Allemaal onmacht

Ferry Siwabessy, die in de jaren zestig met zijn familie naar Culemborg kwam en er nog altijd woont, kijkt met lede ogen naar de ruzies tussen Marokkaanse en Molukse jongeren die de afgelopen week het nieuws beheersten....

Het verhaal van Culemborg begint voor Ferry Siwabessy in 1967. Hij is 16 jaar oud en heeft zijn hele leven doorgebracht in een barak in kamp Vught, het voormalige concentratiekamp. Het ligt buiten de stad, geïsoleerd van de Nederlandse bevolking, omringd door bossen en militaire kazernes. Ferry woont er met zijn ouders, twee broers en twee zusjes, en met nog een paar honderd Molukse gezinnen.

De meeste mannen zijn voormalige KNIL-militairen die God, koningin en vaderland zeer zijn toegedaan, en die in de oorlog en in de strijd tegen Nederlands-Indië trouw hebben meegevochten met de Nederlanders. Nadat Indonesië onafhankelijk was geworden, werd de KNIL ontbonden en werd Ferry’s vader met zijn collegasoldaten in 1951 op het schip Asturias gezet en naar Nederland gevaren, om na aankomst tijdelijk in Vught te worden ondergebracht. Tijdelijk, want als de betrekkingen met Indonesië genormaliseerd waren, konden ze terug.

Nu is het 1967 en ‘tijdelijk’ duurt al best lang. Ferry’s vader is geen KNIL-militair meer; al op de boot naar Nederland had hij zijn ontslagbrief gekregen, zoals iedereen. Maar dat heeft hij zijn kinderen nooit verteld. Zoals bij veel mannen staat ook bij hem de legerkist in de gang, hangt zijn uniform altijd klaar en staat veel van de bagage nog altijd onuitgepakt in de gang, klaar voor de terugreis naar Ambon.

Ferry en zijn broers en zusjes rijden elke dag met de bus naar ’s Hertogenbosch. Daar zitten ze op een Nederlandse school. De meeste kinderen volgen onderwijs in het kamp, maar de ouders van Ferry Siwabessy hebben voor een Nederlandse school gekozen. Op aanraden van een oom uit Idonesië, die de hele Siwabessy-clan een keer bij elkaar heeft geroepen om ze op het hart te drukken dat zijzelf weliswaar eenvoudige dorpskinderen waren, die op Ambon nauwelijks onderwijs konden volgen, maar dat ze hun kinderen het beste van het beste moeten geven.

En een Nederlandse school, dat is het beste van het beste.

Op een dag in 1967 roept Ferry’s vader de kinderen bij zich. Hij vertelt dat het gezin moet verhuizen naar Culemborg. Zelf peinst hij er niet over. Hij heeft altijd gezegd dat hij kamp Vught alleen zal verlaten met een enkeltje Ambon op zak. Vader Siwabessy trekt een streep over de vloer van het kleine woonkamertje. Hij gaat aan de ene kant van de streep staan, zijn vrouw aan de andere. ‘Kies maar’, zegt de moeder van Ferry. ‘Wie met mama mee wil, komt bij mij staan. Wie bij papa wil blijven, gaat naar hem.’

De kinderen kiezen voor hun moeder.

Kèrsie aonstèke
Het doorgaans zo zoete Culemborg beheerste afgelopen week ineens het nieuws. In de oudjaarsnacht escaleerde een ruzie tussen een groep Molukse en een groep Marokkaanse jongeren. In drie straten in de wijk Terweijde patrouilleert sindsdien de ME. Er liggen roadblocks en er is een samenscholingsverbod. De Belgische krant De Morgen spreekt van een ‘oorlogssituatie’, De Telegraaf heeft het over ‘rassenrellen’ en columnist Els van de Culemborgse Courant weet het ook niet meer: ‘Jao, wannou? Der is zoveul agressiviteit, daor kôm gin end aon, zo lekket wel. Laon me der izzen kèrsie veur aonstèke messenalle ofgesproke?’

De vechtpartijen zijn niet helemaal nieuw; in september raakten jongeren ook al slaags, en vijf jaar geleden werd een kermis voortijdig opgebroken na rellen en vernielingen. Sussende gesprekken hebben niets geholpen.

In 1967 is er in Culemborg nog nauwelijks een Marokkaan te bekennen. De familie Siwabessy wordt met een aantal Molukse gezinnen naar een oud stadje aan de Lek gebracht, waarover een prachtige, 665 meter lange spoorbrug ligt. Er staan fabrieken waar meubels en sigaren worden gemaakt, er is een mooi oud centrum met het geboortehuis van Jan van Riebeeck erin – de man die voor de VOC de kolonie stichtte waar Zuid-Afrika uit zou voortkomen.

Net buiten het centrum liggen vier statige dreven met villa’s voor de gegoede burgerij. Verder wordt de stad omringd door boerderijen en weilanden. Eén van die weilanden is net veranderd in een bouwput. Hier verrijst de wijk Terweijde.

Een paar straten zijn al klaar. Een deel van de huizen heeft platte daken, een deel puntdaken. Drie straten in Terweijde – de Ter Weijdelaan, de Perosistraat en de Diepenbrockstraat – zijn aangewezen als de straten waar de Molukkers moeten gaan wonen. De eerste groep Molukkers is een jaar eerder gearriveerd en daar ondergebracht. Gezellig op elkaars lip, volgens de richtlijnen van het rapport van de commissie Verweij-Jonker uit 1959.

Daarin staat dat de Molukkers moeten worden weggehaald uit de overvolle kampen en worden gehuisvest in open woonwijken, maar wel dicht bij elkaar, rond een eigen Molukse kerk en een eigen Moluks recreatiegebouw. Onder meer Leerdam, Krimpen a/d IJssel, Alphen a/d Rijn en Culemborg zijn groeigemeenten waar volop nieuwbouw wordt gepleegd, en waar de Molukkers – in die jaren worden ze Ambonezen genoemd – mooi een plekje kunnen krijgen. In Culemborg wordt een Molukse voetbalvereniging opgericht voor de jongens, Garudu Maluku, en een gelijknamige volleybalvereniging voor de meisjes. Anderen vormen een Moluks elftal binnen een bestaande vereniging, Culemborg ’67.

Tante Siwa
Ferry Siwabessy heeft het voordeel dat hij de Nederlandse taal al machtig is. Hij gaat naar de mulo en krijgt daar gemakkelijk Nederlandse vrienden. Zijn vader komt het gezin elk weekend opzoeken en vertrekt op zondagavond weer naar Vught.

Zijn moeder begint in een schuur aan de Middelcoopstraat een winkeltje, Toko Ambon. Dat mag eigenlijk niet volgens het bestemmingsplan, maar het wordt oogluikend toegestaan, want winkels zijn er nog maar nauwelijks op Terweijde. Ja, de Vivo; maar die verkoopt geen rijst en ook geen kroepoek.

Mevrouw Siwabessy, die door iedereen tante Siwa wordt genoemd, heeft dat allemaal wel. Ze verkoopt naast Indische kruiden ook bruine bonen, wc-papier, sigaretten en bier, en al snel groeit het winkeltje van tante Siwa uit tot een trefpunt voor mensen uit de buurt. Molukkers en Nederlanders.

Want Nederlanders wonen er in Terweijde óók; vaak mensen van buiten Culemborg, die bij de Nederlandse Spoorwegen zijn gaan werken of bij het Centraal Boekhuis. Met tante Siwa zijn prettige deals te sluiten. Als haar schuurtje te klein wordt, is een handige achterbuurman graag bereid hem te verbouwen in ruil voor een geurige rijsttafel met alles erop en eraan.

Niet dat het een en al saamhorigheid is. Ferry Siwabessy: ‘Je had wel contact met Nederlanders uit de buurt, en later zijn ook genoeg relaties ontstaan tussen Nederlanders en Molukkers, maar in het begin bleef het bij elkaar gedag zeggen. Je trok veel meer op met andere Molukkers, met je familieleden, met je neven.

‘En er waren in de beginjaren ook wel veel vechtpartijen. Je had hier een paar Nederlandse families die het voor het zeggen hadden, het type mensen dat je nu tokkies zou noemen. Culemborgers waren daar bang voor. Maar de Molukkers hadden lak aan de plaatselijke verhoudingen. Zij gingen gewoon met die gasten op de vuist.’

Bruine aap
Met racisme hadden die ruzies niet zoveel te maken. Siwabessy: ‘Ik ben heus wel eens uitgescholden voor bruine aap, maar de vechtpartijen zoals ik ze me uit de jaren zestig herinner, waren toch vooral van het soort dat je bij pubers zo vaak ziet. Vaak ging het om meisjes. Wat wel zo was: als je met één Molukse jongen ruzie hebt, kreeg je gelijk honderd Molukse jongens tegenover je. Na een tijdje trokken veel Nederlandse bewoners weg, naar andere, nieuwe wijken.’

Dat herinnert ook Ab Warnar zich. In 1967 wordt hij hoofd van de net opgerichte Prins Bernhard-school in Terweijde. De Prins Bernhardschool is protestants-christelijk, net als vrijwel alle Molukkers die in Culemborg wonen. Ab Warnar, die tot aan zijn pensionering in 2000 hoofd van de school blijft, zit er met zijn neus bovenop als begin jaren zeventig de eerste problemen met gefrustreerde jongeren ontstaan.

Op school zijn er relletjes en vechtpartijen; er sneuvelt wel eens een ruit. In de klas kunnen Molukse en Nederlandse kinderen het best met elkaar vinden, maar verder komen ze niet echt bij elkaar over de vloer.

De Culemborgse samenleving laat Warnar en zijn school stikken. ‘Zo kan ik het gerust zeggen. De klassen van de Prins Bernhardschool waren begin jaren zeventig voor driekwart zwart, en de Nederlandse ouders wisten niet hoe snel ze hun kinderen van school moesten halen.

‘Als ik er wat van zei, kwamen ze met verhalen over de kwaliteit van het onderwijs die bij de Beatrixschool of de Prins Willem-Alexanderschool hoger was. Er was een hoop schijnheiligheid hoor. Wat moest ik doen? Ik stond met mijn rug tegen de muur.’

De Molukkers zijn, vindt Warnar, een vergeten volk dat lang respectloos bejegend is, en schandalig behandeld bovendien. Door de Nederlandse regering, maar net zo hard door de lokale overheid. ‘De eerste Molukkers werden in Terweijde in de huizen met de puntdaken gehuisvest. De ‘kampong’, noemde ik dat altijd. Ze waren daar bij elkaar gestopt vanuit een soort gettogedachte: we houden ze apart.

‘Er werd een Nederlands wijkhoofd aangesteld, een soort veredelde conciërge die een paar woordjes Maleis sprak en die alles moest regelen. Hij ontving de kinderbijslag voor alle gezinnen, en die betaalde hij dan uit. Hij regelde de uitkeringen, hij zorgde dat de huur betaald werd. En als bewoners vervelend deden, zette hij ze gerust op rantsoen.’

De mensen werden gekleineerd, zegt Warnar. En ze líeten zich ook kleineren, in het begin althans. ‘Het waren KNIL-mensen, kazernevolk dat het wel best vond als iemand vertelde wat er moest gebeuren; soldaten met veel gevoel voor hiërarchie. Dat zag je terug in de kampen, en later ook in de woonwijken. Maar het Molukse volk is tegelijk ook een trots volk. Dat botste.’

Mooie jongens
Patsy van Rooijen, schoonheidsspecialiste en massagetherapeute van Indische afkomst, gaat in de jaren zeventig in Culemborg naar de lagere en middelbare school. Ze heeft net zo veel Nederlandse vrienden als Molukse vrienden. Dé ontmoetingsplek voor jongeren is koffieshop Number One in de Kattenstraat, eigendom van een Molukse vrouw en haar Nederlandse echtgenoot.

De koffieshop bestaat nog steeds, het interieur is nauwelijks veranderd. Van Rooijen: ‘Iedereen kwam daar, Molukkers en Nederlanders. We zaten er na school spelletjes te doen; barricade, backgammon. Je at er een tostie, je dronk koffie, het was gezellig. Als scholier merkte je niet zoveel van cultuurverschillen.

‘Hooguit viel op dat sommige Molukse jongens wel erg lange tenen hadden. Ze lieten zich snel opjutten, er waren nog wel eens vechtpartijen. Je had een paar beruchte Molukse families. Maar de Molukse jongens waren supergeliefd bij de Hollandse meiden. Ze waren donker, ze waren mooi. Ze waren soms ook totaal onbetrouwbaar, maar érg in trek.’

De kinderen van de KNIL-militairen kunnen het op zich best vinden met hun Culemborgse leeftijdgenoten. Tegelijk zijn ze opgevoed met een hevige aversie tegen de Nederlandse overheid, die niets deed toen Indonesië in 1950 de vrije republiek der Zuid-Molukken (RMS) de kop indrukte. Dat zorgt voor een dubbel gevoel.

[Zie verder pagina 32]

‘Een snotneus die kutjuf zegt, dat is toch niet normaal?’
[vervolg van pagina 29]

De treinkapingen door Molukkers in de jaren zeventig bij Wijster en De Punt en de gijzeling van een lagere school in Bovensmilde, die de komst van de RMS moeten forceren, raken ook de Molukse gemeenschap in Culemborg diep. Iedereen kent de betrokkenen; twee van de gijzelnemers die bij die acties om het leven komen, zijn neven van Ferry Siwabessy. De sfeer in Culemborg wordt grimmiger; er wordt soms geschoten op de politie.

Inmiddels zijn de eerste Marokkanen in Culemborg gearriveerd. Aanvankelijk waren er alleen mannen, gastarbeiders, die in Casa Maroc op het industrieterrein bivakkeren. Maar in de tweede helft van de jaren zeventig wordt het gezinsherenigingsbeleid van kracht en komen de gezinnen over. Ook zij worden voor een groot deel ondergebracht in de wijk Terweijde.

De Molukkers kijken verbaasd naar het wasgoed dat de Marokkanen in hun voortuin te drogen hangen, de Marokkanen verbazen zich over de gelijkwaardige manier waarop Molukse mannen, geïnfecteerd door de tijdgeest, met hun vrouwen omgaan.

Na verloop van tijd wordt het aantal Marokkanen in Terweijde groter. Ferry Siwabessy: ‘En dan zie je dat Molukkers precies dezelfde beweging maken als eerder de Nederlanders: ze gaan weg. Wie het kan betalen, zoekt een huis in een andere wijk.’ Excessen zijn er ook. Als eind jaren zeventig een Marokkaans gezin een woning krijgt toegewezen in één van de Molukse straten, worden de ramen van het huis van boven tot onder ingegooid. Bedoeld als signaal: deze straat is Moluks, en moet Moluks blijven.

Ab Warnar ziet in de jaren erna op zijn school dat de geschiedenis zich herhaalt. Waren het in de jaren zeventig de Nederlanders die de Prins Bernhardschool links lieten liggen, in de jaren tachtig kijken de Molukse ouders bezorgd naar de grote hoeveelheid Marokkaanse kinderen in de klassen, en halen hun kinderen weg. Maar verschillen zijn er ook. Waar Molukse kinderen de leraren meestal met respect tegemoet traden, willen de Marokkaanse kleintjes nog wel eens een andere toon aanslaan.

Halverwege de jaren tachtig gaat Warnar naar het stadhuis om alarm te slaan. ‘Ik zei: die schoolartsendiensten controleren onze schoolkinderen al jaren op platvoetjes en schele oogjes, maar ze kunnen beter gaan letten op het gedrág van de kinderen. Een snotneus die ‘kutjuf’ zegt tegen een onderwijzeres, dat is toch niet normaal?

‘Ik stelde voor het te gaan monitoren. Maar ik werd uitgelachen en weggehoond. Nederlanders zijn altijd als de dood geweest voor racistisch te worden uitgemaakt, en Culemborgers helemaal: dit is immers de stad van de foute Jan van Riebeeck.’

Scheve ogen
Van grote problemen tussen Marokkanen en Molukkers is in die jaren overigens geen sprake; hooguit zijn er, zegt Ab Warnar, weleens scheve ogen omdat er voor de moslims veel meer geregeld lijkt te kunnen worden dan voor de Molukkers: ‘Ik kreeg vroeger geen dubbeltje voor die Molukse kinderen los, maar in de jaren tachtig en negentig kon er ineens van alles. Dat geldt ook voor de wijken. In de Molukse wijken is nooit geïnvesteerd zoals in de Vogelaarwijken. Ik kan me best voorstellen dat er afgunst is.’

Maar of dat ook de oorzaak van de huidige rellen is? Ferry Siwabessy, inmiddels 58 en ambtenaar bij het ministerie van VWS: ‘Het maakt niet heel veel uit wie de schuldige is. Zo eendimensionaal is het niet. Het zijn géén Marokkanen tegen Molukkers. Wat je ziet is wat je in elke jeugdcultuur ziet: jongeren die tegenover elkaar staan. Culemborg is klein, ze komen elkaar overal tegen, en om die jongens heen vormt zich vervolgens een kring van familie, vrienden en meelopers. Het zijn gewoon etterbakjes onder elkaar.

‘In de kern gaat het om rotzakken, toevallig van Molukse afkomst, die vechten met andere rotzakken, toevallig van Marokkaanse afkomst. Molukkers reageren misschien wel anders op bepaalde zaken dan Nederlanders. Nederlanders doen de deur dicht en bellen de politie. Molukkers halen hun vrienden en familie erbij. Dat is de groepscultuur.‘ Met geloof heeft het volgens hem niets te maken. ‘Indonesië is grotendeels islamitisch. De helft van de Molukkers op de Molukken is ook islamiet. Molukkers zijn opgegroeid met het pela-systeem, eeuwenoude bloedbroederbanden met dorpen op andere eilanden, of daar nou christenen wonen of moslims. Dat maakt ons niet uit. Als er een moskee wordt gebouwd, zie je dat de naburige christelijke dorpen komen helpen. Ik durf met zekerheid te zeggen dat wat er nu in Culemborg speelt, geen etnisch conflict is.’ Het is geen etnisch conflict, meent ook Ab Warnar. ‘Het zijn jongens die op elkaars territorium komen; en dat territorium is de straat. Ze zitten te veel op elkaars lip.’

Onmacht
Zijn de oudere Molukkers de Marokkanen van toen? Zijn de jonge Marokkanen de Molukkers van nu? Ja, zegt Ferry Siwabessy. ‘Heel veel problemen waar de Marokkaanse jongens nu mee te maken hebben, zijn voor ons herkenbaar. Je niet begrepen voelen, je afgewezen voelen door de omringende samenleving, de beheersing van de taal missen die nodig is om een conflict uit te praten, het generatieconflict met ouders die de wereld waarin hun kinderen opgroeien niet kennen: dat alles hebben wij ook meegemaakt, en het leidt tot een gevoel van onmacht.

‘Meisjes hebben daar minder last van dan jongens, die spreken de taal beter en ze doen het beter op school; ook dat is bij de Marokkaanse jeugd van nu precies hetzelfde als bij de Molukse jeugd van toen.

‘Daarom denk ik ook dat het uiteindelijk wel overgaat. We moeten de rust krijgen het onderling op te lossen, zonder Kamervragen, zonder grote projecten, zonder bemoeienis van de PVV. Want er zijn ook talloze vriendschappen tussen Marokkanen en Molukkers.’

Ab Warnar is zorgelijker. ‘Nederlanders zijn nog steeds te soft, te bang en te laf. Hou op met zeggen dat er gepraat moet worden en dat overleg dringend nodig is. Die tijd is allang voorbij. Investeer in fysieke dingen: sluit die brandgangen in Terweijde af, zorg voor goed licht, en bedenk dat straffen voor sommige jongens alleen maar statusverhogend werkt. Raak de daders liever in hun portemonnee.

‘Ik zag op tv een korpschef die zei: we staan machteloos. Dan denk ik: man, dien je ontslag in en ga een andere baan zoeken! Een politieagent moet niet zeggen dat hij machteloos staat. Die moet zorgen dat wij ons veilig voelen. En dat gevoel is er nu niet. Mensen zijn bang, en terecht. Dit waait niet vanzelf over.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden