Reportage

Alibaba en de hondstrouwe partijleden: hoe Beijing privébedrijven onder controle wil brengen

In voorbereiding op het Nationaal Volkscongres dat vrijdag begint, brengen gastvrouwen de Grote Hal van het Volk  in gereedheid. Beeld EPA
In voorbereiding op het Nationaal Volkscongres dat vrijdag begint, brengen gastvrouwen de Grote Hal van het Volk in gereedheid.Beeld EPA

Vrijdag begint in Beijing het Nationaal Volkscongres, daar wordt de koers voor de komende vijf jaar vastgelegd. China slaat de weg in van het partijstaatkapitalisme. Want geen bedrijf mag denken dat het sterker is dan de Partij. Dus krijgt elke onderneming te maken met partijcellen die gaan meebeslissen. Ook Alibaba, het grootste privébedrijf van het land.

Zo’n tien keer per jaar heeft ingenieur Richard Dong een partijvergadering op zijn werk. Dan komt hij samen met enkele tientallen collega’s, allen lid van de Communistische Partij van China (CCP), en lezen ze teksten van president Xi Jinping. Ze bestuderen nieuwe beleidsplannen en bespreken hoe ze daar als bedrijf op kunnen inspelen. Dat is hun taak als partijcel, de vertegenwoordiging van de CCP binnen het bedrijf.

Een partijvertegenwoordiging in een privébedrijf: het klinkt misschien wat vreemd, maar Dong vindt het juist heel handig. Hij ziet het als een makkelijke manier om informatie uit te wisselen. ‘De CCP is een heel grote partij, met bijna 100 miljoen ­leden, en die moeten allemaal weten welke richting we uitgaan’, zegt hij. ‘Er zit best wat afstand tussen hier en Beijing, maar dankzij de partijcel is dat geen probleem. We weten waar president Xi mee bezig is en wat we moeten doen.’

Partijcellen in privébedrijven – een typisch product van de Chinese éénpartijstaat – zijn een onderbelicht ­fenomeen: ze waren lang een soort duffe studieclubjes, met nauwelijks gezag. Maar sinds een paar jaar beginnen ze steeds meer op de voorgrond te treden, en recentelijk opperde de Partijleiding dat ze meer ­bevoegdheden moeten krijgen. Daarmee passen ze in een bredere ontwikkeling van toenemende partijcontrole over de Chinese economie.

Kijk naar het Nationaal Volkscongres, de politieke topbijeenkomst die vrijdag in Beijing begint en die het komende vijfjarenplan moet ratificeren. Daarin staat dat China technologisch zelfredzaam moet worden, volop op innovatie moet inzetten en zijn binnenlandse markt moet versterken. Dat vergt medewerking van privébedrijven, en de partijcellen geven daarbij de richting aan. Of zoals de CCP zelf formuleert: de relatie tussen bedrijven en partijcellen is als de relatie tussen roer en kompas.

Cruciale tijden

Voor de Communistische Partij van China is de versterking van de partijcellen een logische stap. Volgens Xi staat China voor cruciale tijden. Het land is verwikkeld in een ­oplopende confrontatie met de Verenigde Staten, en ziet technologische voorsprong als een belangrijk wapen. Daartoe moeten alle krachten worden gebundeld. Maar in het buitenland wekt de verstrengeling van Partij en bedrijfsleven juist argwaan op, en verdenkingen dat de CCP de economie steeds meer gebruikt om politiek te bedrijven.

‘Het Chinese staatskapitalisme is aan het transformeren naar partijstaatkapitalisme’, zegt Kellee Tsai, professor politieke wetenschappen aan de Hong Kong University of ­Science and Technology. ‘De CCP is zo geobsedeerd met het handhaven van sociale stabiliteit en zijn machts­monopolie, dat het zichzelf in alle ­relevante onderdelen van de economie heeft ingewerkt. Zelfs Goldman Sachs in Beijing heeft een partijafdeling.’

Partijcellen zijn geen nieuw fenomeen in China. Ze zijn sinds 1993 verplicht in elk bedrijf met minstens drie partijleden, maar die verplichting wordt pas sinds een paar jaar gehandhaafd. Sindsdien is het aantal partijcellen snel toegenomen: in 2013 had 58 procent van de privébedrijven er één, in 2017 al 73 procent, daarna zijn geen nieuwe cijfers gepubliceerd. Van de top-500 van grootste privébedrijven in China heeft 92,4 procent een of meerdere partijorganisaties.

De CCP wil niet alleen méér partijcellen, ze wil ze ook meer bevoegd­heden geven. Eind vorig jaar opperde het Centraal Comité in een voorstel, dat partijcellen inspraak moeten krijgen in het personeelsbeleid en in belangrijke bedrijfsbeslissingen. Ook moeten er leden van de partijcel in het bedrijfsmanagement zitten. ‘Die tekst was een heel duidelijke boodschap aan het adres van bedrijven’, aldus Tsai. ‘Ze worden geacht de Partij te helpen, en de Partij is baas.’

Ingenieursbedrijf Qinchu: 80 procent van het management is lid van de Communistische Partij.  Beeld Leen Vervaeke
Ingenieursbedrijf Qinchu: 80 procent van het management is lid van de Communistische Partij.Beeld Leen Vervaeke

De praktijk: ‘Er is heel veel lippendienst’

Vraag is hoe die instructies in de praktijk worden omgezet, en hoeveel invloed de partijcellen echt zullen krijgen. De werkelijkheid wijkt in China vaak sterk af van de theorie. ‘Veel Chinese bedrijven nemen eerst hun beslissingen en zoeken er dan een partijslogan bij om die beslissing te legitimeren’, zegt Duncan Clark, directeur van consultancybureau BDA China. ‘Iedereen doet dat hier, ­iedereen herhaalt het script. Er is heel veel lippendienst.’

Volgens veel experts zal de rol van partijcellen erg verschillen van sector tot sector, en afhankelijk van de grootte van een bedrijf. ‘Als je een producent van kerstboomversiering bent, maakt die partijcel niets uit’, zegt Nis Grünberg, politiek analist van de Duitse denktank Mercator Institute for China Studies (Merics). ‘Maar in grote bedrijven in opkomende industrieën en strategische sectoren, zoals technologie en media, vindt de Partij het heel belangrijk om controle te hebben.’

Uit CCP-publicaties blijkt bijvoorbeeld dat bij Tencent, een van China’s grootste technologiebedrijven en ­eigenaar van communicatie-app ­WeChat, 80 procent van de managers van de afdeling informatiebeveiliging lid zijn van de Partij. Elf leden van Tencents partijcel zijn directielid of afdelingshoofd. ‘Als partijcellen bemand worden met managers van het bedrijf, heeft dat potentieel invloed’, aldus Grünberg. ‘Het normaliseert mettertijd de integratie van bedrijfs- en partijstructuur.’

Hoe invloedrijk de partijcellen precies worden, moet nog blijken, zegt Grünberg. Maar ze lijken deel uit te maken van een nieuw paradigma. ‘Het idee is om een politieke cultuur rond ondernemerschap te vestigen: je bent deel van een nationaal project. Je kunt profiteren van een enorme markt, maar in ruil heb je ook de plicht om bij te dragen aan de nationale ambities van de Partij. En de partijcellen zijn een route om dat te coördineren.’

De confrontatie met Alibaba

De partijcellen zijn niet de enige route waarlangs de CCP de privé­sector binnendringt. Zo probeert de overheid via speciale ‘vertegenwoordigers’ een directe rol te krijgen in techbedrijven. Ook stuurt ze met enorme kapitaalfondsen strategische sectoren aan, en stimuleert ze gemengde eigendom, waarbij privébedrijven in staatsbedrijven investeren en omgekeerd. Ook de bruuske manier waarop Alibaba, het bedrijfsimperium van Jack Ma, onder controle werd gebracht, was een duidelijk signaal.

Sceptici menen dat de toenemende partijbemoeienis de Chinese economie zal schaden. De privésector was de afgelopen veertig jaar de drijvende kracht van de economische groei, en stond garant voor 50 procent van de belastinginkomsten, 60 procent van het bruto binnenlands product, 70 procent van de innovatie en 80 procent van de werkgelegenheid. Te veel sturing van ­bovenaf zou fnuikend kunnen zijn.

We nemen contact op met een tiental Chinese ondernemers, maar die willen hierover niet met buitenlandse media praten. Maar volgens Jörg Wuttke, voorzitter van de EU Kamer van Koophandel in China, is er ‘niet één Chinese ondernemer die het fijn vindt dat de Partij meekijkt over zijn schouders’. Volgens hem spelen de partijcellen in de meeste buitenlandse bedrijven in China geen rol, maar zijn ze voor Chinese bedrijven onontkoombaar.

‘De Partij heeft duidelijk meer controle over privébedrijven gekregen, over alles: de uitbreiding van bedrijven, de sluiting van bedrijven, wie promotie krijgt, wie geen promotie krijgt, het hele scala van waar je investeert. Als de Partij het westen van China wil ontwikkelen, dan ga je naar het westen, ook al weet je dat het niet haalbaar is.’

Werknemers van Qinchu leggen de partijeed af.  Beeld Leen Vervaeke
Werknemers van Qinchu leggen de partijeed af.Beeld Leen Vervaeke

Goede banden met de Partij opent deuren

Tegelijkertijd is dit voor veel Chinese ondernemers geen halszaak, maar gewoon de politieke realiteit. ‘Chinese ondernemers zijn ontzettend wendbaar’, zegt Clark. ‘Ze zijn gewend om de overheid heen te werken. Je ziet bijvoorbeeld dat veel Chinese bedrijven erg diversifiëren. Ze maken luxespullen maar hebben ook een goedkoper segment, voor als de overheid zich ineens tegen luxe keert. Ze zijn altijd klaar om de overheid te vertellen wat die wil horen.’

Bedrijfsleiders proberen de partijcellen ook in hun voordeel te gebruiken, bijvoorbeeld om overheidsopdrachten binnen te halen. ‘De meeste Chinese bedrijven zijn gewoon pragmatisch’, zegt Tsai. ‘Jezelf achter de overheid scharen, biedt bescherming en legitimering. En als de partijcel van je bedrijf goede banden heeft met de partijafdeling in je stad of je provincie, kan dat ook deuren openen.’

Toch vragen velen zich af of het partijstaatskapitalisme duurzaam is. ‘Ik denk dat partijbemoeienis met privébedrijven op lange termijn schadelijk is’, zegt Wuttke. ‘Chinese ondernemers staan erom bekend dat ze veel risico durven nemen, maar ­risico is het laatste wat een partijlid wil. Dat kan de innovatiekracht van privébedrijven in zekere mate inperken. Anderzijds, de economie groeit hier met 6 à 7 procent. Waarom zouden ze naar mij luisteren? Het succes is overweldigend.’

Wat zeker is, is dat de verstrengeling van partij en privésector de relaties met het Westen, die nu al gespannen zijn, nog verder zal verzuren. De Chinese staatsinmenging in het bedrijfsleven is de rode draad in tal van conflicten, van de betrouwbaarheid van Huawei tot Chinese overnames van westerse technologie. Als de CCP zich via partijcellen nog dieper in ­privébedrijven nestelt, zullen die spanningen alleen maar toenemen.

‘Je krijgt een soort zichzelf versterkende neerwaartse spiraal’, zegt Tsai. ‘De Partij is onzeker en probeert daarom meer grip te krijgen op bedrijven. Daardoor lijkt het alsof alle Chinese investeringen verbonden zijn met de Partij, ook al is dat niet zo. Daar komt dan een tegenreactie op vanuit het buitenland, wat in de Partij de onzekerheid vergroot over een anti-Chinees complot en tot extra repressie leidt. In die vicieuze cirkel zitten we nu.’

Sterker uit coronapandemie

Voor de Chinese overheid is dat geen reden om van koers te veranderen. Integendeel, door de coronapandemie heeft Beijing extra vertrouwen gekregen in het model van partijstaatskapitalisme. En de partijcellen speelden daarbij een grote rol. Ze hielpen om bedrijven nog tijdens de lockdown weer op te starten, de toelevering van grondstoffen op gang te krijgen en de productie van beschermingsmateriaal te coördineren.

‘Ik denk dat we in Europa beginnen te beseffen dat China niet zal veranderen’, zegt Grünberg. ‘Integendeel, de partijstaat wordt nog versterkt. China ziet zichzelf en zijn ­model als winnaar in de toenemende competitie van systemen, en een winnend team verander je niet. Als we wachten tot China zijn model opgeeft, zullen we met de Partij aan de macht nog lang moeten wachten. We zullen een manier moeten vinden om ons te verzoenen met de situatie dat onze bedrijven in China willen zijn, maar dat tegelijkertijd de zaak steeds meer gepolitiseerd raakt.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden