Al Qaida geen partij voor leger Irak

De zwarte vlaggen van Al Qaida-strijders wapperden maandag nog altijd fier in de straten van Falluja en Ramadi. Maar volgens Bagdad zijn hun dagen geteld. 'Twee tot drie dagen', verzekerde de Iraakse luitenant-generaal Rasheed Fleih, zijn slechts nodig om de rebellen te verdrijven uit de twee grootste steden van de westelijke provincie Al-Anbar.

AMSTERDAM - Dat Iraks nieuwe leger, dat de afgelopen dagen niet massaal is ingezet in Al-Anbar, de strijd kan beslechten staat vast. De effectiviteit van de 272 duizend man sterke strijdmacht is weliswaar nog steeds een fors probleem. Maar op papier zijn de licht bewapende strijders van de Islamitische Staat van Irak en de Levant (ISIS) op termijn geen partij voor het door de VS getrainde leger.


Premier Nouri al-Maliki breekt zich dezer dagen meer het hoofd hoe hij het conflict zonder al te veel politieke schade kan oplossen. Grijpt hij te hard in, compleet met door de VS geleverde Abrams-tanks en Hellfire-raketten, dan vervreemdt hij de vijf miljoen soennieten nog meer van zich. Maar wacht hij te lang, dan versterkt hij het vernederende beeld van Al Qaida dat in Irak aan de winnende hand is.


Al-Maliki riep de inwoners en de soennitische stammen van Falluja maandag op om de Al Qaida-strijders zelf uit de steden te gooien. Ook drukte hij zijn soldaten op het hart om woonwijken te ontzien bij de strijd. Soennitische burgers die bij bosjes gedood worden door het leger, is nu het laatste wat de door sjiieten gedomineerde regering in Bagdad kan gebruiken.


De opmars van Al Qaida in Al-Anbar is onmiskenbaar de grootste test voor het door de VS opgezette leger sinds de Amerikaanse terugtrekking eind 2011. Getalsmatig beschikt Bagdad, bijna elf jaar na de ontbinding van Saddam Husseins leger, over 's werelds vijfde grootste strijdmacht. Met de 531 duizend manschappen van het ministerie van Binnenlandse Zaken, waaronder de politie, heeft Irak in totaal 802 duizend man onder de wapenen. Zo bezien is de inname van Falluja en Ramadi op het eerste gezicht een blamage voor het leger. Vlak voor de terugtrekking in 2011, schatte het Amerikaanse leger de sterkte van de Iraakse Al Qaida-tak op slechts 800 tot duizend strijders. Aanzienlijk minder dan de 15 duizend op wie de terreurgroep volgens schattingen rond 2007, voor de Amerikaanse troepenversterking, kon rekenen.


In 2012 begon de groep aan een opmars. Eind dat jaar schatten Iraakse functionarissen de sterkte op zo'n 2.500 strijders. Volgens hen boette de terreurbestrijding in Irak aan kracht in door het vertrek van de Amerikanen.


Dit jaar manifesteerde de groep, inmiddels ook actief in Syrië, zich opnieuw als de voornaamste bedreiging voor Bagdad. Dagelijks zijn er nu in tal van steden, van Mosul tot Bagdad, bloedige zelfmoordaanslagen, afrekeningen en politieke moorden. Gericht op vooral sjiitische doelwitten. 'De beweging groeide sterk vanwege de marginalisering van de soennieten in de Iraakse politiek en de burgeroorlog in Syrië', schreef de Amerikaanse defensie-deskundige en Irak-expert Anthony Cordesman maandag in een studie. Cordesman wijst naar Al-Maliki. De premier liet de afgelopen maanden onder andere soennitische protestkampen, gericht tegen zijn bestuur, opbreken in Al-Anbar. De laatste actie van de veiligheidstroepen was op 30 december. Om de spanningen te verminderen, besloot de premier het leger uit Falluja en Ramadi terug te trekken. Het was het sein voor ISIS om het vacuum snel op te vullen.


De jihadisten beseffen dat ze uiteindelijk in beide steden zullen verliezen. Maar hun punt hebben ze gemaakt: tien jaar na hun verschijning, is de Iraakse tak van Al Qaida nog springlevend.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.