Alleen in helder water zie je diepte

Een afkeer van bombast, dat hadden Komrij en Kopland allebei


Het gaat snel met die generatie. Nu is Rutger Kopland ook al dood. De dichter van wie iedereen hield, en terecht. Ook mensen die zelden een dichtbundel openslaan. Zijn gedichten zijn zo toegankelijk, dat ze bijna voor scheurkalenderpoëzie kunnen doorgaan. Ze lijken tegelijk zo diepzinnig dat poëzie-exegeten graag hun tanden erin zetten.


Zo begrijpelijk zijn ze niet, die gedichten, anders wil je ze niet zo vaak herlezen. Kopland leed niet aan de voorgeschreven angst dat poëzie wel eens zou kunnen ontroeren. Zijn gedichten ontroeren hevig en zonder gêne. Toch zijn ze opgetrokken uit taal, niet uit gevoel.


Koplands poëzie cirkelde altijd om het niet-begrijpen: waarom we hier zijn, wat de bedoeling is van dit alles. Van de liefde, kinderen en dan de dood. Dat we er net zo goed helemaal niet geweest kunnen zijn, als straks niemand zich ons herinnert. De diepzinnigheid zit bij Kopland aan de oppervlakte, precies waar ze hoort. 'Alleen in helder water zie je diepte.'


Ik was nog werk aan het herlezen van die andere dode dichter, Gerrit Komrij. Drie van zijn boeken in mijn kast zijn stukgelezen. Het zijn geen dichtbundels en geen romans, maar Daar is het gat van de deur (1974), Papieren tijgers (1978) en Heremijntijd (1978), bundels met 'kritieken'.


Komrij had op veel kritiek, maar toch vooral op domheid, gezwatel en gewichtigheid in de literatuur. Hij schreef geen doortimmerde betogen over het wezen van dit of dat, hij sabelde zijn slachtoffers snel en doeltreffend neer: 'Sadomasochisten en Nederlandse dichters hebben één ding gemeen: ze kunnen geen lach verdragen. Ze doen alles met heilige, verbeten ernst. Met een hogepriesterlijke toewijding, en een gezicht dat op onweer staat, bevestigen ze een dozijn wasknijpers aan een vagina of tien dubbele bodems aan de taalschat.'


Als dit óók recensies waren, dan lustten wij, studenten Nederlands, er wel pap van. Al dat gezanik over thema's, motieven, topen en vertelperspectieven hoefde dus helemaal niet. Had ons dat eerder verteld! Je kon gewoon, in de krant, schrijven dat de poëzie van Hugo Claus - Claus! - 'van een rondborstige hitsigheid nét naast de roos' was. Of over Sneeuw van Bernlef: 'Er komen (...) drie kleinigheden in voor die me niet bevallen: het verhaal, de stijl en de zogenaamd onderliggende gedachtegang.'


Soms was hij preciezer. Met een vlijmscherp mesje ontleedde hij de eerste alinea's van Jessica van Hugo Claus, De kus van Wolkers en het verhaal 'Oude lucht' van Mulisch. 'Wie ondoorgrondelijk schrijft kan ook niet denken. 't Is een ijzeren wet.' Er klopte inderdaad geen hout van die opeenvolgende zinnen van deze Grote Schrijvers. Dat was ook zo goed aan Komrij: hij pakte niet alleen weerloze debutanten. Later, ouder en milder, zou hij vriendschap sluiten met de gekwetste reuzen; ook hij, de nar, was een mastodont geworden.


Eén recensie kende ik vrijwel uit mijn hoofd, al voordat ik het boek, Een romance van Dirk Ayelt Kooiman, had gelezen. Onder de titel 'Over het beste boek van de eeuw' bejubelde Komrij de roman met alle denkbare recensieclichés. Het boek was 'onopgesmukt', 'een juweeltje van vertelkunst', had 'zielkundige verfijning' en de recensent eindigt met een verrukte zucht: hij 'kijkt reikhalzend uit' naar het volgende boek. Kooiman was doodgemaakt. Zijn roman viel trouwens alleszins mee.


Zo moest dat dus. Een recensie kon een pastiche zijn, een scheldkanonnade, een maskerade. Enthousiast gingen we Komrij nadoen, in ons schrijfgroepje. Het mislukte jammerlijk.


Nu valt me op dat Komrij ook ontzettend goed kon bewonderen. Veel van de schrijvers van wie hij gehakt maakte, zijn dood, anderen vergeten. Maar de beginnende schrijvers die hij omhoogstak, waren precies de grote talenten van de jaren zeventig: Mensje van Keulen, J.M.A. Biesheuvel, Jan Arends, Bob den Uyl en F.B. Hotz.


Komrij en Kopland hadden weinig gemeen. Komrij hield emoties op gepaste afstand. Een afkeer van bombast hadden ze wel allebei, en een grote helderheid. 'Weggaan kun je beschrijven als/ een soort van blijven' - het is Kopland die een bruikbaar grafschrift leverde. Ik hoop voor beiden dat het waar is.


'Soms schrik ik wakker, in mijn bed, en denk/ Dan even dat mijn beeld stil naast mij ligt.' Kopland-achtige regels. Maar ze zijn van Komrij.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden