Al Kut

Oorlog is ook aardrijkskunde. Wie had twee weken geleden gehoord van Umm Qasr, Nasiriyah, Najaf en Karbala? Van Tikrit, Kirkuk en Mosul?...

Koet, zegt Rob de Wijk.

Of Al Kut, Koet.

Mijn favoriete verslaggever ter plekke is Jon Lee Anderson van The New Yorker. Hij bevindt zich in Bagdad, in het Palestina Hotel - waar ook de rest van de internationale pers zit. In de kelder van het andere grote, internationale hotel van Bagdad, het Al Rashid, zat in de vorige Golfoorlog Saddam Hussein. Op het dak stond toen Peter Arnett en alle raketten sloegen erin. Nu zal Saddam wel onder het Palestina zitten. Gerri Eickhof staat op het dak.

Goeie naam trouwens, Palestina, voor een hotel.

En over Palestina gesproken: de eergisteren door Special Forces uit gevangenschap bevrijde soldaat Jessica Lynch (19 jaar) kwam ervandaan, dat wil zeggen: uit Palestina, West-Virginia. Ik zag haar ouders op televisie, brave, arme mensen met enorm veel overgewicht die in het rijkste land ter wereld in hun Palestina in een scheefgezakte hut woonden.

Terug naar Kut.

Vlak voor de oorlog uitbrak, bracht Jon Lee Anderson een bezoek aan die stad, een stoffig zooitje aan de Tigris, niet veel bijzonders. Maar de reden voor zijn bezoek was het kerkhof van Kut, meer in het bijzonder: hij wilde de graven zien van de duizenden Engelse soldaten die hier in 1915 en 1916 sneuvelden.

Wat deden die daar?

Engeland was in oorlog met het Ottomaanse Rijk. Een expeditieleger onder leiding van de legendarische kolonel

Leachman landde bij Basra (jaja) en rukte langs de Tigris op naar Bagdad.

Bij Kut werden ze omsingeld door Arabieren. Leachman leidde nog een cavaliercharge die hemzelf en een handvol getrouwen de vrijheid gaf, maar die verder niet baatte. Het belegerde leger werd in de pan gehakt, de overlevenden verdwenen in strafkampen en hebben nog een paar spoorwegen aangelegd waarover in het Iraakse binnenland nog steeds treinen bolderen.

Leachman (zeer gehaat, ondanks dat hij in Arabische gewaden liep) werd in 1920 ten westen van Bagdad vermoord, in de buurt van het stadje Khandari. Zijn dood veroorzaakte een golf van opwinding in het toenmalige Midden-Oosten en deed het Britse thuisfront sidderen. Ook aan Khandari bracht Jon Lee Anderson een bezoek. Hij trof er nabestaanden van de moordenaar van Leachman, en dronk er gezellig thee mee. Terug in Bagdad ging hij naar het museum waar het geweer tentoongesteld is waarmee de dodelijke schoten werden afgevuurd. Het werd net ingepakt, om te voorkomen dat het in de naderende bombardementen verloren zou gaan.

Dat soort verhalen.

Anderson schrijft voor een weekblad dat in Nederland ook nog eens een week later verschijnt dan in New York. Toch maakt het niet uit. Zijn manier van verslaggeving is zo elegant, verrassend en goed geïnformeerd dat het feitelijke strijdverloop erbij in het niet valt.

Omdat ik door griep aan huis ben gebonden, had ik gisteren de tijd eens wat oude nummers van The New Yorker te lezen. Alle berichten uit Bagdad waren kakelvers. Er is geen televisieverslag dat tegen het geschreven woord op kan. Die gedachte alleen al deed mij weer een stuk beter voelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden