Alleen tegen de wereld

‘Er bestaat niet zoiets als kunst, er zijn alleen kunstenaars’, beweerde de kunsthistoricus E.H. Gombrich een halve eeuw geleden. De manifestatie Der Kult des Künstlers in Berlijn laat de persoonsverheerlijking zien rondom de schepper, de visionair, de duivelsbezweerder....

Bijna elke maand is het ergens ter wereld wel raak, wordt een kunstenaar gehypet, theater gemaakt, geschiedenis geschreven. De oogst van de laatste maanden: Koons in Versailles (‘I have my finger on the Eternal’), Rothko in Tate Modern (‘most famous en best-loved artist’), Warhol in de Hayward Gallery (‘zoals we hem nooit eerder zagen’). Nederland mocht zich intussen verheugen over het theaterstuk rond Damien Hirst; diens met diamanten belegde overwinning op de dood is breeduit gemeten in alle media, inclusief zeldzame audiënties bij de meester op zijn atelier in Londen.

De cultus van de kunstenaar is niets nieuws, geen uitvinding van de mediamaatschappij en de daarbij horende marketingmachine. Al eeuwen overleven kunstenaars dankzij de mythes die zijzelf en de kunstliefhebbers rond hun persoon creëren. ‘Er bestaat niet zoiets als kunst, er zijn alleen kunstenaars’, beweerde de eminente kunsthistoricus E.H. Gombrich al een halve eeuw geleden. De musea in Berlijn zeggen het hem na in het kader van de grote manifestatie Der Kult des Künstlers (de cultus van de kunstenaar). Ten afscheid van General Direktor Peter-Klaus Schuster van de Berlijnse musea zijn er liefst tien tentoonstellingen ingericht waarin alle moeite wordt gedaan om aan te tonen dat kunstenaars zonder eigen mythologie geen leven hebben, laat staan een eeuwig leven.

Geen Hirst in Berlijn, noch zijn fonkelende schedel, maar wel enkele van de rumoerigste kunstenaars uit de laatste decennia. Blikvangers zijn grote solo’s met Joseph Beuys, Jeff Koons en Andy Warhol. Paul (‘Ich bin Gott’) Klee en Hans von Marées worden gefêteerd, er zijn groepstentoonstellingen rond deelthema’s, en in het Kulturforum is de kernachtige essayistische tentoonstelling Unsterblich ingericht waarin diverse mythische rollen van de kunstenaar op ietwat schoolse wijze worden nageplozen, bijna als excuus voor zoveel persoonsverheerlijking bij elkaar.

Allerlei kunstenaarsclichés trekken voorbij in Berlijn. Vooral in Unsterblich staan ze keurig naast elkaar genoteerd, als recepturen uit het grote carrièrekookboek. De kunstenaar passeert er als halfgod en schepper, visionair, martelaar, melancholicus en duivelsbezweerder. De mythologische kunstenaars Pygmalion (die verliefd wordt op zijn eigen creatie) komt langs, net zo goed als Prometheus (de godenzoon die mensen schiep naar zijn beeld en Zeus tartte met het stelen van het vuur). Er is de te verwachten dosis zelfoverschatting (Markus Lüpertz) en zelfverachting (Arnulf Rainer). Een vleugje ironie, in een uitgebreide fotoserie van Sigmar Polke, kolderiek dwepend met zijn bovennatuurlijke gave. En een voorbeeld van schitterende eigenwaan, in een zelfportret van Nicolas Poussin, in zijn tijd (de 17de eeuw) al succesvol schilder met opdrachten aan het hof, die zich niettemin liever als denker afbeeldt, met pen en boek in de hand.

Veruit het omvangrijkst is de afdeling ‘dood’, waarin wordt gezinspeeld op de crux van elke kunstenaarsmythe, zijn overwinning op de dood. Kunstenaars, zo wil de overlevering, zijn een soort intermediairs tussen het tijdelijke en het eeuwige. Zij leven door waar anderen allang het loodje hebben gelegd. Zoals de 19de-eeuwer Arnold Böcklin, die rustig doorschildert aan een zelfportret terwijl een doodshoofd over zijn schouder de viool bespeelt.

Meest memorabel in Unsterblich is een glorieus portret van Jörg Immendorf, dat hij kort voor zijn dood in 2007 heeft geschilderd. De aan de spierziekte ALS lijdende kunstenaar beeldt zich af in een verduisterd atelier, zittend aan tafel, de kaars is bijna opgebrand. Van de kunstenaar is weinig meer over. Hij is een schim van wat hij ooit was, letterlijk een lichaam in negatief, zwart, alsof hij de tocht naar gene zijde al heeft gemaakt. Overgebleven is slechts het gezicht, de tronie die aan het lichaam vastzit als een masker – kenden wij ooit zijn ware gezicht?

Het zwarte lijf is gehuld in een Duitse adelaarsfiguur met oude grafiek als opdruk, dat zich als een mantel om hem heen vouwt en zijn nagedachtenis zorgzaam opneemt in de nationale geschiedenis. De kunstenaar heeft een palet in zijn hand, symbool van onsterfelijkheid, als tegenwicht voor het naderend einde zoals uitgebeeld met de kaars. Het lijkt net alsof de verf op het palet zijn tong uitsteekt naar de kaars, spottend met diens eindigheid.

Er is in de Berlijnse manifestatie een kunstenaar die, overeenkomstig zijn roem, alle aandacht opeist: mythemagnaat Joseph Beuys. In de Hamburger Bahnhof is een groot retrospectief aan hem gewijd en de kranten staan er bol van. Laaiend enthousiast is iedereen over dit eerste grote Duitse retrospectief in twintig jaar van de onbetwist belangrijkste naoorlogse Duitse kunstenaar. Beuys wordt er neergezet als homo universalis, alleskunner en alleswiller. De natte droom van de Kult des Künstlers-curator: heroïsch schepper, visionair, onvermoeibaar idealist, mysticus, pedagoog en politiek activist, immer in verzet tegen de heersende rationaliteit.

In de Hamburger Bahnhof wordt aan de hand van allerlei film- en televisieopnames, die worden vertoond tussen enkele grote installaties, een verloren gewaand leven gereanimeerd. Ineens zijn de beroemde lege vilten pakken weer bemand, wrijft de kunstenaar zijn hoofd over een klomp vet om er via zijn warmte vorm aan te geven, sta je met Beuys te midden van studenten op de barricade in een actie op de kunstacademie van Düsseldorf.

Typerend voor de tentoonstelling is een tv-debat voor de WDR uit 1970 waarin Beuys, hoed af met dat rare vliegeniersjackje van hem, achter tafel zit tussen allerlei keurige Herr Doktor Professoren, stuk voor stuk van naam en faam. Hevig bezweet zit hij daar, orerend, protesterend, zuchtend over al het onbegrip bij de andere sprekers en het evenzo vijandige publiek. In z’n eentje tegen de wereld. Zo zien ze de kunstenaar graag in Duitsland.

Het retrospectief van Beuys is imponerend, aanstekelijk zelfs, maar het is ook het moment waarop de mythologisering van de kunstenaar, waar de Berlijnse musea zich tot dan ongeremd aan hebben overgegeven, zich langzaam tegen de organisatie begint te keren. Met name bij het zien van de schaamteloze dweperij rond Beuys dringt zich als vanzelf de vraag op wat de organisatie nu eigenlijk wil beweren met deze naar idolatrie neigende persoonlijkheidsverheerlijking? Wat voor eigenaardige agenda wordt hier gevolgd? Wat voor kunstenaarsideaal wordt hier gepredikt? Wil Berlijn dat iedereen weer gaat geloven in de 19de-eeuwse cultus van het genie, met de kunstenaar als onaantastbare halfgod?

Juist bij Beuys speelt die kwestie op, aangezien het twintig jaar na zijn dood hoog tijd wordt deze ijdele, immer controversiële praatjesmaker en zelfverklaarde goeroe, met zijn ietwat warrige verhaal van liefde en warmte, eens op zijn prestaties te toetsen. Ook Beuys was een kind van zijn tijd, heeft zijn denken en doen voor een belangrijk deel gebaseerd op zijn culturele omgeving waarbinnen hij opereerde, en is in die zin allerminst de unieke artistieke persoonlijkheid die Berlijn nu van hem maakt.

In het Duitse kunstblad Monopol verscheen rondom de opening van de manifestatie, eerder afgelopen herfst, een fel stuk van kunstprofessor Beat Wyss, waarin Beuys, vrijwillig lid van de Hitlerjugend, wordt beschreven als halve nazi, zij het een met antroposofische sympathieën. Ook Peter Weibel, directeur van ZKM in Karlsruhe, keerde zich in de krant Die Welt in felle bewoordingen tegen de verheerlijking van Beuys, die hij een verachtelijke charlatan vindt.

Niet alleen Beuys moet het bij Weibel ontgelden. De gehele Berlijnse manifestatie krijgt er bij hem van langs. Hij vervloekt de wijze waarop de musea bezig zijn zich uit te leveren aan celebrity-cultuur, vrezend dat als de Kult der Künstler de nieuwe norm wordt ‘homestories en bedgeheimen’ de plek gaan innemen van de serieuze wetenschappelijke analyse van kunst. ‘Beroemdheid’ wordt het beslissende criterium bij de mate van aandacht die aan de kunstenaar gegeven wordt, in plaats van de kwaliteit van zijn werk. Weibel ziet de manifestatie als teken dat de markt meer en meer grip krijgt op het museumwezen.

De organisatoren voelden die kritiek vermoedelijk aankomen, en hebben, om hun critici voor te zijn, in een achterzaal bij de Hamburger Bahnhof een soort ‘anticultus’-tentoonstelling ingericht waar blijkt dat de kunstenaars zelf de afgelopen honderd jaar de felste tegenstander van de cultus rond hun persoon zijn geweest. Met name in het laatste decennium van de 20ste eeuw is de mythische kunstenaar in zijn diverse min of meer geniale hoedanigheden fors onderuitgehaald.

De tentoonstellingsannex Ich kan mir doch nicht jedem Tag ein Ohr abschneiden* (Ik kan toch niet elke dag een oor afsnijden) stelt dat zo ongeveer iedereen behalve de kunstenaar bepaalt wat de betekenis van kunst is.

Hier is de kunstenaar geen unieke goddelijke schepper meer, geen bovennatuurlijke visionair met een speciaal contract met de dood, maar een doodordinair radertje in een grote kunstmachinerie. Volgzaam doet hij wat het systeem hem dicteert te doen en bedient het publiek op de wijze dat het op dat moment bediend wenst te worden. Geen grote woorden, geen verheven praatjes, geen onsterfelijkheid; kunst is gewoon werk.

Was dat besef in de kunst van de jaren zestig in het werk van kunstenaars als Dan Graham en Adrian Piper nog gematigd zelfreflectief van toon, bij Andrea Fraser verandert het in een performance uit 2001 in een scherpe aanklacht tegen het kunstsysteem waaraan zij gedwongen is zich te onderwerpen. Ze legt haar eigen ondergeschikte positie genadeloos bloot door zich tijdens een door haar uitgesproken openingsspeech bij een tentoonstelling volledig uit te kleden.

Minstens zo cynisch toont Martin Kippenberger (1953-1997). In Heavy Burschi (1989-1991) heeft hij, spottend met de cultus van de oorspronkelijke kunstenaar, een assistent gevraagd enkele schilderijen te schilderen, op basis van het bestaande oeuvre. Waarna hij ze heeft gefotografeerd en vernietigd. De vernietigde werken worden in een afvalcontainer geëxposeerd, met daaromheen de uitvergrote foto’s.

In de tentoonstelling oogt de kunstenaar als een almaar tragischer slachtoffer van een systeem waar geen ontsnappen aan is. Heel letterlijk zelfs, in een video van Rodney Graham uit 2003, waarin de kunstenaar als gevangene met streepjespak onder toezicht van de agent geboeid en wel zijn riedeltje speelt op een piano. Niet raar dat de kunstenaar er aan het eind van deze tentoonstelling definitief de brui aan geeft. In Ugo Rondinone’s Where do we go from here, liggen vier enorme clowns met dikke buik laveloos op de vloer in een galerie. De kunstenaar weigert nog langer zijn kunstje te doen in het circus dat de kunstwereld geworden is.

Liever dan lang stil te staan bij deze kritische noot, dwalen de Berlijnse organisatoren rond door statige museumzalen vol mythische vertellingen, de een nog fantastischer dan de ander. Ondanks de kritiek uit de bijzaal in de Hamburger Bahnhof valt de gehele manifestatie het best te interpreteren als een neoromantische poging de persoonlijke autoriteit van de kunstenaar in ere te herstellen, nadat die door de generatie Kippenberger/Fraser in diskrediet is gebracht. Het lijkt zelfs alsof de organisatie de tentoonstelling Ich kan mir doch nicht jedem Tag* enkel in het programma heeft opgenomen om zich ertegen af te kunnen zetten. Weg met de cynische commentatoren, mythologie is wat ze willen!

Die restauratieve houding ten opzichte van het beeld van de unieke scheppende kunstenaar past perfect in een veel bredere neoromantische golf. Die trekt sinds een jaar of vijf door de internationale kunstwereld en wil het publiek doen geloven dat traditionele, in vroeger eeuwen geformuleerde waarden van kunst, ondanks honderd jaar van oproer en verzet, en ondanks alle actuele globalistische tendensen en hun ingrijpende effecten op het lokale culturele leven, nog geruststellend onaangetast overeind staan. Of dat waar is valt te betwijfelen, maar tegelijkertijd kun je het de musea niet echt kwalijk nemen dat ze volop investeren in kunstenaarsmythologie.

Want zeg nu zelf, gesteld dat kunst meer methode dan mythe zou zijn, met de kunstenaar in de rol van koele rekenaar en researcher, zonder een spoor van gekte en magie, wie zou dan nog naar het museum gaan?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden