ALAN KRUEGER Arbeidsmarktvorser met reageerbuis

Een hoger minimumloon leidt tot meer banen. Met deze stelling werd Alan Krueger beroemd. De tegendraadse Princeton-econoom acht de VS rijp voor een loongolfje en vindt dat Europa te hoog inzet op flexibilisering van de arbeidsmarkt....

BIJNA OP DE dag dat de grootste Nederlandse vakcentrale dreigde de zo succesvolle poldereconomie te overspoelen met een klein loongolfje, was op de opiniepagina van The New York Times een pleidooi te lezen voor hogere lonen voor de Amerikaanse werknemers. Vrijdag verscheen dit verhaal in de Volkskrant. Auteur: Alan B. Krueger, hoogleraar economie en public affairs aan de universiteit van Princeton.

De dag na publicatie van zijn stuk in de Times zit Krueger er fris bij in zijn kamer in de kelder van het universiteitsgebouw, een kamer die alleen kan worden bereikt door eerst de hele bibliotheek te doorkruisen en dan nog een smal paadje tussen de rijen boeken te nemen. De man die doorgaans overtuigd is van zijn eigen gelijk wordt beschermd door duizenden boeken. Het Times-artikel was prima; alleen met de kop boven zijn verhaal - De Waarheid Over Lonen - is hij iets minder gelukkig, maar die kop heeft hij niet verzonnen.

Krueger is een van de weinige aanwezigen op de universiteit. De luisterrijke en lommerrijke campus ligt erbij als een bedevaartsoord zonder gelovigen, waar de lofzangen op de rede in de vele tempels van wijsheid zijn verstomd. De studenten hebben vakantie.

Zijn verhaal in de Times is gebaseerd op zijn meest geliefde werkmethode: kijk naar de cijfers en trek je conclusies. Die cijfers zeggen dat de koopkracht van Joe Sixpack, de Amerikaanse Jan Modaal, in de afgelopen acht jaar eerder is gedaald dan gestegen. Acht jaar waarin de Amerikaanse economie alleen maar is gegroeid, een prestatie die de werkloosheid onder de 5 procent duwde, het laagste niveau in bijna een kwart eeuw. Maar ook van deze krapte op de arbeidsmarkt profiteert de Amerikaanse werknemer niet. De lonen stijgen net genoeg om de koopkracht intact te houden.

De zuinige loonstijging is voor beleggers reden tot uitbundigheid. Zolang de werknemers zich inhouden, hoeven zij niet echt bang te zijn voor oplopende inflatie, en dus ook niet voor een renteverhoging door de Amerikaanse centrale bank. De recordjacht op Wall Street kan dan door blijven gaan.

Krueger maakt het perspectief voor de beleggers nog mooier. Zelfs als de Amerikaanse werknemer meer gaat verdienen, dan nog hoeven zij niet te vrezen voor een gierende inflatie. Een daling van de ziektekostenpremies en andere arbeidskosten heeft ruimte geschapen voor loonsverhogingen, een ruimte die nog groter wordt als de stijging van de productiviteit wordt meegerekend.

Uitvinden dat de lonen van de Amerikaanse middenklasse stagneren, is relatief eenvoudig vergeleken met het geven van een verklaring hiervoor. De economische vakbladen staan al enkele jaren bol van artikelen waarin dan weer op de ene, dan weer op de andere oorzaak wordt gewezen. Alle auteurs weten hun bevindingen met cijfers en berekeningen te onderbouwen.

Inmiddels is er zelfs een aantal kampen ontstaan. De ene groep economen geeft de schuld vooral aan de toenemende wereldwijde concurrentie, de andere wijst vooral op de technologische ontwikkeling, en weer een andere denkt de verklaring te vinden bij de steeds zwakkere positie van de vakbonden.

En Krueger? 'Ik weet niet precies waarom de reële inkomens van de middengroepen stagneren. Er is technologische vooruitgang, de werknemers worden productiever. En toch gaat het gemiddelde inkomen niet omhoog. Ik heb daar geen verklaring voor.'

Voor de middengroepen in Amerika zijn de vakbonden erg belangrijk. Sinds de jaren zeventig is de organisatiegraad 5 tot 10 procent omlaag gegaan. 'Werkgevers denken helemaal niet aan vakbonden, een paar bedrijfstakken daargelaten. Het is waarschijnlijk dat de zwakke positie van de vakbonden achter de trage groei van de lonen zit.'

Krueger is veel stelliger als het gaat om een verklaring voor de sterk uiteenlopende inkomensontwikkeling in de VS. In de afgelopen twintig jaar is de inkomensongelijkheid, die naar Europese begrippen al aanzienlijk was, nog groter geworden. De (reële) lonen aan de onderkant van de arbeidsmarkt zijn in de VS sinds 1979 met ongeveer een zesde gedaald, terwijl de topinkomens explosief zijn gestegen.

'Ik denk dat de technologische ontwikkeling een belangrijke verklaring is voor de uiteenlopende inkomensontwikkeling. Niet de enige, maar wel de belangrijkste.

'Een paar jaar geleden heb ik berekend dat het loon van iemand die een computer kan bedienen, ongeveer 15 procent hoger ligt dan het loon van iemand die het niet kan. Ik heb deze uitkomst nog gecontroleerd bij uitzendbureaus. Volgens hun beloningsstaten waren de verschillen nog groter, zo'n 30 procent.'

'Onlangs heb ik, samen met twee andere economen, een onderzoek gedaan naar de invloed van de computer op de ontwikkeling van de inkomensverdeling. Het gebruik van computers is in de afgelopen jaren sterk toegenomen. In 1984 had ongeveer een kwart van de Amerikaanse werknemers een computer. Nu is dat al meer dan de helft. Dat is een dramatische verandering van de werkomstandigheden.'

Wat blijkt is, dat sinds 1970 de vraag naar hoger geschoold personeel relatief sterk is gegroeid - vooral in bedrijfstakken waar naar verhouding veel in computers is geïnvesteerd. 'Volgens onze schattingen kan bijna de helft van de loonstijging voor hoger geschoolden tussen 1970 en 1995 worden toegeschreven aan het grotere gebruik van computers.'

Aan de onderkant zijn de lonen omlaag gegaan, omdat nieuwe technologische ontwikkelingen banen overbodig maakten. 'Werknemers zijn op dit niveau minder noodzakelijk geworden. Voor de onderkant is bovendien het minimumloon erg belangrijk.'

Met zijn onderzoek naar de invloed van het minimumloon op de arbeidsmarkt, uitgevoerd in samenwerking met collega-econoom David Card, heeft Krueger een aantal jaren geleden internationaal naam gemaakt. Ook in Nederland haalde zijn werk de (vak)pers. Dat was niet zo verbazingwekkend, gelet op de tegendraadse uitkomst van het onderzoek: een verhoging van het minimumloon vernietigt geen werk, maar levert juist banen op.

De gelegenheid tot dit onderzoek ontstond toen de staat New Jersey, waarin ook Princeton ligt, in 1992 het minimumloon verhoogde terwijl dat in de aangrenzende staat Pennsylvania gelijk bleef. Een jaar later bleek dat het aantal banen in de fast food-restaurants van New Jersey sterker was toegenomen dan in Pennsylvania. Bovendien bleek de banengroei het sterkst in die hamburgertenten waar de bediening het meest had geprofiteerd van het hogere minimum.

Menige econoom zag in deze conclusie aanleiding om de werkwijze van Card en Krueger ter discussie te stellen. Economen denken immers dat de vraag naar een product daalt als de prijs van dat product stijgt - en als dat met hamburgers zo is, waarom zou dat dan ook niet zo zijn met werknemers van hamburgertenten?

Sommigen deden de rekensommen over, maar dan op hun eigen manier. Zij kwamen tot de vertrouwde conclusie dat er toch banen verdwenen waren. Voor Card en Krueger was dat geen reden tot twijfel. Zij hadden eerder en afzonderlijk van elkaar soortgelijke studies gedaan met soortgelijke uitkomsten.

Card en Kruger hebben ook een verklaring voor hun bevindingen, eentje die zich onttrekt aan de standaardteksten in de handboeken over vraag en aanbod. Die vraag en dat aanbod zijn er wel op de arbeidsmarkt, maar de arbeidsmarkt is een bijzondere markt. Wat voor hamburgers geldt, gaat niet automatisch ook op voor hamburgerbedienden.

Een hogere prijs voor hamburgers schrikt hongerigen af, maar een hoger loon voor hamburgerbedienden kan juist werkzoekenden aantrekken. De aanwezigheid van een wettelijk minimumloon en al die andere regelingen die betrekking hebben op arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen, maken de arbeidsmarkt ook tot een bijzondere markt.

Voor hun onderzoek naar het minimumloon hebben Card en Krueger 410 fast food-zaken in New Jersey en Pennsylvania onderzocht. Zulk veldwerk past in de meer praktijkgerichte, empirische benadering waarvan Krueger een duidelijk aanhanger is. De arbeidsmarkt is volgens hem bij uitstek een werkterrein waar zo'n benadering goed mogelijk is vanwege de overvloed aan gegevens.

Deze aanpak volgt op een periode van tientallen jaren waarin een zwaar accent heeft gelegen op de economische theorie. Neo-klassieke economen zetten de toon met fraaie theoretische modellen waarin, in de extreme varianten, de ongeremde werking van vraag en aanbod voor een oplossing voor ongeveer elk economisch probleem kon zorgen.

Met deze benadering keert Krueger min of meer terug naar de roots van de arbeidseconomie, zeker zoals die in Princeton vanaf het begin van deze eeuw is beoefend. Uitgangspunt bij het vele onderzoek van de aanhangers van deze zogeheten institutionele school was, dat de arbeidsmarkt geen markt is waar vraag en aanbod vrij spel hebben. Instituties - vakbonden, werkgeversorganisaties, de overheid - leggen in veel sterkere mate hun wil op aan de arbeidsmarkt.

Deze benadering hield tot eind jaren vijftig stand toen de arbeidsmarkttheorie, net als alle andere terreinen van de economische wetenschap, op neo-klassieke wijze werd herschreven.

Krueger is zeker niet kritisch over deze periode voor de arbeidsmarkteconomie. 'De neo-klassieke school heeft een grote bijdrage geleverd. Zij heeft heldere concepten over de werking van de arbeidsmarkt geformuleerd. Zij heeft de arbeidsmarkteconomie wetenschappelijker gemaakt.' Maar het getheoretiseer wordt volgens hem langzaam weer ingeruild voor een meer praktische benadering, omdat de studeerkamermodellen toch ook niet de steen der wijsheid bleken te zijn.

Het gebrek aan bewijs voor alle elegante theorieën was een reden voor Krueger om tijdens zijn studie in Harvard zijn keuze voor rechten alsnog in te ruilen voor economie. Er was een wereld te winnen met economisch onderzoek. Tot zijn overstap had hij geen enkele les economie genoten.

Maar ook de meer empirische aanpak maakt voorlopig geen einde aan de discussie onder economen. De belangrijkste reden hiervoor is volgens Krueger dat er nog steeds grote verschillen van mening bestaan over de te volgen methoden van onderzoek. Die onenigheid beperkt de invloed van het economisch onderzoek op de beleidsvorming, al denkt hij dat die invloed ook niet groot zal zijn als er wel overeenstemming is.

Kruegers inschatting is mede gebaseerd op een jaar ervaring in Washington als chief economist van het ministerie van Arbeid van 1994 tot 1995 onder de inmiddels verdwenen minister Robert Reich. 'Ik denk dat economisch onderzoek maar weinig invloed heeft op beleid. Op kleine schaal misschien wel, maar niet voor de grote zaken. Onderzoeksresultaten worden misschien wel in de discussie gebruikt, maar ze hebben geen invloed op de uiteindelijke beslissing die politici nemen. Op korte termijn hebben lobbyisten veel meer invloed. Politici willen herkozen worden. Zelfs de meest ideologische onder hen zullen doen wat ze moeten doen om herkozen te worden.'

Wat veel politici, zeker Europese, nu beloven te doen om herkozen te worden, is dat zij een einde zullen maken aan de hoge werkloosheid. In de VS is de werkloosheid met 4,8 procent geen probleem, in de grote Europese landen, met werkloosheidspercentages die twee tot drie keer zo hoog liggen, wel.

Vóór de spectaculaire internationale opmars van het Nederlandse poldermodel, werd de Amerikaanse economie vaak als voorbeeld aangehaald voor probleemlanden als Frankrijk en Duitsland. En ook nu nog wordt de flexibele arbeidsmarkt in de VS vaak afgezet tegen de starre Europese arbeidsmarkten. De vergelijking valt dan vaak uit als een keuze tussen banengroei zoals in de VS, met als resultaat grotere inkomensverschillen, of stagnerende werkgelegenheid zoals in Europa, als resultaat van een te ver doorgeschoten sociale zekerheid en een overmaat aan regels. Grotere flexibiliteit van de lonen zou de juiste kuur zijn voor de zieke Europese arbeidsmarkt.

Het is Krueger allemaal net iets te simpel. 'Ik denk dat de flexibiliteit van de lonen te veel nadruk krijgt. Er is ook flexibiliteit nodig aan de vraagzijde van de arbeidsmarkt. In de VS is het bijvoorbeeld veel eenvoudiger een bedrijf te beginnen dan in de meeste Europese landen.'

Om de vraag naar arbeid aan te wakkeren zal een versoepeling van de werking van de arbeidsmarkt alleen weinig effect sorteren, verwacht Krueger. De hele economie moet flexibeler worden, regels die bestaande ondernemers uit de wind houden moeten worden afgeschaft, winkelsluitingstijden versoepeld.

'Er is een puzzel voor Europa en ik zeg niet dat ik alle stukjes in elkaar weet te passen. Ik leg alleen niet zoveel nadruk op de flexibiliteit van de lonen. De vakbonden afknijpen en de lonen verlagen zal wel leiden tot hogere winsten, maar de werkgelegenheid zal hierdoor niet veel toenemen. Er is meer dan alleen maar loonflexibiliteit.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden