Alleen 'multiboer' zal overleven

Steeds meer landbouwgrond wordt opgeofferd aan de verstedelijking. Volgens Pieter Vereijken ziet de toekomst er somber uit. Zonder EU-steun zijn de Nederlandse boeren gedoemd te verdwijnen....

SINDS 1980 is het aantal boeren (en tuinders) in Nederland gestaag gedaald van 145 duizend tot 100 duizend nu. De gemiddelde leeftijd is gestegen van 50 naar 53 jaar. Weinig agrarische jongeren beginnen nog een bedrijf en velen zijn zelfs overgestapt naar een ander beroep. In beleidskringen zit men hier niet mee, zolang de landbouw economisch blijft presteren.

In de periode 1980-1999 leek dat inderdaad het geval: de totale agrarische productie steeg van 25 tot 35 miljard gulden. Maar bijna de helft van de huidige productie komt van de glastuinbouwers en hokveehouders, en vindt plaats op 1 procent (!) van de 2 miljoen hectare aan agrarisch land. De gezamenlijke productie van de melkveehouders en akkerbouwers steeg slechts van 12 naar 14 miljard. Deze traditionele sectoren zijn dus behoorlijk achtergebleven, maar gebruiken nog steeds 90 procent van de 2 miljoen hectare aan agrarisch land.

Kunnen ze hiermee doorgaan? Als 'monoboeren', dus als uitsluitend voedselproducenten, lijkt dat onwaarschijnlijk. De voornaamste reden is de noodzakelijke afbouw van Europese subsidies en marktbescherming, onder druk van het wereldhandelsoverleg en de uitbreiding van de Europese Unie met nieuwe lidstaten. Dit zal leiden tot minder inkomsten voor de boeren, tenzij ze hun bedrijf vergroten of het landgebruik intensiveren. Schaalvergroting is echter niet te financieren, gezien de steeds schevere verhouding tussen de kostprijs van het land en de prijzen die de producten opbrengen. Intensivering kan niet meer vanwege steeds strengere milieunormen.

Verder zal de afbouw van de marktbescherming de boeren blootstellen aan steeds scherpere concurrentie door buitenlandse collega's. Die collega's hebben het voordeel van lagere kostprijzen van land en arbeid en wellicht ook minder strenge milieunormen. Zij kunnen daarom wél groeien ter compensatie van de dalende prijzen op de wereldmarkt.

Vaak wordt gesteld dat de Nederlandse boeren de concurrentie aan kunnen door voortdurende vernieuwing van hun kennis en technologie. Inderdaad speelt dit een steeds belangijkere rol. Maar aangezien de boerenbevolking steeds verder vergrijst, is het een illusie te denken dat men op deze basis de buitenlandse collega's kan weerstaan.

De conclusie ligt voor de hand: als monoboeren zijn de Nederlandse melkveehouders en akkerbouwers gedoemd te verdwijnen. Als dat geleidelijk gebeurt, bijvoorbeeld in tien jaar, zal dat voor de economie geen ramp zijn. Evenmin voor de 65 duizend gezinnen; de jongeren vinden gemakkelijk emplooi elders en de ouderen kunnen een welvoorziene oude dag tegemoet zien als ze hun land te gelde maken.

Als om dezelfde redenen hokveehouders en glastuinders geleidelijk uit Nederland verdwijnen, is dat voor het landschap eerder een zegen dan een ramp. Want deze activiteiten zorgen niet alleen voor veel milieuproblemen, maar doen met hokken en kassen ook veel afbreuk aan de belevingswaarde van het landschap.

Maar als melkveehouders en akkerbouwers steeds meer het veld gaan ruimen, zal dat wél rampzalige gevolgen hebben voor het landschap. Tot nu domineren deze boeren het platteland met hun open en stille landerijen en bieden zo het nodige tegenwicht voor de oprukkende en steeds drukkere woon- en werkgebieden.

Als zij of hun erfgenamen in de komende jaren het land moeten verkopen, zal dat vaak in stukken gaan, en wel aan de hoogste bieders. Meestal zullen dat private partijen zijn, zoals beleggingsmaatschappijen, projectontwikkelaars, niet-agrarische bedrijven en vermogende burgers. (Zie ook de Volkskrant van 17 oktober).

Door hun komst zal het landschap verworden tot een mozaïek van landgebruiksvormen met veel minder openheid, rust en stilte. Niet alleen de agro-historische landschappen zullen zo worden aangetast, maar ook de hieraan verbonden functies. Landbouwgronden vertegenwoordigen ook natuurwaarden, zijn belangrijk voor de recreatie en voor de waterberging en -winning.

Als grasland en bouwland dreigen te verdwijnen, komen de (semi-) overheden en organisaties die verantwoordelijk zijn voor deze collectieve functies voor de keuze te staan het land op grote schaal op te kopen of de boeren te helpen overleven door met hen contracten te sluiten.

Grootschalige opkoop van agrarisch land ten behoeve van de hiervoor genoemde collectieve functies lijkt een weinig reële optie. Niet alleen ontbreekt tot nu toe de politieke animo om daarvoor geld beschikbaar te stellen. De boeren tonen ook weinig animo voor verkoop aan de overheid: liever houden ze de grond in gebruik zolang de hectareprijzen stijgen, om uiteindelijk aan de hoogstbiedende te verkopen.

De meest haalbare optie lijkt dus het sluiten van contracten met de boeren die gevestigd zijn in gebieden die van belang zijn voor de collectieve functies. Als voldoende aantrekkelijke vergoedingen worden geboden, moet het mogelijk zijn de boeren te verleiden tot de levering van een gezamenlijk pakket van collectieve 'plattelandsdiensten'.

Deelname aan zo'n gebiedscontract is allereerst aantrekkelijk voor de oudere boeren. Want instandhouding van landbouwgronden ten behoeve van natuur en landschap, recreatie en waterbeheer vereisen extensivering van het landgebruik en dat komt goed uit als de jaren beginnen te tellen. Wat nog gedaan moet worden, kan voor een groot deel worden uitbesteed aan jongere collega's en loonbedrijven.

Maar omschakeling van intensief monoboeren naar extensief 'multiboeren' is ook aantrekkelijk voor de jongeren die het agrarisch bedrijf graag willen voortzetten, als ze het maar kunnen combineren met een baan elders. Dus naarmate het multiboeren economisch en arbeidstechnisch aantrekkelijk wordt, kunnen meer agrarische ouderen en vooral jongeren voor landbouw en landschap behouden blijven.

Voor oud en jong is het bovendien aantrekkelijk dat de extensieve producten, voorzien van een keurmerk, een hogere prijs kunnen behalen ten opzichte van de wereldmarktprijs. Op dit moment levert pas een paar procent van de boeren plattelandsdiensten, meestal op het gebied van natuurbehoud of recreatie en bovendien op individuele basis. De eerdergenoemde collectieve functies kunnen pas goed worden gediend als ze ruimtelijk worden gecombineerd op voldoende grote schaal. Dit vergt samenwerking tussen de boeren in een bepaald gebied.

De verantwoordelijke overheden dienen op hun beurt tot overeenstemming te komen over het dienstenpakket dat zij willen en over de vergoeding daarvoor.

Pieter Vereijken is senior-onderzoeker multifunctioneel landgebruik bij Plant Research International, onderdeel van Wageningen Universiteit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden