Al Gore is gewaarschuwd

De Amerikaanse presidentsverkiezingen komen in een beslissende fase, nu het US Supreme Court zich er vanaf vandaag mee gaat bemoeien....

VRIJDAG 14 maart 1980. Een kantoor in het New Yorkse Rockefeller Center. Allard K. Lowenstein, advocaat en voormalig (Democratisch) lid van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, krijgt op de valreep van het weekeinde onaangekondigd bezoek. 'Wie is het', vraagt hij aan zijn secretaresse. 'Ene Dennis Sweeney.' Het is even stil aan de andere kant van de lijn. 'Dennis. Mijn god. . . Laat hem maar binnen.'

Lowenstein schrikt bij de aanblik van zijn late bezoeker. Tien jaar hebben zij elkaar niet meer gezien. Sindsdien had hij alleen telefonisch contact gehad met zijn vroegere politieke bondgenoot en protégé. Hij had begrepen dat het slecht ging met Sweeney. Ooit, in de vroege jaren zestig, had hij zich in het diepe zuiden van de Verenigde Staten ingezet voor de burgerrechten van de zwarte bevolking. Totdat de adepten van Black Power hem te verstaan gaven dat zij hun eigen boontjes wel konden doppen.

De zoektocht die daarop aanving, heeft nooit een einde gevonden. Sweeney vestigde communes die alle bezweken aan richtingenstrijd of een botsing der naturen. Hij opponeerde tegen de oorlog in Vietnam toen dat thema door de geëngageerde goegemeente nog niet was ontdekt. Hij formeerde een rockband, The Fool, en voegde zich naar de mores van de tegencultuur. Dat wil zeggen: hij experimenteerde met allerhande drugs en wees uiterlijke verzorging af als een banale vorm van hedonisme. In één opzicht bleef hij zijn lower middle class achtergrond trouw: het haar reikte nooit verder dan zijn oorlel.

Dennis Sweeney raakte, kortom, in verval. En Lowenstein, die in hem ooit zijn kroonprins had gezien, trok zich zijn lot aan. Hij ervoer de ontsporing van zijn vroegere medestrijder voor de burgerrechten als een persoonlijke nederlaag.

Lowenstein beval hem aan bij zijn relaties (zijn adresboekje zou meer dan vijfduizend namen hebben bevat). Hij maakte af en toe geld naar hem over en zag erop toe dat Sweeneys gebit een grondige opknapbeurt kreeg. Hiermee riep hij het noodlot over zichzelf af. Want Sweeney kwam in de waan te verkeren dat Lowenstein de tandarts opdracht had gegeven zendertjes in zijn kaak aan te brengen met het oogmerk hem zijn eigen wil te ontnemen. Hij hoorde voortdurend stemmen. Die van de cineast Ed Pincus, met wie hij in zijn gloriedagen als burgerrechtenactivist een documentaire had gemaakt. Die van meervoudig presidentskandidaat Norman Thomas. Maar in die gekmakende kakofonie klonk vooral het dwingende stemgeluid op van Allard Lowenstein.

Sweeney deed amechtige pogingen de rust in zijn hoofd te herstellen. Hij probeerde Lowenstein meermalen per telefoon het zwijgen op te leggen. 'Al, haal je honden van mij af', zei hij bij een van die gelegenheden. Als ultieme remedie trok hij eigenhandig met een knijptang alle implantaten uit zijn bovenkaak. En nog zwegen de stemmen niet. Integendeel. Ze zwollen aan. Sweeney meende het slachtoffer te zijn van wraakzuchtige Watergate-inbrekers, de FBI, de joden. . . Ook de dood van zijn stiefvader, op 24 februari 1980, bracht hij hiermee in verband.

Zijn strafexpeditie tegen de dader voerde hem naar het kantoor van Lowenstein. Hij sprak ongeveer een kwartier met zijn vroegere mentor. Eén keer verhief hij zijn stem: 'We moeten hier een eind aan maken, Al.' Daarop trok hij een pistool, vuurde zeven kogels af op Lowenstein, wandelde in volmaakte rust naar de receptie, legde zijn wapen op de balie, stak een sigaret op en wachtte op de gealarmeerde politie. Lowenstein werd naar een naburig ziekenhuis vervoerd, waar hij 's avonds laat overleed.

Het incident trok in 1980 volop de aandacht van de Amerikaanse media. Dat hing vooral samen met de opvallende rol die Lowenstein had gespeeld bij de verkiezingen van 1968 en 1972. Het laatste geval heeft enige overeenkomst met de jongste Amerikaanse presidentsverkiezingen en is - bij wijze van waarschuwing aan Al Gore - de laatste weken geregeld door commentatoren opgedist.

Lowenstein was in dat verkiezingsjaar Congreslid voor het district Long Island. Hij deed het niet eens slecht. Wat opmerkelijk was voor een man achter de schermen die te boek stond als notoire chaoot. De journalist David Harris omschreef in zijn boek Dreams Die Hard (1982) deze ongerijmdheid als volgt: 'Lowenstein kon in tien minuten een plausibele strategie ontwikkelen voor een presidentskandidaat, maar wanneer er een uitstapje naar de bioscoop moest worden georganiseerd, stonden meestal negen mensen op negen verschillende straathoeken op hem te wachten, terwijl hijzelf in een telefooncel collect met Nairobi belde.' Maar in het Amerikaanse Congres oogstte hij alom, ook bij de Republikeinen, waardering met zijn gedrevenheid en creatief dossierbeheer.

In 1972 had hij uitzicht op een herverkiezing, ware het niet dat de grenzen van het kiesdistrict in het voordeel van de Republikeinen werden gewijzigd. Hij ging de strijd met de beoogde tegenkandidaat uit de weg door uit te wijken naar het district Brooklyn - waar hij kansrijker werd geacht. Op deze strategische zet rustte geen zegen: zijn Republikeinse tegenstrever won met een verschil van nog geen negenhonderd stemmen. Omdat zich op de verkiezingsdag onregelmatigheden hadden voorgedaan en veel stemmachines in Brooklyn het hadden begeven, dwong Lowenstein een herkansing af.

Zeer tegen de zin van zijn adviseurs. Volgens hen waren aanzienlijke foutenmarges bij verkiezingen onvermijdelijk. Het electoraat hield er bovendien niet van om vaker dan eens per vier jaar de stembusgang te maken. Lowenstein zou meer waardering oogsten als hij zijn verlies zou nemen, en het de volgende keer opnieuw zou proberen. Deze taxatie bleek juist. In de tweede ronde bleven de Lowenstein-aanhangers massaal thuis. Ditmaal verloor hij met een verschil van enkele duizenden stemmen. Hij zou er nadien nooit meer in slagen een zetel in het Congres - of welk vertegenwoordigend lichaam dan ook - te bemachtigen.

De bescheiden plek die hij nochtans in de Amerikaanse geschiedenis heeft kunnen innemen, is terug te voeren tot zijn aandeel in de val van president Lyndon B. Johnson (1963-1969). Lange tijd was hij er als enige van overtuigd dat hij dit wapenfeit op zijn naam kon schrijven. Het onbehagen over de Vietnam-oorlog groeide weliswaar, maar op het aanzien van de president had dit lange tijd geen invloed. Lowenstein heeft dan ook lange tijd vruchteloos gezocht naar een kandidaat voor de nominatie van de Democratische Partij.

De gedroomde tegenstrever van Johnson was natuurlijk Robert Kennedy. Maar die achtte de onttroning van de zittende president even onwaarschijnlijk 'als de afzetting van de paus door de priester van Bogotá'. 'Dan gaan we door zonder jou', antwoordde Lowenstein. 'En dat is jammer, want jij had de volgende president van de Verenigde Staten kunnen zijn.'

Lowenstein legde er de nadruk op dat zijn soloactie positief was geïnspireerd. Hij had er bezwaar tegen dat hij in de media als de vader van de Dump Johnson Campaign figureerde. Hij wilde niet zozeer tégen de president ageren, maar vreesde dat diens aanblijven tot gevolg zou hebben dat geëngageerde jongeren - die de oppositie tegen de Vietnam-oorlog aanvoerden - zich van de gevestigde politiek zouden afkeren.

Eind 1967 had de campagne een nationale basis, maar was er nog steeds geen kandidaat. Lowenstein had Martin Luther King gepolst, en John Kenneth Galbraith. Hij was bij alle presidentiële liberals en dissidente generaals op bezoek geweest, maar niemand wilde het land in oorlogstijd splijten. Toen Lowenstein overwoog dan zelf maar de ongelijke strijd aan te gaan, stelde senator Eugene Joseph McCarthy (dus niet de communistenjager Joseph Raymond) zich verkiesbaar.

Tegen alle verwachtingen in deed die het bij de eerste voorverkiezingen (in het voorjaar van 1968) zo goed, dat Robert Kennedy zijn koudwatervrees kwijtraakte en alsnog gehoor gaf aan de smeekbede van Lowenstein. De president trok zich kort daarop uit de race om het Witte Huis terug en schoof zijn vice-president Hubert Humphrey naar voren. Lowensteins vroegere vriend Dennis Sweeney reageerde op zijn eigen wijze op de kandidaatstelling van Kennedy. 'Die redt het niet', zei hij. 'Die wordt doodgeschoten.'

Op 4 juni, de dag van de voorverkiezingen in Californië, kreeg Sweeney al gelijk. Meteen nadat Lowenstein het nieuws had vernomen, vloog hij naar Los Angeles om zich bij de rouwende Kennedy's te voegen. Hij werd opgewacht door Roberts broer Edward. 'Nu hebben we alleen jou nog', zei Lowenstein. 'En jij bent niet goed genoeg.'

Na zijn nederlaag in 1972 is Allard Lowenstein blijven geloven in een politieke rentree. Hij vergeleek zichzelf graag met Wellington en Churchill, die ook laat in hun leven tot bloei waren gekomen. Onder president Carter (1977-1981) schopte hij het tot assistent van de Amerikaanse VN-ambassadeur Andrew Young, maar hij beschouwde zichzelf als ambteloos burger. In de ogen van Carter deed hij zichzelf daarmee geen recht. De president toonde zich geschokt door Lowensteins dood, en wees Arlington aan als laatste rustplaats. Hier ligt hij sinds 18 maart 1980 begraven - tussen John en Robert Kennedy in.

Dennis Sweeney werd ontoerekeningsvatbaar verklaard. Hij verblijft nog steeds in een psychiatrisch ziekenhuis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden