Albertine dichtte en schilde aardappelen

Als Conrad Busken Huet in zijn Literarische Fantasiën te schrijven komt over de dood van de dichter Pieter Nieuwland, gestorven in 1794 op 30-jarige leeftijd, merkt hij op dat zeven weken na het overlijden een herdenkingsbijeenkomst werd gehouden....

De rouw was toen nog 'altoos groot', en Busken Huet voegt er nadrukkelijk aan toe dat hij 'zeven weken' een enorme prestatie vindt. Niet van de dode, maar van de levenden, 'zulks met het oog op de menschelijke vergeetachtigheid'.

Wie schrijft, die blijft, luidt het gezegde, maar de vraag is ook in literaire kringen vaak: 'Hoe lang?' En vaker nog: 'Waar dan?' Dat schrijvers daarbij toch een streepje voor hebben op de, laten we zeggen, ongepubliceerde sterveling, lijkt echter geen gewaagde veronderstelling. Niet omdat schrijven een garantie zou zijn voor eeuwige roem of altijddurende nagedachtenis, maar omdat er blijkbaar op enig moment altijd wel ergens een liefhebber opstaat die in het voetspoor van Busken Huet de vergetelheid de wacht aanzegt en op zoek gaat naar het gebeente van de dode dichter, en daarmee naar diens leven. In dit geval zijn het er twee.

In Pen in ruste hebben Hans Heesen en Harry Jansen zeventig artikelen gebundeld die zij de afgelopen jaren geschreven hebben voor het Utrechts Nieuwsblad/ Amersfoortse Courant. Elk stuk gaat vergezeld van een treffende zwartwitfoto van het schrijversgraf door Brand Overeem.

Het gaat om schrijversgraven in Midden-Nederland, van bekenden als Gerrit Achterberg, Ina Boudier Bakker, Herman de Man, Frederik van Eeden en Nicolaas Beets, maar de aantrekkelijkheid van het boek is toch het uitgangspunt dat ook in de letterkundige dood iedereen gelijk zal zijn. En dus zijn er veel portretten van auteurs die we tot de randfiguren mogen rekenen, zoals Frits Smit Kleine, die maar niet kon doorbreken als dichter, noch als satiricus, en die bovendien de pech had dat hij als redacteur de kopij afkeurde van ene Jacques Perk: de Mathilde-cyclus.

Of de katholieke schrijfster Albertine Steenhoff-Smulders, die toch een beetje onsterfelijk moet blijven om haar woorden: 'Ik dichtte en schilde aardappelen.' Wouter Paap, net als Smit Kleine een Tachtigers-hater, in de jaren dertig van de vorige eeuw nog door Du Perron opgepoetst en sindsdien ten tweeden male onder het stof geraakt. Al bij zijn leven werd Paap in een encyclopedie opgenomen als zijnde overleden. Zelfs Maarten Maartens, die na de dood van Tolstoj de beste schrijver van Europa genoemd werd.

Hoe onbekender de verstorvene, hoe vruchtbaarder het speurwerk van Heesen en Jansen. Rinke Tolman, bijgenaamd 'de Pallieter van Soest', Simon Tyssot de Patot, Sibylle van Griethuysen, en Anna Maria Moens, die in 1795, twintig jaar oud, haar enige bundel publiceerde: 'Dichterlijke bespiegelingen over Gods voorzienigheid'.

Als die bundel niet zou aanslaan, schreef Moens, zou ze de pen laten rusten, en 'dan zal men als dichteresse nimmer van mij hooren. . .' Zo is geschied. Toen ze overleed, ging er een schok door letterkundig Nederland. Heel even, want men dacht dat de veel bekendere dichteres Petronella Moens ten grave gedragen was. Maar nu is Anna Maria dan toch weer geportretteerd, als dichteres.

Pen in ruste bewijst dat de mooiste grafredes geschreven worden lang nadat het deksel op de groeve is geplaatst. En dat het met die 'menschelijke vergeetachtigheid' best wel meevalt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden