Alleen maar behoefte aan helden

MET DE presentatie van de bundels Polderschouw en Binnenskamers is nu een einde gekomen aan de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO), die vier jaar geleden met enige ophef en vijf miljoen gulden overheidsgeld van start ging....

Het onderwerp, dat in de tijd van Zwitsers goud en de Liro-(non-)affaire de kranten vulde, is inmiddels volledig uit de belangstelling verdwenen. Sinds premier Kok verklaarde dat de opvang inderdaad niet best was geweest en vervolgens een aanzienlijk bedrag verdeelde, is de kwestie maatschappelijk en politiek afgedaan.

De Meelstreep, het in november gepubliceerde vuistdikke boekwerk dat de uitkomsten van het SOTO-onderzoek verwoordde, kreeg lovende recensies, maar maakte geen discussie los. Dat was vreemd, omdat het boek concludeerde dat de naoorlogse opvang, de omstandigheden in overweging genomen, heel behoorlijk was geweest. Eigenlijk had Kok ten onrechte excuses aangeboden. De politiek zweeg, de pers en de slachtoffers ook.

Deze 'stilte na de storm', zo zei historicus Jan Bank bij de presentatie van beide bundels, was wellicht te danken aan het gezag dat het SOTO-onderzoek uitstraalde. Net als bij eerdere affaires - Menten of Weinreb bijvoorbeeld - had een degelijk onderzoek iedereen overtuigd. Het zou mooi zijn als het zo was, maar misschien toont het geruisloos aflopen van de SOTO vooral aan dat, toen er eenmaal excuses waren aangeboden en geld was uitgedeeld, niemand meer erg geïnteresseerd was in de historische werkelijkheid. Slachtofferschap was erkend, maatschappelijke onrust gedempt, en of dat allemaal objectief gezien ergens op sloeg, deed er niet toe.

De tientallen historici die voor de SOTO werkten, presenteren in Polderschouw en Binnenskamers hun onderzoek. Dat is enigszins ondankbaar werk, omdat de meest saillante uitkomsten al in De Meelstreep waren verwerkt. Desalniettemin valt er uit deze bundels heel wat op te steken.

Over slachtofferschap bijvoorbeeld. De Belgische historicus Pieter Lagrou heeft er eerder op gewezen, en ook uit deze bundels blijkt het zonneklaar: Nederland had na de oorlog geen zin in slachtoffers. Een land dat eerst door vreemden was bezet en vervolgens door vreemden bevrijd, had behoefte aan action heroes van eigen bodem. Als er dus terugkerenden met bijzondere egards werden behandeld, dan waren dat de vechters: oud-krijgsgevangenen en de ex-politieke gevangenen.

Het waren ook deze groepen die relatief geavanceerde geestelijke hulp ontvingen, zo laat Annet Mooij zien in een bijzonder geslaagd artikel in Binnenskamers. Anders dan vaak gedacht, was vlak na de oorlog wel degelijk bekend dat trauma's veel later tot psychische klachten konden leiden, en dat deze behandeld konden worden met psychotherapie. Deze werd toegepast op twee plekken: in militaire hospitalen, en in herstellingsoorden voor oud-illegalen.

Bij die therapie, vermeldt Mooij in een saillant terzijde, was het vrij gebruikelijk te veronderstellen dat de psychische problemen van de patiënt niet alleen voortkwamen uit de oorlog, maar ook uit hun eigen karakter en achtergrond. De bovenmodale geldingsdrang bij sommige verzetsmensen bijvoorbeeld bemoeilijkte hun terugkeer in de normale wereld. Onverwerkte jeugdproblemen zouden door de oorlog aan de oppervlakte kunnen komen. De patiënt, kortom, was niet alleen maar door invloed van buitenaf in de knoop geraakt. De afkeer van slachtoffers brak vooral de joden op. Terwijl zij onvergelijkbaar meer hadden geleden dan andere groepen, en terugkeerden in een gedecimeerde en ontredderde gemeenschap - een joods-Amerikaanse hulporganisatie rapporteerde vlak na de bevrijding dat de joodse gemeenschap in Nederland eigenlijk onder curatele gesteld moest worden - riepen hun belevenissen geen sympathie op. Ze waren niet vervolgd om wat zij deden, maar om wat zij waren.

De meeste joodse overlevenden hadden het vege lijf gered door jarenlang, geheel afhankelijk van niet-joden, zo stil mogelijk in een hoekje te blijven zitten. Dat was niet het rolmodel waarmee men het land weer op zou bouwen. De vereniging van ex-politieke gevangenen Expogé weigerde, anders dan haar zusterorganisaties in het buitenland, om joden op te nemen. In verschillende steden bekommerden de hulporganisaties zich eerst om degenen die zich hadden verweerd, daarna pas om de rest - inclusief de joden.

Het lot van de joden werd ook nauwelijks besproken, zo blijkt uit een viertal goede artikelen in Polderschouw over de stemming in naoorlogs Nederland. Zowel kranten als tijdschriften, met name de confessionele, besteedden zo weinig aandacht aan de shoah, dat het de vraag is hoeveel de gemiddelde Nederlander er eigenlijk van wist. Of wilde weten: antisemitisme bestond nog altijd. Lelijke verhalen deden de ronde over inhalige, slinkse, verraderlijke, neurotische, kortom: 'typisch joodse' onderduikers. Die verhalen vervulden ook een functie, stelt Eveline Gans in Polderschouw: als die mensen toch niet deugen, is het niet zo erg dat we ze hebben laten stikken. Het was aangenaam te denken dat het slachtoffer zijn leed aan zichzelf te danken had.

Slachtoffers, kortom, waren na de oorlog niet populair. Maar dat veranderde. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig kreeg men oog voor de psychische littekens die de oorlog op honderdduizenden had achtergelaten; niet alleen getraumatiseerde oud-illegalen of militairen, maar ook joden, tewerkgestelden, Indischgasten, zelfs NSB-kinderen. Belangengroepen schoten als paddestoelen uit de grond. Eindelijk kregen alle 'oorlogsgetroffenen' erkenning van hun leed, via zorg en een heel stelsel van uitkeringen en bijzondere pensioenen.

Dat was mooi, maar er zat een keerzijde aan. Wat erkenning opleverde was immers niet het doorstane leed in het verleden, maar het resterende leed nu. Wat erkenning opleverde, was het trauma. Leed loonde, slachtofferschap kreeg een aura. 'Organisaties van oorlogsgetroffenen die streven naar erkenning, koesteren dat lijden dan ook als een blijvende toestand', merkt Mooij moedig op. Dat het lijden ook te maken zou kunnen hebben met andere zaken dan de oorlog en de nasleep daarvan, is inmiddels taboe. Het slachtofferschap is totaal geworden.

Als de geschiedenis van de SOTO iets aantoont, is het wel de status van slachtoffers. Wanneer zij zich met klachten over het verleden tot de overheid richten, geeft die overheid hen gewoon gelijk. Wat historici er ook van zeggen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden