Alles beweegt

Het Louvre laat de tekeningen van Michelangelo zien in een expositie die vlak op de hand van de meester zit....

Het zijn bijna allemaal kladblaadjes, de tekeningen van Michelangelo die in bezit zijn van het Louvre. Je ziet het aan de manier waarop hij getekend heeft, je ziet het aan de manier waarop hij met die tekeningen is omgegaan. Er staan aantekeningen op of berekeningen, die met het onderwerp van de tekening zelf niks te maken hebben. Soms heeft hij in de leeg gebleven ruimte rond het hoofdonderwerp een detail nog een keer geprobeerd, een arm of een pose, en in veel gevallen heeft hij de achterkant van het papier ook nog benut. Dat achteloze geeft ze iets vrolijks.

Het merendeel ervan is in de verzameling van het Louvre terechtgekomen via de verzamelingen van de Franse koningen. Lodewijk XIV heeft ze laten kopen, in 1671, en veelal zijn ze sindsdien de deur niet meer uit geweest. Ook dat heeft iets vrolijks, de koning die een vermogen uitgeeft om de kladblaadjes van de kunstenaar te kopen. Hij stond er niet alleen in, want een van de andere grote verzamelingen van Michelangelo's tekeningen die zich in Londen bevindt, stamt ook al uit een koninklijke collectie. Samen met die in Oxford, Florence en Haarlem vormen ze het leeuwendeel van wat er aan tekeningen van hem is overgeleverd.

In de Parijse verzameling zitten maar enkele tekeningen die serieus uitgewerkt zijn. Er is de beroemde kop van een faun, met de ingedeukte neus en de vooruitstekende lippen, er is het geïdealiseerde hoofd van een vrouw. Op die tekeningen heeft hij zijn best gedaan: licht en donker zijn er nadrukkelijk op aanwezig in ijle en dichte arceringen, de werking van de schaduw en de gelaatsuitdrukking van de geportretteerde zijn er goed op te zien. Ook zijn er enkele architectuurtekeningen waar blijkbaar een liniaal aan te pas gekomen is en waar een nat penseel het perspectief op heeft aangezet.

Voor het overige zijn het krabbels, probeersels van een rusteloze hand.

Over die fenomenale hand is veel nagedacht, gespeculeerd en gefantaseerd, al vijf eeuwen lang. Het aardige van de tekeningen van Michelangelo die het Louvre nu voor een paar maanden bij elkaar gehangen heeft en de manier waarop dat gedaan is, is dat je nooit dichter bij die hand en de dynamiek ervan kan komen dan zo. Het is alsof je je ogen in zijn vingers legt en door een rietje meekijkt langs de stift van zijn pen, de romp van zijn krijtje. Wie lang naar een van die tekeningen kijkt, krijgt onwillekeurig iets dansants in zijn blik; de rusteloosheid is besmettelijk, de tekening komt tot leven en wordt het tekenen zelf.

Ze zijn vrijwel allemaal gemaakt als voorstudie, soms voor een beeldhouwwerk, soms voor een schilderij, soms louter om een houding, die bij Michelangelo meestal een draaiing is, in de vingers te krijgen. Eerst een kladje, dan het echte werk. Bij schilders van wie veel werk grondig is gedocumenteerd, kijk je langs de tekeningen naar het resultaat. Bij Michelangelo, dank zij de terloopsheid waarmee hij tekende en het geringe autonome artistieke belang dat hij zelf kennelijk aan zijn oefeningen en studies hechtte, moet je terugkijken: de kunstgeschiedenis identificeert zijn tekeningen liefst met behulp van het robuustere materiaal. Omdat we het beeld of het schilderij kennen, weten we dat het hier om een voorstudie, een tekening van Michelangelo gaat.

Figuren en houdingen: daar gaat het om. David die met een voet het afgehouwen hoofd van Goliath in bedwang houdt, de evangelist Johannes in gepeins verzonken, met zijn elleboog steunend op een boek dat hij op zijn bovenbeen heeft geplaatst, terwijl zijn voet op een blok staat. Hoe staan ze erbij, hoe houden ze zich? Comportamento, zegt het Italiaans, 'gedragen' wordt 'met zich meedragen', jezelf een houding geven.

De kunstenaar is op onderzoek uit, het is een doordeweekse dag, er moet gewerkt. Je hoort hem, bij wijze van spreken, neuriën en in zichzelf praten. Soms is ook dat gemompel op papier gekomen, in de vorm van een aantekening, een becijfering - iemand vraagt hem iets? Er valt hem iets in dat hij niet mag vergeten? - een enkele keer als versregels van een later voltooid sonnet.

Dat teruglezen vanuit het voltooide werk naar de studie onthult waar hij naar op zoek was. Je kunt het in de tekeningen zelf vermoedelijk ook wel zien, maar de vergelijking maakt de waarneming minder speculatief. 'Alles beweegt', zegt de duistere denker, maar de zorg van de beeldend kunstenaar uit het tijdperk van voor de film en de mobile is dat zijn werk juist alles stil zet. Het verschil tussen de beginneling en de meester ligt in de schilderkunst en de beeldhouwkunst in de suggestie van beweeglijkheid en lichtvoetigheid. Steen is log, en brons is zwaar, verf is viscoos en traag: hoe hak je de inertie uit je materiaal, hoe penseel je de dood uit je pastei? Het draaiierige effect dat Michelangelo's tekeningen sorteren verraden hun bedoeling.

Kijk naar de twee mannen die een jongeling optillen. Door de knieën, de een, met de voet van de derde op zijn handen. Die acrobaat wankelt en grijpt zich aan de schouder van de eerste vast. Nummer twee heeft hem bij zijn knie vast, want hij moet op de schouders. De kunstenaar legt een moment uit een doorgaande beweging vast, hij portretteert de instabiliteit. Maar het gaat om de beweging - en die kan alleen maar uit de spanning van de spieren spreken. Die zit er zo intens in, dat je als kijker zelf het beeld nauwelijks stil kunt houden. Het is beweging, waar je naar staat te kijken.

De verleiding is groot meteen te gaan vergelijken. Met de tekeningen van Leonardo, bijvoorbeeld, die tot dit weekeinde in het Metropolitan Museum of Art in New York hingen en die hoe dan ook vaker te zien zijn. De catalogus van die expositie verzacht de pijn van de onbereikbaarheid. Veel gedetailleerder uitgewerkt, meestal, maar ook analytischer, meer gericht op de mechanica van de beweging dan op de beweging zelf.

Het is te hopen dat het Louvre of welk belangrijk museum dan ook eerlang eens een tentoonstelling maakt die een cursus is in het kijken naar wat de virtuozen van de Italiaanse Renaissance voor ogen stond: Leonardo naast Michelangelo naast Rafael, de mindere meesters langs de flanken.

Ook de Parijse expositie van nu is een uitnodiging tot vergelijken en studeren. Dat komt doordat ze eigenlijk geen autonome expositie is, maar de viering van een publicatie. De Britse Michelangelo-kenner Paul Joannides - kunsthistoricus te Cambridge - heeft zijn onderzoek naar de tekeningen van Michelangelo, zijn leerlingen en navolgers uit het bezit van het Louvre, voltooid en de resultaten daarvan zijn ondergebracht in het zesde deel van wat uiteindelijk een bestandscatalogus moet worden van de werken op papier die het Louvre en het Musée d'Orsay bezitten. Dat is een lijvig en geleerd werk, waarin veel afbeeldingen, bronvermeldingen en afwegingen staan.

Maar hoe indrukwekkend en subliem dat ook is uitgevoerd, in laatste instantie komt het er ook voor de kunsthistoricus op aan zijn ogen goed te gebruiken. Ook nu sneuvelen er vroegere toeschrijvingen of worden eerdere hypothetische toeschrijvingen stelliger gemaakt: het ene werk is voorlopig geen Michelangelo meer, het andere is wat meer Michelangelo dan voorheen. En dat komt vrijwel allemaal door secuur te kijken: hoe trekt hij zijn lijntjes, hoe zet hij zijn streepjes? De onderliggende vraag is telkens: waar was hij op uit? Zo dicht als we met onze neus op zijn werk en zijn werkzaamheden staan, we weten het niet.

Dat komt vooral doordat je bij Michelangelo nooit weet wat hij niet kon. Bij Leonardo zijn we daar zekerder van; doordat er meer en gedetailleerder tekeningen van hem zijn overgeleverd en die tekeningen dikwijls door de manier waarop ze bewaard zijn gebleven samenhang en ontwikkeling verraden, weten we meer van hem en kunnen we gemakkelijker vergelijken. We weten wat hem voor ogen stond, we weten waar hij naar op zoek was en we weten waar die zoektocht vooralsnog eindigde.

Wie echter wel eens goed naar het plafond van de Sixtijnse Kapel in Rome heeft gekeken, heeft kunnen vaststellen hoe Michelangelo zich gedurende zijn werkzaamheden daar ontwikkeld heeft. De schilderingen worden gaandeweg losser, beweeglijker, virtuozer. Waar zou dat beland zijn als er nog een plafond te beschilderen zou zijn geweest, wanneer er nog een gewelf gevuld had moeten worden? Het lijkt wel of er geen natuurlijk einde kwam aan zijn vermogen zich te ontwikkelen.

Nu het Louvre de tekeningen van Michelangelo naast die van zijn leerlingen heeft gehangen wordt de overtuigingskracht van die zin in beweging alleen maar duidelijker. Niet dat die leerlingen beroerde, houterige tekeningen hebben nagelaten: verre van dat. Maar God en het genie, ze zitten beide in het detail. Zelfs in een onvoltooide blik - de Heilige Maria die, Kind op schoot, naar de Heilige Anna kijkt: we zien verrassing - zit een leven.

Hoe krijg je zoveel psychologie, zoveel mensenkennis in een pennestreek? Door de boel nooit stil te zetten, door niet te accepteren dat je dat al tekenend juist wel doet. De vergelijking dringt zich op als bewijs.

Zodra hij wist waar de energie in school, stopte hij, lijkt het wel. Dat verklaart, als het waar is, het onvoltooide van die tekeningen en de slordige omgang ermee.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden