NieuwsP.C. Hooftprijs

Alfred Schaffer wint P.C. Hooft-prijs

De P.C. Hooft-prijs 2021 is toegekend aan dichter Alfred Schaffer voor zijn poëzie waarin ‘brokstukken werkelijkheid zich vermengen met flarden gesprek en rake commentaren’. Een verademing ‘in een tijd vol holle frasen’, aldus de jury.

Alfred Schaffer (1973) debuteerde twintig jaar geleden en publiceerde daarna meer dan tien bundels. Beeld Foto: Luke Kuisis
Alfred Schaffer (1973) debuteerde twintig jaar geleden en publiceerde daarna meer dan tien bundels.Beeld Foto: Luke Kuisis

Dwaalgasten zijn dieren die rondzwerven in gebieden waar ze niet vandaan komen. Ze hebben zwerftochten achter de rug, zijn verdwaald geraakt, grenzen zijn vervaagd. De hele wereld ligt open, maar het anker is zoek.

Alfred Schaffer, de dinsdag met de P.C. Hooft-prijs bekroonde dichter, noemde in 2002 zijn tweede bundel Dwaalgasten en zijn hele oeuvre wordt erdoor bevolkt. Het wemelt er van de dolende, gravende, zwervende personages. Ontheemd in een werkelijkheid die hen afschrikt als er mensenmassa’s samenklonteren, en overrompeld wanneer natuur en elementen de toon aanvoeren.

Monoloog van een grafdelver

Je zou Schaffer zelf een dwaalgast kunnen noemen. Zoon van een Nederlandse vader en een Arubaanse moeder, geboren in 1973 in Nederland en na zijn Leidse letterkunde-studie vertrokken naar Kaapstad, waar zijn vriendin woonde. Na een korte terugkeer vestigde hij zich definitief in Zuid-Afrika, waar hij werkt aan de universiteit van Stellenbosch.

Ontheemding en betrokkenheid zijn pijlers in zijn poëzie die, zegt hij, als vanzelf politieker is geworden sinds hij in Zuid-Afrika woont, het land dat hem vreemd en eigen tegelijk is en waar hij aan den lijve de ene crisis na de andere ervaart. Zo getuigt een van zijn meest recente gedichten, een monoloog van een grafdelver, van de hevigheid waarmee het covid-virus er toeslaat:


de dag begint nog voor de nacht begint nog voor de dag begint.

één graf leeg, of duizend graven om te gaan.

daar heb ik mij bij neergelegd, om langzaam op te drogen.

lang geleden dat ik hier een vlinder zag, een lichaam

gewassen met water en desinfecterende zeep

daar plak ik een nummertje op –

Na de verschijning van zijn debuut in 2000, De opkomst in de voorstad, werd Schaffer snel herkend als dichter die iets deed wat de poëzie wel kon gebruiken: open zijn. Vragen stellen. In de loop der jaren bouwde hij een stevige reputatie op binnen de wereld van de literatuur, zowel bij ingevoerde en academische lezers als bij een groter publiek dat hem leerde kennen op festivals als Crossing Border en Poetry International. Van enigszins cryptisch verschoof zijn werk naar zichtbaar geëngageerd. Toen hij in 2017 de Albert Verweylezing hield in Leiden betoogde hij ‘dat poëzie doorgaans veel meer kan dan waarvoor ze bij de gemiddelde Nederlander om bekend staat, dat engagement en poëzie heel goed samengaan’.

Dit jaar verscheen zijn bundel Wie was ik. Strafregels, waarin hij via de poëzie zijn eigen positie in de verhoudingen tussen zwart en wit onderzoekt. ‘Ik weet wel wat de bromvlieg drijft / Die continu tegen mijn vensterraam blijft vliegen. / Zijn geblokte bewegingen. / Een kleine zwarte held die lak heeft aan censuur.’

Afrikaanse dichters als Antjie Krog, Ronelda Kamfer of Koleka Putuma voelden gaandeweg net zo verwant als de Nederlandse en Europese voorbeelden die hem vormden. Zijn gedichten werden almaar veelstemmiger, een van de kwaliteiten die de jury nu roemt. 

Apocalyptische dagdromen

Er spreken in zijn werk zowel stemmen van binnenuit (vol angst, ongemak, verlangen, droefheid) als van buitenaf: mensen op straat, een weerbarstige geliefde, een getormenteerde moeder, een historische held of antiheld. De miraculeuze bundel Mens Dier Ding (2014) gaat over Shaka (‘Sjaka’) Zoeloe die zelf aan het woord komt in apocalyptische dagdromen, maar die ook geportretteerd wordt door zijn moeder: ‘Hoe komt hij zo sterk. Wanneer is hij begonnen met roken. En dan die zogenaamde vrienden van hem. Kijkt me niet meer aan als hij iets zegt’.

Schaffer, wiens werk eerder bekroond werd met onder andere de Jan Campertprijs en de Ida Gerhardt Poëzieprijs, is een van de weinige dichters van zijn generatie die weinig ‘ik’ zegt en veel ‘wij’, ‘hij’, ‘je’. Er is in zijn gedichten even vaak sprake van een geïsoleerd individu als van menigten, en het gaat vrijwel altijd om de verhouding tussen beide, met de dichter als onderzoeker en vragensteller.

Poëzie van het grote ademhappen

In zo’n beetje ieder gedicht (uitzonderingen als het hilarische seks-vers uit Mens Dier Ding daargelaten) onderzoekt Schaffer wat de wereld de mens aandoet en wat de mens met de wereld moet. Dat doet hij in oprechte, klare taal met soms ironische, soms zwaarmoedige ondertonen. Somberte is hem niet vreemd; cynisme wel. Dit is geen dichter van subtiel geluk of particulier verdriet, maar van het grote ademhappen: wat speelt zich hier in godsnaam af op deze aardkloot? Hoe verhouden we ons daartoe?

Schaffers taal is daarbij instrumenteel. Suggestief maar eenvoudig, geen complexe, muzikale of ritmische patronen. Wel een, in de loop van zijn dichterschap toenemende, eigen vorm. Zijn regels zijn lang en compact, zijn zinnen elliptisch, vol herhalingen en woorden met een klap erop. ‘Stenig’, om een woord van hemzelf te gebruiken. Of in de woorden van de jury: ‘zinnen die ogen alsof er een scalpel aan te pas is gekomen’.

Door heel precies te zagen

In een schitterende brief in De Groene Amsterdammer, het blad waarvoor hij zelf over poëzie schrijft, formuleerde hij deze zomer wat schrijven voor hem inhoudt.

‘Hoe van al dat materiaal, deze versnipperde politiek verwante werelden, poëzie te maken. Door heel precies te zagen, te timmeren, te lassen, bij te schaven – het werk voltrekt zich niet in een droom, maar in een drukke werkplaats, met portretjes van Anne Carson, Nachoem Wijnberg en John Ashbery in de kantine. Het toe-eigenen van stemmen is een voorwaarde. Omdat ik dichterbij wil komen, bij de ander die de ander niet is maar die ikzelf zou moeten zijn.’

Alfred Schaffer (1973) debuteerde twintig jaar geleden met de bundel Zijn opkomst in de voorstad en publiceerde daarna meer dan tien bundels, waaronder Dwaalgasten (2002), Schuim (2006), Kooi (2008), Mens Dier Ding (2014) en Wie was ik. Strafregels (2020). Zijn werk wordt uitgegeven door de Bezige Bij.

De P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde is de grootste Nederlandse literatuurprijs voor een oeuvre en wordt sinds 1947 jaarlijks toegekend, afwisselend voor verhalend proza, beschouwend proza en poëzie. Dit jaar was de beurt aan de poëzie. Alfred Schaffer is daarmee de opvolger van laureaten als Judith Herzberg (1997), Rutger Kopland (1988), Ida Gerhardt (1979), Remco Campert (1976) en Leo Vroman (1964). De eerste dichter die de prijs ontving was Gerrit Achterberg, in 1949. De jury van dit jaar bestond uit Jeroen Dera, Janita Monna (voorzitter), Ester Naomi Perquin, Carl De Strycker en Michael Tedja.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden