan de vogels, die pieren en kokkels zoeken. Dan kun je met wat moeite naar Groningen lopen.

En straks weer niet.

En dan weer wel.

En dan weer niet.

Alles hier is altijd nieuw.

De mens denkt de Waddenzee te begrijpen, maakt getijdentabellen en stroomatlassen, beplant de geulen met prikken en rode en groene tonnen, maar het is tegen de bierkaai. Koop een zeekaart van de Wadden en de volgende dag is-ie verlopen. De geulen, prielen, banken, prikken, tonnen, stranden, kwelders - zelfs de eilanden wandelen opzij. Nergens ook is het wad gelijk. Hogerop, tussen de eilanden die met hun hoge walvisruggen de Waddenzee beschermen, is de stroom zo hard dat ze schepen het strand op sleurt. Tegen de Friese en Groningse kust staat het water urenlang bijna stil; daar heerst de modder en loopt dit bootje vast.

Tijd is niks, getij is alles.

Met de vloed mee van Terschelling naar Ameland, dat moet dus om vier uur 's ochtends. Onder een halfvolle maan glijdt het bootje weg, het water als een staalplaat, de mast verlicht door vier vuurtorens tegelijk. Onder de kust door, met vlakbij de hoge duinen van de Boschplaat die gloeien in de ochtendzon.

Op weg naar Ameland zwemt een zeehond mee. Zeehonden zat. Ze spelen in de branding van de zandplaat aan bakboord van de Blauwe Balg. Jagen meeuwen weg. Jagen op platvis. Kijken dit bootje met arrogante ogen na. Eilanders hebben het niet op zeehonden. Die vreten de zee leeg en zijn verder niet van nut. 'Je kunt hier beter een zeehond zijn dan een bejaarde', zegt de man die kaartjes verkoopt voor de vuurtoren van Ameland. 'Als hier een huiler op het strand ligt, wordt-ie keurig met een bootje opgehaald, naar Pieterburen gebracht, opgelapt en maanden later voorzichtig teruggezet. Ben je bejaarde, dan moet je naar een bejaardenhuis in Harlingen waar niemand je kent, ver weg van familie.'

Eilanden zijn leuk, de zee er tussenin is beter, maar vandaag komt dit bootje niet verder dan de haven.

's Ochtends de getijtabellen bestudeerd en het weerbericht; dat wordt niks.

's Middags twee schollen gevangen op het strand.

's Nachts een kwartier lang het onderwatertoilet doorgespoeld om vrolijk te worden van de zeevonk die oplicht in de pot als een stroboscoop.

Ondertussen kraakt de marifoon. De marifoon biedt op zee een geruststellende verbinding met het land. Constant afgestemd op kanaal 2, dat is Verkeerscentrale Brandaris, het kanaal dat (in schipperstaal) dient te worden uitgeluisterd. Ze zenden weerberichten uit en houden de grote scheepvaart bij. Je kunt ze om een waterstandje vragen of melden dat er hout drijft in het Inschot. De Brandaris wordt bemand door mannenstemmen die op den duur zo herkenbaar zijn dat het familie lijkt.

Een van hen heet, als het goed is, Piet. Hij heeft een stem die rust belooft. Hij kent de schippers en de zee. Vissers die zondagnacht naar de Noordzee varen, wenst hij 'een mooie visserij'. Vissers die op vrijdagavond terugkoersen naar de haven, wenst hij 'een mooie afslag'. Zo ongeveer ratelt de hele dag de marifoon - ongeveer, want al die gesprekken zijn officieel geheim en mogen niet letterlijk in de krant.

'Brandaris, voor de Riepel.'

'Rrrrrrrrriepel, ja, hier Brandaris.'

'Ja, tsja, we hebben nu een blok hout geborgen en er drijft ook nog een dooie zeehond - maar die laten we maar varen hè.'

'Jwaaaah. . . die spoelt wel ergens aan en dan krijgen we wel een belletje.'

'Oké, bedankt Piet.'

'Fijne vaart, hè, en tot straks maar weer.'

Piet waarschuwt vandaag voor storm. Dit bootje is er net op tijd voor weggelopen, koerst met windkracht zeven van Schiermonnikoog naar Lauwersoog en met windkracht acht door de kanalen van Groningen en Friesland om twee dagen later de haven van Harlingen te bereiken. Daar bungelt het 's nachts onrustig aan zijn landvasten. Hagel op het dek. Windkracht negen, waarschuwt Piet, met vlagen tien. Vlagen elf. Dat jaagt maar huilend door de stagen, trekt het bootje scheef aan zijn mast. Elk halfuur het dek op om de landvasten te controleren, geen kans op slaap. Buiten, meldt de marifoon, zijn jachten in problemen. De coaster Birgit loopt onder Vlieland aan de grond. In de kajuit ligt een bundel van Jan Slauerhoff. Dit moet dus in de buurt komen van zijn ultra mare, de superzee:

Het laatste schip wordt weerloos voortgesmeten

Het zwerk is ingezonken en aschgrauw

Zal ik nu eindelijk, vergaan, vergeten

Verlost zijn van verlangen en berouw?

Piet is minder zorgelijk. De Birgit ligt muurvast, reddingboot Arie Visser kan niet veel meer doen. 'Ja eh', zegt de schipper van de Arie Visser die zijn boot in golven van vier meter overeind moet houden, 'we liggen hier nu vijf uur te kijken en dachten dat het wel genoeg was.'

'Voor mekaar hoor', zegt Piet. 'Prima werk en recht op huis aan, hè.'

Dit bootje ook.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden