Allemaal fixatie achteraf

Uit gesprekken die Dik Verkuil had met jeugdvrienden van Joop den Uyl doemt een heel ander beeld van hem op dan Anet Bleich in haar biografie schetst....

Vorige week promoveerde Anet Bleich op de biografie van Joop de Uyl. Ruim voordat zij met haar onderzoek begon, in 1993, heb ook ik een halfjaar onderzoek gedaan in het archief van de oud-premier. Bovendien heb ik nog familie, vrienden en bekenden uit zijn jeugd kunnen spreken. Hieruit trek ik andere conclusies dan Bleich doet in haar boek. Ik heb die uiteindelijk nooit gepubliceerd, maar na de reeks publicaties van afgelopen week doe ik dit graag alsnog.

Den Uyls zuster Map bracht me op het spoor van de Australische emerituspredikant J.W. Deenick, Den Uyls enige meer intieme jeugdvriend. Zij zaten met elkaar op de lagere school en het Christelijk Lyceum in Hilversum (en heetten toen overigens nog Den Uijl en Denik, maar dat vonden zij niet gedistingeerd genoeg). Daarna verwaterde het contact. Den Uyl ging in 1936 op 17-jarige leeftijd in Amsterdam economie studeren, Deenick ging een jaar later naar de Theologische Hogeschool in Kampen, om daarna, in 1952, te emigreren.

Zowel zijn zuster als zijn jeugdvriend vertelde dat Den Uyl op de lagere school al een buitengewoon prestatiegericht jongetje was. Een uitermate vernederende ervaring was volgens Deenick dat de meester hem eens voor de klas riep. ‘Ik zie hem nog staan. De meester zei: wat wil je zingen? Joop was erg nationalistisch, toen al. Dus zei Joop: het Wilhelmus. Hij begon dapper en hield drie noten lang wijs. Daarna was het absoluut mis. De hele klas barstte in lachen uit. Daar stond Joop, diep vernederd. Al zijn goede cijfers verdwenen in het niets. He was totally defeated.’

Zijn gebrek aan muzikaliteit verhinderde Den Uyl later niet zich voor te doen als een kenner en liefhebber van klassieke muziek. Den Uyls onhandige gebrom als bij partijcongressen de Internationale werd gezongen, werd dan ook geïnterpreteerd als schaamte van de voormalige gereformeerde jongen over dit archaïsche fenomeen uit de hem van oorsprong vreemde socialistische zuil.

Na de lagere school ging Den Uyl naar de HBS, afdeling A. Later is verondersteld dat hij overwoog Nederlands of theologie te gaan studeren. Maar voor theologie had hij, net als Deenick, voor de gymnasiumafdeling moeten kiezen. Hij wilde echter economie studeren. Deenick was ervan overtuigd dat hij toen al goed wist wat hij wilde: ‘Zoals ik de preekstoel op het oog had, had Joop toen al de Tweede Kamer op het oog, en meer dan dat: een ministerschap, en eigenlijk het premierschap.’

Dat Den Uyl ‘a loner’ en ‘een doodgewone, maar wat eenzame gereformeerde jongen’ was, zoals Deenick stelde, werd bevestigd door andere oud-klasgenoten, die hem zich herinnerden als een grijze muis. Mede door zijn sociale isolement ontwikkelde Den Uyl een leeswoede. Maar Deenick had de indruk dat hij vooral was geïnteresseerd in de inhoud van de moderne literatuur van toen, niet in de schoonheid. Beiden zagen de moderne literatuur ‘ten dele als heidendom dat we moesten verwerpen; ten dele waren we er ook door gefascineerd: zo dacht dus een ongelovige wereld’.

Anet Bleich veronderstelt dat zijn literaire gerichtheid getuigt van stille opstandigheid. In werkelijkheid was het vooral een generatiekwestie. Na de oorlog schreef Den Uyl aan de PvdA-ideoloog Banning dat zij elkaar nooit zouden kunnen begrijpen, omdat Banning vóór de Eerste Wereldoorlog was opgegroeid en hij erna. Banning had daardoor een in Den Uyls’ ogen naïef optimistisch mensbeeld en miste de vitalistische dadendrang die kenmerkend was voor zijn eigen generatie. Zo werd het in de jaren twintig en dertig ook algemeen gezien. In heel Europa was onder jongeren een nietzscheaanse levenshouding en vogue. Ook in het gereformeerde milieu was het niet uitzonderlijk een groots en waarachtig leven na te streven, en platte genoegens te verachten.

Dat milieu was bovendien veel minder benepen en afgesloten dan vaak wordt gedacht. Den Uyls middelbare school meende dat de leerlingen maar beter konden worden geconfronteerd met de moderne stromingen in wetenschap en literatuur. Als ze niet op de zuigkracht van het heidendom waren voorbereid, zouden ze later gemakkelijker hun geloof verliezen.

Later vertelde Den Uyl dat hij al vroeg moeite had met het gereformeerde geloof. Ook Anet Bleich signaleert dat. Maar Deenick heeft nooit gemerkt dat Den Uyl er meer mee worstelde dan anderen. ‘We hadden allemaal geloofsproblemen. Als tiener had hij uiteraard vragen over de uitverkiezing. Daar argumenteerden we over, zowel thuis als op catechisatie. Later kregen we moeite met de grondslag van het geloof; de uitleg en de betrouwbaarheid van de bijbel, de vaststelling van de canon etcetera. Argumenteren was een wezenlijk onderdeel van de opvoeding.’

Den Uyl was ook niet opstandig tegenover dominees. Deenick ontkende het verhaal dat Den Uyl na klachten over zijn gedrag op catechisatie zou zijn overgeplaatst naar een andere predikant. ‘Dan zouden we allemaal wel voor overplaatsing in aanmerking gekomen zijn. Maar zo ging het niet.’ De vrienden waren volgens Deenick onvoorstelbaar braaf. ‘U hebt geen idee wat voor degelijke jongens we waren. Toen we tijdens onze fietstocht naar en van Parijs onderweg onze boterhammetjes aten aan de kant van de weg, zeiden we eerst keurig ons gebed, en na het eten namen we ons bijbeltje om een stukje te lezen. Daarna volgde weer een stil gebed. Op zondag zijn we in Parijs met de metro naar de Hervormd/Gereformeerde Gemeente van Parijs geweest voor onze kerkdienst in het Nederlands. Was een hele uitzoekerij om het te vinden.’

Deenick meende dat Den Uyl het helemaal niet moeilijk had met zijn gereformeerde achtergrond. ‘Als u het mij vraagt, is dat allemaal fixatie achteraf. Joop was er even comfortabel mee als wij allemaal.’

Ook dat Den Uyl al sociaal voelend was, zoals vaak is beweerd, heeft Deenick niet gemerkt. ‘Zover ik kan zien, is dat pas later gekomen, gedurende de oorlog’. Zijn zus Map geloofde evenmin dat Den Uyl al sociaal bewogen was. Hij heeft ooit wel tegen haar gezegd dat hij later wat aan de werkloosheid zou doen, maar dat deed hij toen hij zich ergerde aan rondhangende werklozen in Hilversum. Uit zijn archief blijkt dat hij arbeiders materialisme en platheid verweet. De werkelijke nood was niet materieel, maar moreel, schreef hij, waarmee hij doelde op het door hem gesignaleerde gebrek aan nationale trots en aan besef van nationale lotsverbondenheid.

Veelzeggend is ook de grote, door zijn biografe onvoldoende onderkende rol die Het Fascisme en de Nieuwe Vrijheid van Jacques de Kadt zou spelen bij Den Uyls overgang naar het socialisme. De Kadt schreef minachtend over de arbeiders en het ‘maagsocialisme’ dat hun materiële noden en ‘kleine pretjes’ centraal stelde. Dit joeg de intellectuelen naar het fascisme, dat tenminste begreep dat zij zich boven de massa wilden verheffen.

De studie economie begon Den Uyl dan ook niet omdat hij sociale problemen wilde oplossen. Zijn studievriend Jan Schoonderbeek vertelde me dat de studie voor hem slechts een middel was om tot de politiek te komen. Hij bleef geregeld weg bij colleges, vaak omdat elders interessantere colleges werden gegeven. Hij meed economieclubjes en beperkte zich tot de hoogst noodzakelijke literatuur. En Keynes las hij zeker niet.

Den Uyl zag de studie als een onaangename opgave. ‘Ik zit voor de examenstof als een verzadigd kind voor een rijstebrijberg die het móet opeten’, schreef hij in 1938 in een brief aan Schoonderbeek, die hem min of meer door de studie sleepte. Den Uyl gebruikte zijn collegeaantekeningen en uittreksels en liet zich door hem bijpraten.

Het beeld dat ik uit deze gesprekken kreeg van de jonge Den Uyl, wijkt sterk af van de beschrijving in het boek van Anet Bleich. Zij schetst Den Uyl als een opstandige puber met een groot medeleven met de sociaal zwakken en als een jongen die zich opgesloten voelde in het benauwende bouwwerk van regels en dogma’s van de gereformeerde wereld. Naar mijn indruk viel het met die opstandigheid, die sociale gevoelens en die benauwdheid nogal mee. Ook had Den Uyl veel minder belangstelling voor de economie dan Bleich denkt.

Hoe zijn die verschillen te verklaren? Voor een deel ongetwijfeld uit de bronnen. Bleich heeft niet meer met Deenick, Schoonderbeek en anderen kunnen praten. Ze haalde haar informatie over de tiener Den Uyl voor een belangrijk deel uit terugblikken van Den Uyl zelf en uit gepubliceerde interviews met mensen die hem als jongen gekend hebben, zoals zijn moeder en haar knecht. Maar die bronnen zijn nogal gekleurd. Den Uyl zelf had er belang bij de indruk te wekken dat zijn hart altijd al overliep van mededogen voor de arme sloebers. En ook zijn moeder en haar knecht zagen in de jongen graag de latere socialistische leider. Ze werden daarbij gevoed door journalisten die Den Uyl graag hielpen een gewenst beeld te creëren.

Maar bewijzen uit de tijd zelf van Den Uyls sympathie voor de minder bedeelden ontbreken in zijn archief. Net als die voor zijn vermeende interesse voor zijn studie en zijn onvrede over het beklemmende gereformeerde milieu.

Een tweede verklaring lijkt me dat Anet Bleich zich te veel heeft laten meeslepen door haar warme gevoelens voor Den Uyl. Ze is blijven steken bij een stereotiep negatief beeld van de gereformeerde wereld en heeft zich onvoldoende onttrokken aan haar onmiskenbare sympathie voor Den Uyl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden