Alle kanten van de geschiedenis

Hij kreeg het Nationaal Historisch Museum zo maar in de schoot geworpen. 'Geschiedenis wordt voor een bezoeker relevant als hij ziet dat het over hem gaat.'

Bij de vraag of er een Nederlandse identiteit bestaat, valt Pieter-Matthijs Gijsbers even stil. 'Moeilijke vraag. Nederlandse tradities bestaan. Het Nederlands bestaat, in allerlei varianten. Dus ja, ik denk dat de Nederlandse identiteit ook bestaat. Maar Nederland is eeuwen een land geweest van mensen on the move. Dat heeft het land gevormd, op allerlei terreinen. Het is geen in zichzelf gekeerde, afgebakende identiteit.'

Voelt u zich een Nederlander?

'Ik voel me in heel veel opzichten verbonden met Nederland. Ik denk dat ik ook veel van de Italianen begrijp, en van de Duitsers. Maar Nederland is toch het land dat je in alle subtiliteiten het beste doorgrondt. In hoeverre ik me Nederlander voel, wisselt eigenlijk van moment tot moment. Als ik met Duitsers communiceer, voel ik me een enorme Hollander; dan ervaar ik aan den lijve dat Nederlanders relaxed zijn, duidelijk en wars van protocollen. En ik voel ook wel verantwoordelijkheid voor dit land. Nu helemaal, met deze nieuwe klus.'

Deze nieuwe klus: dat zijn de taken van het Nationaal Historisch Museum, waarover lang en breed is gediscussieerd en dat er uiteindelijk niet komt. Ruim een week geleden maakte staatssecretaris Zijlstra (cultuur) bekend dat de opdracht om de vaderlandse geschiedenis aan een breed publiek te presenteren, naar het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem gaat. Pieter-Matthijs Gijsbers (1964) is daar sinds twee jaar directeur. In 2009 volgde hij Jan Vaessen op; daarvoor was hij directeur van Museumpark Orientalis, beter bekend als het Bijbels Openluchtmuseum.

Het Nederlands Openluchtmuseum: veel mensen zijn daar voor het laatst op een schoolreisje geweest.

'Ik kwam er ook toen ik in de vierde klas zat, niet met een schoolreisje maar met mijn ouders. Van dat eerste bezoek herinner ik me vooral de Delftse molen, midden in het weiland. En van het tweede bezoek, jaren later, de Zaanse buurt. In 2005 werd het Openluchtmuseum uitgeroepen tot Europees museum van het jaar. In de affiches die toen in de abri's hingen, werd volop gespeeld met de clichés dat het Openluchtmuseum alleen over het boerderijwezen zou gaan. En een paar jaar terug hebben we imago-onderzoek gedaan; toen bleek dat het beeld al heel erg is gekanteld.

'Maar ik zal niet ontkennen dat mensen die hier al een tijdje niet zijn geweest, nog steeds denken dat het hier een en al platteland, klederdracht en klompen is. Zo'n imago past zich geleidelijk aan de realiteit aan. Eind jaren tachtig dreigde sluiting, in 1991 werd dit het eerste verzelfstandigde museum en vanaf dat moment is er ook inhoudelijk veel veranderd. Toen is besloten dat het museum niet meer strikt over vormen en materialen en bouwtechnieken moest gaan, maar ook over de mensen die in die tijd in die gebouwen woonden, en de vraag hoe ze leefden. De menscomponent: daar zit een heel grote succesfactor.'

Dat is allemaal door uw voorganger gedaan.

'De grote klus was al geklaard. Ik trad in de voetsporen van een directeur die een uitzonderlijk succesvol transformatieproces had geleid, en dat is altijd een beetje een riskante onderneming.'

Wat kunt u nog toevoegen?

'Waarom ik graag hier wilde werken, was vanwege de migratienota - die er overigens ook al lag. In 2005 zijn ze hier heel pragmatisch gaan bedenken: in 2020 ziet de bevolking van Nederland er zus en zo uit, met een bevolking die voor een substantieel deel zijn wortels in andere landen heeft. Als je daar niet in meegroeit, dan ben je in 2020 daadwerkelijk een museum van het historische Nederland. Dan word je een fossiel. Toen is de keuze gemaakt om de verhalen te verbreden, en daarmee ook nieuwe doelgroepen aan te spreken. Die migratienota werd in 2009 van kracht.

'In mijn vorige baan was ik ook met migratie bezig; toen ging het over religie, over zichtbaar maken hoe in andere culturen met geloof wordt omgegaan, laten zien dat er niet één manier van denken bestaat. De vraag hoe je in een veranderende samenleving op een open wijze, die ook best kritisch mag zijjn, tradities van je zelf en die van anderen tegen het licht moet houden, heeft me altijd geboeid.

'Wanneer je vanuit je eigen opvoeding alleen maar hoort dat jouw opvatting de juiste is, of zelfs superieur aan andere, en je weet ook dat dat heel erg haaks staat op het democratisch principe van een samenleving, dan moet je daar als individu stelling tegen kunnen nemen. Maar daar heb je argumenten bij nodig. Ik denk dat een culturele instelling als een museum een plek moet zijn waar een bezoeker argumenten en criteria verzamelt die hem van dienst kunnen zijn bij het ontwikkelen van zijn eigen mening. Dat klinkt hoogdravend, maar zo zie ik het ongeveer.'

Hoe bent u zelf opgevoed?

'Katholiek, maar heel liberaal. Ik heb op het Canisius College in Nijmegen gezeten, dat toen nog een jezuïetencollege was. In de jaren zeventig.'

Ach. Nou, vertel het maar.

'Nee hoor, ik ben nooit misbruikt. Het was een geweldige school. Het katholicisme was nooit zo'n item, het was iets heel vanzelfsprekends. Zelf nadenken over religie deed ik pas later; vooral in mijn Orientalistijd. Die jaren zeventig waren echt een heel andere tijd dan nu. Het was een na-wave van de sixties. Ik was een klein jongetje; als ik in de kerk was en we stonden te zingen, zag ik alleen maar achterzakken van Wranglers en Levi's. Dat was mijn horizon.

'Op het jezuïetencollege was een praatcafé, er werd geblowd, er werd popmuziek gedraaid, er was niet zoveel reden om je tegen het katholicisme af te zetten. De paters die godsdienstlessen gaven, heb ik nooit de naam Ignatius van Loyola horen noemen - dat is de stichter van de jezuïetenorde. Überhaupt werd er niks over jezuïeten verteld. Wel leerden ze ons van alles over boeddhisme en hindoeïsme. Die jezuïeten waren mondiaal georiënteerde lieden.

'Toen ik 16 werd, stuurden mijn ouders mij met mijn oudere neef Roeland naar Rome. Het was het Bernini-jaar, en Rome maakte een verpletterende indruk op me. Het was nog het oude Rome, de okeren stad; nu is alles opgeschilderd en is het een toeristisch walhalla. Vanaf dat moment wilde ik alleen nog maar in Italië, en het liefst in Rome, met kunstgeschiedenis bezig zijn. Dus ben ik kunstgeschiedenis gaan studeren, en me gaan toeleggen op de architect en beeldhouwer Bernini. Ik zou ooit op hem gaan promoveren en dat gaat er ook wel een keer van komen, alleen nu nog even niet.

'Bernini was ongelooflijk ambitieus, een alleskunner. Hij leefde in de 17de eeuw, en dat moet een mooie tijd zijn geweest, vol wetenschappelijke ontdekkingen; maar het was ook een verschrikkelijke en vernietigende tijd, met de Dertigjarige Oorlog, de Tachtigjarige Oorlog, voortdurende geloofstwisten. Ik zal niet beweren dat ik een speciale voorkeur voor die eeuw heb, helemaal niet; ik vind de periode van de wederopbouw minstens zo interessant. Maar mijn helden zijn wel 17de eeuwers als Bernini en Spinoza. Figuren die in een heel dominante cultuur tot wasdom komen, en zichzelf toch voortdurend fundamentele vragen durven stellen, al vervreemdt hen dat van hun nest.

'Die gedachte dat je zelf een oordelend vermogen moet ontwikkelen, dat je op basis van argumentatie je keuzes moet maken, heb ik altijd in mijn achterhoofd, ook in mijn werk bij het Nederlands Openluchtmuseum. We hebben bijvoorbeeld een Molukse barak, oorspronkelijk was dat de beheerderswoning uit Lage Mierde, waarin de geschiedenis van de Molukkers werd verteld. Maar de gijzelingsacties van de treinen in Drenthe en de school in Bovensmilde in de jaren zeventig kwamen maar heel terloops ter sprake. Nu zijn er in die barak filmpjes te zien waarin drie mensen, onder wie een van de kapers en een treinpassagier, hun verhaal van toen vertellen. Het zijn belangrijke momenten in de geschiedenis geweest, en ik vond het raar om dat te verzwijgen of weg te stoppen. Ik laat liever zo veel mogelijk kanten zien. Het nadeel van die veelkantigheid vinden sommigen dat je dan dus niet altijd eenduidig bent. Maar ik vind dat je als museum niet te sturend moet zijn.'

Jullie moeten samen met het Rijksmuseum een 'materiële presentatie' van de canon van de Nederlandse geschiedenis ontwikkelen. Die canon is tamelijk sturend.

'Die canon in itself is niet zo sturend, die is bedoeld als een serie argumenten om beter te kunnen oordelen over de geschiedenis, het functioneren en de eigenaardigheden en gevoeligheden van het land. Over hoe we het gaan invullen is nu nog weinig te zeggen.'

Waarom is het belangrijk te laten zien hoe het dagelijks leven in Nederland er vroeger uitzag - dat doen jullie nu - en wat de geschiedenis van dit land is, jullie nieuwe opdracht?

'Dan kom je toch bij begrippen als zelf-reflectie en zelfonderzoek. Ik denk dat het heel moeilijk is om jezelf te begrijpen. Als ik naar mezelf kijk: ik ben 47 jaar, en ik denk na over vragen als 'waarom handel ik zoals ik handel, waardoor is dat bepaald, wat heeft me gemaakt en gevormd tot wat ik ben? Welke overleveringen zitten er allemaal in me?' Je afkomst speelt een rol. Wanneer je daar iets van weet, wordt je begrip helderder en duidelijker en stemt het je milder, of wijzer. Geschiedenis wordt voor een bezoeker relevant als hij ziet dat het over hem gaat.

'Ik ben een grote fan van de televisieserie Heimat van Edgar Reitz. Daar wordt de geschiedenis heel mooi verteld aan de hand van kleine, individuele verhalen. Dat doen we hier ook. Het museum neemt telkens het verhaal van een individu als uitgangspunt, en maakt aan de hand daarvan iets duidelijk over de bredere geschiedenis. Als je zo naar de canon kijkt, hoef je nooit bang te zijn dat dat een verhaal wordt dat suggereert wat een Nederlander is of hoe hij zou moeten zijn, want je laat permanent die wisselwerking zien tussen een individu en zijn omgeving.

'Een openluchtmuseum is bij uitstek een plek om geschiedenis in onder te brengen, meer dan een traditioneel kunstmuseum, omdat je meer mogelijkheden hebt om mensen te beroeren. Hoe stuur je de emoties, de affecten van bezoekers? Al sinds de oudheid wordt daarover nagedacht; schrijvers hanteerden bepaalde procédés en een museum doet niet anders. Een ervaring is pas compleet in het hoofd van een bezoeker, als een zo breed mogelijk palet van zijn emoties is geraakt: plezier, maar ook ontroering.

'En ik denk dat de vormen van overdracht en van contact in de open lucht gedifferentieerder zijn dan binnen. Alles speelt zich af op een soort ondergrond van natuur en rust. Al je zintuigen worden geprikkeld. Je ruikt bomen, je voelt kou of warmte, en de dingen die je ziet krijgen daarmee een andere lading. Dat motief van 'bewegen door de natuur' wordt ook gebruikt bij kruiswegstaties, of bij pelgrimages. De wandelende, dolende mens die tijdens zijn tocht van alles tegenkomt, dat is een heel oude formule. Je begint ergens, je maakt je tocht en na een paar uur is de cirkel rond. Ik vind dat een fascinerende vorm.'

Dagelijks leven in Nederland

Vorige week maakte staatssecretaris Halbe Zijlstra van cultuur bekend dat er definitief geen Nationaal Historisch Museum komt. Een deel van de taken van dat museum - het presenteren van de Nederlandse geschiedenis - gaat naar het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, dat daarvoor moet gaan samenwerken met het Rijksmuseum in Amsterdam. De musea krijgen daarvoor een half miljoen euro per jaar. Daarnaast moet het Nederlands Openluchtmuseum een digitale presentatie van de geschiedenis ontwikkelen, waarvoor anderhalf miljoen euro beschikbaar is.

Het Openluchtmuseum viert volgend jaar zijn honderdste verjaardag. Het ligt in een park aan de rand van Arnhem. Aan de hand van presentaties in historische boerderijen, winkels, huizen en cafés geeft het museum een beeld van het dagelijks leven in Nederland in de afgelopen twee eeuwen.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden