Alleen de studie telt

Van de studenten op de Nederlandse universiteiten neemt nog maar 10 procent de moeite om bij verkiezingen voor inspraakorganen een stem uit te brengen....

door Sander van Walsum

'HET ZIET ernaar uit dat wij de concurrentieslag met de combinatie werk en studie gaan verliezen.' Jan de Laat, vijfdejaars student politicologie aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) en lid van de centrale studentenraad, houdt kennelijk van understatements. De door hem voorziene slag is immers allang in zijn nadeel beslecht. Bij de recente verkiezingen voor universiteits- en faculteitsraden liet het gros van de stemgerechtigden het afweten. De UvA moest genoegen nemen met een opkomstpercentage van 11 procent (bijna een halvering ten opzichte van 1997). In Rotterdam, Utrecht en Maastricht togen nog minder studenten naar de stembus. Groningen en Wageningen scoorden gewoontegetrouw hoog met een opkomst van ongeveer 30 procent.

Maar het algemene beeld is eenduidig: het hoofdstuk van de studenteninspraak lijkt gesloten. Medezeggenschapsorganen kunnen geen legitimiteit meer ontlenen aan het handjevol studenten dat zich aan de heersende trend van non-participatie onttrekt. In Maastricht (opkomst: 7,9 procent) is al geopperd de stemplicht in te voeren. Een poging tot symptoombestrijding die tot dusverre weinig bijval heeft gekregen. Sterker nog: de grootste 'studentenpartij' op de UvA, Democratisch Initiatief Studenten (DIS), meent dat afschaffing van het stemrecht voor studenten de voorkeur geniet boven de aanhoudende pogingen de achterban te reanimeren.

De studenten om wie het gaat, lijken er niet om te malen. 'Ik werk vrij veel, en sta liever in de kroeg dan dat ik een bestuursvergadering moet bijwonen', erkent Mariska Koppeschaar (23), derdejaars student culturele studies en sociologie aan de UvA. 'De universiteit is voor mij een plek waar ik studeer en rondhang. Het vormt een ondergeschikt bestanddeel van mijn dagelijks leven.'

EN DAARMEE kenschetst zij de gangbare relatie van de student tot de universiteit: een vluchtig en zakelijk arrangement dat zijn agenda niet te veel dient te belasten. 'Helaas ontbreekt het hier aan een harde kern van studenten die meer willen doen dan studeren', erkent de vierdejaars politicoloog Yousef Ahmed. 'Het bestuur van de universiteit beschouwt de universiteit steeds meer als een bedrijf, logisch dat studenten dat ook gaan doen. Die komen hier alleen maar om te studeren. Ikzelf eigenlijk ook, ik werk als freelance journalist en heb een gezin.'

De Amsterdamse hoogleraar politicologie Jos de Beus huivert bij de kenschets van de hedendaagse student. 'Hij gaat elke betrokkenheid bij de universiteit uit de weg. Hij blijft thuis wonen, bij zijn ouders. Hij heeft hetzelfde vriendinnetje als op de middelbare school. Hij klust wat bij, en haalt zijn punten. Dit type student werkt aan de vernietiging van de universiteit. Hij ondermijnt elk academisch zelfbewustzijn.'

Hoe anders het ook klinkt: het is niet bedoeld als verwijt aan de studenten. 'Zij hebben tenslotte alle reden om tegen ons te zeggen: jullie zijn geen haar beter. Daarin hebben ze natuurlijk groot gelijk. De universiteit heeft zich altijd dienstbaar opgesteld tegenover haar omgeving, en heeft zelf geen identiteit. Logisch dat ze geen aanspraak kan maken op de betrokkenheid van de student. Het ene jaar laten we ons bij de opening van het academisch jaar de oren wassen door een kritische geest, het volgende jaar door een grootondernemer. De universiteit waait met alle winden mee.'

En dat is altijd zo geweest, meent De Beus. 'Ze begon als een soort HBS voor de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën, raakte beurtelings in de ban van kerk en politiek, en heeft altijd gepoogd om aan zichzelf te ontkomen.' Ook tijdens het ancien regime van ongenaakbare, soevereine hoogleraren en curatoren? De Beus aarzelt even. Maar hij vermoedt van wel. Als de oude garde het wezen van de Academie had belichaamd, zou ze meer weerwerk hebben geboden tijdens de studentenrevolte van de jaren zestig en zeventig. Maar ze was, integendeel, wankelmoedig. Ze ruimden - soms grommend, soms geknakt - het veld toen hun beproefde didactiek opeens geen genade meer vond bij de jonge generatie.

En die jonge generatie - waartoe ook De Beus zelf behoorde - posteerde zich in de voorhoede van de maatschappijkritiek. Soms uit overtuiging. Maar vaker omdat de mode dit voorschreef, of omdat er persoonlijke belangen mee waren gediend. Daarmee is echter niet gezegd dat de 'kritiese universiteit' het slechter deed dan haar waardevrije voorganger. 'Toen ik studeerde, kwam je nog geregeld hoogleraren tegen zich aan loos intellectueel exhibitionisme bezondigden. Nu zijn onderwijs en onderzoek meer gestructureerd, en zijn docenten aanspreekbaar op hun functioneren - zij het dat je het nog steeds heel bont moet maken om ontslagen te kunnen worden.'

Een - niet onbelangrijk - pluspunt wil De Beus echter nog wel toekennen aan het ancien regime. De 'oude mannen' van het curatorium en de academische Senaat waren fier op de universiteit, en alles waar zij voor stond. En aan dat zelfbewustzijn ontbreekt het nu volkomen, meent De Beus. 'De universiteit is verworden tot een soort passantenverblijf. Zelfs met goede studenten zijn geen afspraken te maken. Met al die bijbaantjes zijn ze immers voortdurend verhinderd. Dat is fout. Ontzettend fout.

'Een academische studie zou de totale overgave moeten vergen. Vier of, beter nog, vijf jaar lang. De student moet niet werken om den brode. Dat kan hij zijn hele leven nog. Hij moet lenen, zoveel als nodig is. Dat is een goede investering. Maar Nederlandse studenten willen dat niet. Ze worden gehinderd door een onoverkomelijke leenangst. Dat is de grootste flauwekul. Alles nemen zij over uit de Verenigde Staten, behalve de bereidheid om je eigen studie met geleend geld te betalen.'

Fransien van ter Beek, scheidend voorzitter van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb), ziet het baantje waaraan 80 procent van de studenten wekelijks zo'n tien uur kwijt is, weliswaar als een noodzakelijk kwaad, maar niet als de hoofdoorzaak van de verschraling van de universitaire democratie. Daarvoor houdt zij de MUB verantwoordelijk - de wet uit 1997 die de universiteiten in staat stelde zichzelf doeltreffend te besturen.

AAN DIE doeltreffendheid ontbrak het nogal ten tijde van de zogenoemde 'radendemocratie', het (uit 1969 stammende) stelsel waarbij de studenten tot medebestuurders van de instelling werden opgewaardeerd. Het gevolg van deze 'vlucht naar voren' was dat van ongeveer elk bestuur van elk universitair onderdeel een student deel moest uitmaken. Nog afgezien van het feit dat de animo voor dit soort vrijwilligerswerk al spoedig taande, waren studenten zelden berekend op de hun toebedeelde taken. Zeker als ze waren belast met zware portefeuilles als personeelszaken of financiën.

Ofschoon het studentenzelfbestuur zijn pretenties nooit heeft waargemaakt, zou Van ter Beek de huidige constellatie er ongezien voor inruilen. Ook tijdens de laatste jaren van de radendemocratie lieten de studenten het weliswaar massaal afweten bij verkiezingen, voor de laatsten der geëngageerden was de universiteit in elk geval minder onherbergzaam dan nu. 'De MUB werkt onverschilligheid in de hand', zegt Van ter Beek. 'Studenten geven wel degelijk om onderwijs. Sterker nog: zij zijn de belanghebbenden en ervaringsdeskundigen bij uitstek. Maar op hun inzichten wordt geen beroep meer gedaan. Logisch dat ze schijnen te denken: het heeft toch geen zin om je in te zetten voor de algemene belangen.'

MET EEN gemis aan mondigheid heeft dat niets te maken, meent Van ter Beek. 'De studenten roeren zich wel degelijk wanneer er grote belangen op het spel staan. Zo kwamen de studenten communicatiewetenschap in Amsterdam onlangs massaal in het geweer tegen de dreigende afschaffing van de derde herkansing. Maar meestal behartigen zij hun belangen op individuele basis. Daarmee wordt de gezamenlijke slagkracht natuurlijk wel ondermijnd.'

Het dominante individualisme sluit overigens goed aan bij de bestuurscultuur, zegt Van ter Beek. 'Ons grote bezwaar tegen de MUB is, afgezien van de uitsluiting van de student, dat het er tegenwoordig heel informeel aan toegaat op de universiteit. Dat klinkt aantrekkelijk, maar dat is het niet. Die MUB grossiert in vage termen als ''tijdig informeren'' en ''wezenlijke invloed'', maar over hun praktische betekenis ontstaat voortdurend begripsverwarring die binnen de grenzen van het harmoniemodel moet worden opgelost. En dat harmoniemodel voelt eerder als een knellend korset. Wanneer je als studentengeleding een geschillenprocedure wilt beginnen om duidelijkheid te verkrijgen, krijg je als reactie: ''Een procedure? Zó gaan we hier toch niet met elkaar om?'' Maar onder het mom van harmonie gaan de decanen, de grote winnaars van de MUB, hun eigen goddelijke gang.'

De LSVb staat in die kritiek overigens niet alleen. Ook in de evaluaties die de universiteiten naar het nieuwe bestuursmodel hebben uitgevoerd, wordt de groezeligheid van het informele bestuurscircuit gehekeld. Over de reële macht van de raden van toezicht - overwegend bestaande uit ondernemers - heerst alom onduidelijkheid. De invloed van de inspraakorganen is te veel afhankelijk van persoonlijke relaties ('ligt men elkaar een beetje?'). En het Gemeenschappelijk Overleg van Decanen heeft zich ontwikkeld van een informele praatclub tot een heus universitair machtscentrum. Zijn initialen, GOD, doen volgens critici recht aan het gedrag van de deelnemers.

Volgens De Beus doet de bestuursvorm van de universiteit niet zoveel ter zake zolang de soevereiniteit van de wetenschap wordt gewaarborgd. 'Je kunt je zelfs afvragen of democratie wel iets is voor een academische gemeenschap.' Wat hem in elk geval opvalt, is dat de moderne universiteit een onweerstaanbare aantrekkingskracht heeft op de middelmaat. 'Wat dat betreft, vormt ze een goede afspiegeling van de Nederlandse samenleving. De studenteninstroom wordt beheerst door mensen van de tweede garnituur, en in de raden en besturen zitten veel non-valeurs. Die lijken wel wat op Berlusconi. Die werd premier om te voorkomen dat hij in het gevang zou raken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden