Allemaal gebak en elk land trakteert Na honderd jaar is film weer terug bij af

Wie 28 december 1895 aanvaardt als geboortedatum van de film, erkent ook dat film al vanaf het prilste begin een commercieel medium is....

'IS VADER thuis?', vroeg ik aan het oude mannetje dat open deed. Hij knikte en liet mij in een kamertje waar een nòg ouder mannetje zat, dat al bijna dood was. Haastig rukte ik een spreekhoorn van de wand en schreeuwde in zijn oor: ''Wel gefeliciteerd'' ''U bent abuis'', zei de oude man met doffe stem, ''vader is boven.''

'Ik vloog de trap op, want ik begreep dat het nu een kwestie van seconden was: hij was bezig een vogelnestje te maken. Ik kroop bijna in zijn oor en gilde: ''Wel gefeliciteerd'' De jubilaris schudde het hoofd, maakte een dubbele salto en sprong op de grond. ''Ik ben niet doof'', zei hij, zijn jas aantrekkend, ''ik ben alleen maar oud. Wat is er aan de hand?'''

Zo begint De honderdjarige van Godfried Bomans, die de feesteling de vraag voorlegt hoe hij zo oud geworden is. '''Het ging vanzelf'', antwoordde de jubilaris, ''elk jaar word je een jaar ouder, dat ligt in de natuur der dingen. Toen ik zeventig was, was ik zeventig, en toen ik tachtig werd, was ik tachtig. En zo maar door tot honderd.'''

Honderd Jaar Film, wat is daar voor bijzonders aan? Niets, maar er is ook niets op tegen om een verjaardag te vieren. 'Alle bewoners van het tehuis kregen gebak aangeboden, toen de heer De Vries zijn honderdste verjaardag vierde', meldt het plaatselijke dagblad.

Allemaal gebak, in elk land trakteert de filmindustrie. Vorig jaar begon het al in Frankrijk, met de ingekleurde versie van Jour de fête, zoals Jacques Tati het zelf in 1949 bedoelde. Elk filmfestival ter wereld heeft zijn aandeel in het jubileum. Overal gaan beschouwers terug in het verleden en wordt deskundigen gevraagd een lijstje op te stellen van de beste film aller tijden. Honderd Jaar Muziek en Honderd Jaar Literatuur zijn nooit gevierd. Maar er zijn zeker argumenten aan te voeren om bij Honderd Jaar Film wel even stil te staan. In tegenstelling tot muziek is film een uitvinding op grond van technische ontwikkelingen. Je kunt wel Honderd Jaar Saxofoon vieren, niet Honderd Jaar Muziek. Niet Honderd Jaar Kijken, wel Honderd Jaar Film.

Officieel werd de film geboren op 28 december 1895, omdat die dag de eerste openbare filmvertoning voor een betalend publiek plaatsvond. In de Salon Indien van het Grand Café, Boulevard des Capucines 14 in Parijs. De gebroeders Auguste en Louis Lumière draaiden met de eerste professionele projector acht korte films, Sortie d'usine was de eerste. Hij was in augustus 1894 opgenomen en toonde arbeiders die de fabriek van Lumière in Lyon verlaten, op weg naar hun avondmaal. Vader Lumière inde de franc die elk van de 33 bezoekers moest betalen.

Het was niet de allereerste vertoning. De Lumières hadden La sortie des ouvriers de l'usine Lumière (zoals hij voluit heette) op 22 maart 1895 al eens laten zien bij de Maatschappij ter Aanmoediging van de Nationale Industrie. De allerallereerste films waren in november 1888 opgenomen door Louis Aimé Augustin le Prince, die er in oktober van dat jaar twee vertoonde in de tuin van zijn Engelse schoonvader. Dat was een jaar na de uitvinding van celluloid met een lichtgevoelige laag (film geheten!).

De eerste openbare filmdemonstratie vond op 22 mei 1891 plaats in West Orange in het laboratorium van Thomas Alva Edison, voor 147 dames van de National Federation of Women's Clubs, die kwamen lunchen bij mevrouw Edison. En in New York hadden op 14 april 1894 ongeveer vijfhonderd toeschouwers à raison van 25 dollarcent een demonstratie van de Kinetoscope bijgewoond. Maar daar waren twee rijen van in totaal tien projectors voor nodig en daarom geldt die openbare, betaalde vertoning in Parijs eind 1895 met één niet experimentele projector als de geboorte van film.

Je kunt stellen dat een film pas bestaat als hij vertoond wordt. Als de maker, om het plechtig uit te drukken, 'in communicatie treedt met een publiek'. Maar het aanvaarden van deze geboortedatum, betekent ook dat film van meet af aan niet alleen als technisch wonder, maar ook als iets commercieels werd beschouwd: openbaar en voor een betalend publiek.

We zullen het nu maar niet hebben over alle kleine en grote uitvindingen die aan de geboorte zijn voorafgegaan. Voor het conceptiemoment van film geldt hetzelfde als voor de uitvinding van de boekdrukkunst en van zoveel andere dingen: het kwam niet uit de lucht vallen en in diverse landen werd al eerder geëxperimenteerd.

Het jubileum mag dus met reden op 28 december 1995 gevierd worden. Hoewel, eigenlijk niet in Nederland, want bij ons werd film pas een jaar later geboren. Er was eind 1894 al eens een demonstratie van Edison's Kinetoscope geweest, maar het programma van de Lumières was pas van 12 maart tot 31 mei 1896 voor het eerst in Amsterdam te zien. En niet op 9 juni van dat jaar in het Scheveningse Kurhaus, zoals een gedenksteen daar abusievelijk vermeldt.

De eerste film die in Nederland werd geproduceerd, dateert van 1899. Hij werd gemaakt door Franz Anton Nöggerath en heette Een herinnering aan wijlen Zijne Majesteit Willem III, een rijtoer makende door het Vondelpark te Amsterdam. Die was er eerder dan bij voorbeeld Een Frans heertje van Willy en Albert Mullens, die wel eens als eerste Nederlandse film wordt aangemerkt. Maar deze stamt uit 1905 en de broers Mullens maakten het jaar daarvóór al Muis Hamel bij den coiffeur.

En de eerste Nederlandse speelfilm? De levende ladder van Maurits H. Binger waarschijnlijk, uit 1913. Vier jaar ouder dan Binger's Het geheim van Delft, die op 21 september gerestaureerd en met muziek van Henny Vrienten in herpremière gaat tijdens het Nederlands Film Festival in Utrecht.

Tot zeker 1906 was film kermisvermaak en volgens sommigen is dat altijd zo gebleven. Commercieel amusement. Toen het filmvertoon op rondreizende kermissen een vastere plek verwierf (in de bioscoop) en de sensatie van bewegende beelden allengs meer inhoud kreeg (in films met een verhaal, dat soms zelfs iets bedoelde te zeggen), begon de gemeenschap het nieuwe medium ook steeds serieuzer te nemen. Aan de ene kant door de kunstzinnige mogelijkheden te onderstrepen, anderzijds door te schrikken van de 'gevaren' ervan.

De ontwikkeling van de filmkunst liep gelijk op met de bestrijding van het filmgevaar. Gevreesd werd dat het zien van film de moraal zou ondermijnen. Verontwaardiging was er natuurlijk vooral over de handelingen tijdens het liefdesspel. Die diende je thuis en het liefst in het donker uit te voeren en niet in het openbaar, ook al was het in de bioscoop donker.

Zowel de moraalridders als de kunstbroeders waren eind jaren twintig in Nederland buitengewoon actief. In 1927 werd in Amsterdam de Filmliga opgericht, die de autonomie van de filmkunst verdedigde toen in de vier grote steden Pudovskin's De moeder werd verboden: Russische regisseur, communist, mocht niet. In hun ijver de filmkunst te verdedigen tegen de commerciële filmindustrie trad een zekere blindheid op toen zij de geluidsfilm gingen bestrijden, die - zo meenden zij - een nog sterkere vercommercialisering betekende.

Tegenover de Filmliga stonden de zedenmeesters die zich in 1926 inspanden om een 'Wet ter bestrijding van de maatschappelijke gevaren van de bioscoop' tot stand te brengen. Op grond daarvan werd in 1928 de Filmkeuring in het leven geroepen. In diezelfde periode werden filmkritieken een steeds normaler verschijnsel: het derde teken dat in Nederland film serieus werd genomen.

Hoe gaan we het hier vieren, een jaar na de Fransen en in feite een jaar te vroeg voor Nederland? Groots, zo leek het vorig jaar, toen een feestcomité werd opgericht. In januari bleken onmin en gebrek aan financiële steun het verlangen naar vuurwerk grotendeels te hebben gedoofd. Van een grootscheeps festijn was geen sprake meer. Een van de projecten die wel worden uitgevoerd is het programma Les Films du Paradis, bestaande uit 52 klassiekers die vanaf komende donderdag 52 weken in 52 theaters van 52 steden te zien zijn. Het programma is samengesteld door een werkgroep van distributeurs en vertoners die criteria hanteerde als artistieke kwaliteit, populariteit, toegankelijkheid, beschikbaarheid, technische staat. Per regisseur wordt niet meer dan één film getoond. En er is gelet op een beetje spreiding door de jaren heen. Het beginpunt ligt bij 1930, toen de geluidsfilm werd geïntroduceerd. Uit de eerste 45 jaar wordt nog een extra programma, Silent Classics, samengesteld.

De werkgroep heeft zich bij voorbaat ingedekt tegen kritiek, door toe te geven dat de keuze niet de enig mogelijke is. Eerst maar die lijst: Der blaue Engel, M, Freaks, L'Atalante, The Bride of Frankenstein, Top Hat, Gejaagd door de wind, La règle du jeu, The Grapes of Wrath, Citizen Kane, The Maltese Falcon, Casablanca, Les enfants du paradis, Roma città aperta, Brief Encounter, Red River, Fietsendieven, Sunset Boulevard, Rashomon, Tokyo Story, On the Waterfront, Giant, Wilde aardbeien, Als de kraanvogels overvliegen, Mon oncle, Fanfare, Vertigo, A bout de souffle, Ben Hur, Pickpocket, La dolce vita, L'avventura, Jules et Jim, L'Année dernière à Mariënbad, Mes in het water, The Sound of Music, Belle de jour, 2001: A Space Odyssey, Teorema, Il conformista, Dood in Venetië, Turks fruit, Taxi Driver, Die Blechtrommel, Stalker, Lola, E.T., Paris Texas, Kaos, De aanslag, Het rode korenveld, Short Cuts.

Een keurig klassiek lijstje, en heel voorspelbaar ook. Zoals de meeste lijstjes die overal en altijd weer worden gemaakt van de beste films aller tijden. Vroeger stond steevast Potemkin van Eisenstein bovenaan, later deelden Potemkin en Citizen Kane de eerste plaats en nu, zeker na het instorten van de Muur, is het alleen nog Citizen Kane. In 1941 heeft de filmkunst blijkbaar zijn hoogtepunt al gehad. Onlangs vroeg de Spaanse krant El Mundo honderd critici uit de hele wereld naar hun Top-10 en het eindresultaat was: Citizen Kane, Casablanca, La règle du jeu, Vertigo, Le jour se lève, en dan acht films ex aequo, waaronder Singing in the Rain, 8 1/2, Tokyo Stories en. . . Potemkin.

Zulke lijstjes hebben altijd het bezwaar van tijd en plaats. Het is moeilijk de betekenis van een bepaalde film, die in een bepaalde omstandigheid op een bepaald moment is gemaakt, voor de eeuwigheid te bepalen. Films uit vreemde culturen worden vaak onder- of juist overgewaardeerd. Hoe ouder de film, hoe minder mensen hem gezien hebben en ten slotte: het ene genre film is moeilijk met het andere te meten. Beter zijn lijstjes van de beste musicals, de beste westerns, de beste thrillers, enzovoort.

De beste regisseurs aller tijden zijn volgens de honderd critici van El Mundo: John Ford, Alfred Hitchcock, Orson Welles, Luis Buñuel, Federico Fellini, Jean Renoir, Billy Wilder, Ingmar Bergman, Howard Hawks en Charlie Chaplin (!). Van die regisseurs mist het programma Les Films du Paradis alleen Chaplin. Plus nog bij voorbeeld Francis Ford Coppola en Woody Allen, wier plaatsen worden ingenomen door het Holland Promotie-trio Haanstra, Rademakers en Verhoeven. Terwijl Nederland in de filmgeschiedenis toch echt geen enkele rol van betekenis heeft gespeeld.

De enige Nederlandse naam die in elk filmboek staat is die van Joris Ivens. Hoewel, misschien niet eens in een Nederlands boek, want het aantal Nederlanders dat - behalve een fragment uit Regen of De brug - ooit een film van Ivens heeft gezien, zou wel eens zwaar tegen kunnen vallen.

De vraag is ook wat er van al die mooie lijstjes overblijft over pakweg tien, twintig jaar. Films van vroeger zijn, buiten het filmmuseum, steeds minder vaak te zien. Terwijl ook steeds minder Europese of überhaupt niet-Amerikaanse films worden vertoond. En die trend zal nog worden versterkt, omdat de controle over de distributie en over de bioscopen veelal in handen is van Amerikanen, of van personen in dienst van Amerikanen.

Film als industrieel vervaardigd massamedium heeft zich het sterkst ontwikkeld in Hollywood. Maar datzelfde Hollywood is pak-weg de laatste 25 jaar bezig dit massamedium kapot te maken. Door zich steeds meer te richten op één doelgroep van die massa, namelijk de jeugd van 15 tot 25 jaar. Door de magie van het witte doek, waarop zich mysterieuze dingen kunnen voordoen die hoofd, hart en onderbuik prikkelen, te vulgariseren tot de snelle geneugten van videospelletjes. En door, volgens de regels van het industrieel-kapitalistisch denken, de markt in handen te nemen en de distributiekanalen en theaters te bezetten.

Daarmee heeft Hollywood met al zijn macht en kwaliteit het universele karakter van film verengd. En in zekere zin film - met behulp van de nieuwste technische vindingen, waarbij vooral de special effects-specialisten een rol spelen - teruggebracht tot de situatie van vóór 1906. Noem dat maar vooruitgang.

Wanneer film beschouwd wordt als iets universeels, van ècht iedereen, iets van een brede cultuur en soms misschien zelfs van kunst, dan behoort het tot de overheidstaken (ook die van de Verenigde Staten overigens) steun te verlenen aan het produceren en vertonen van niet uitsluitend voor de snelle winst gemaakte films, en niet alles over te laten aan het vrije marktmechanisme.

Wie een jarige feliciteert doet er altijd een 'nog vele jaren' bij. Elke toekomstverwachting houdt een speculatie in. Weliswaar is film net als de honderdjarige van Godfried Bomans vanzelf honderd geworden, maar zal film net als die andere honderdjarige ook steeds dichter het graf naderen? De technische ontwikkelingen die ooit film deden ontstaan uit de fotografie hebben inmiddels geleid tot televisie, video, cd-i's en nieuwe mogelijkheden van de computer. Ontwikkelingen die lijken op film, maar het 'levende' celluloid vervangen door 'dode' elektronische signalen.

Natuurlijk heeft dat gevolgen, zeker in een land als het filmcultuurloze Nederland, waar elke inwoner gemiddeld gemiddeld slechts één keer per jaar naar de bioscoop gaat. Alleen zeer goede voorzieningen, zoals in de mega-bioscopen, kunnen het grote publiek straks nog uit de huiskamer lokken. De rest zal film thuis consumeren. Maar wat thuis beschikbaar is, wordt voornamelijk bepaald door programmeurs die zich op de grootste kijkdichtheid richten.

Dus wie wat meer wil, of wat anders, zal toch het huis uit moeten. Misschien naar gespecialiseerde en gesubsidieerde theaters, zoals er nu al de Art Houses of Filmhuizen zijn. In elk geval naar locaties waar ruimte is voor films die anders zijn dan volgens vaste formules in Hollywood geproduceerd kermisvermaak. Plaatsen dus die steeds meer gaan lijken op een concertgebouw of schouwburg.

Om maar eens wat te speculeren. We zien wel, opa.

De komende maanden zal in Kunst & Cultuur regelmatig aandacht worden besteed aan Honderd Jaar Film.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden