Al die vermorste tijd

Kees Fens (78) blijft zich tot de dag van vandaag onderscheiden met een onuitputtelijke reeks eigengereide verhalen. Hij vindt het prachtig om in een razend tempo een overleden schrijver ‘af te leggen’....

Kees Fens – 78 inmiddels. Maar door leeftijd niet gehinderd als gesoigneerde verschijning: een zeeblauw tweed jasje, een wit overhemd met een rood-blauwe ruit, een donkerblauw chokertje.

Wat hem wel hindert, is gebrek aan asem. Gevolg van een longziekte. De dokter in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis zei: ‘Meneer, u hebt een rokersverleden.’

‘Alsof je van de maffia bent. Misschien is het ook wel zo.’

Het lopen is schuifelen geworden. Het wordt alleen nog maar minder. Hij vermeldt het ongemak, maar wil niet hebben dat het veel aandacht krijgt.

Thuis in zijn aangename appartement aan een van de Amsterdamse grachten geeft hij vanaf zijn stoel aan de keukentafel aanwijzingen hoe de koffie moet worden gezet. ‘Gewoon koud water. Niet te veel.’ Altijd goed geweest in dirigeren. ‘Doe maar drie schepjes.’

De behandeling van de ziekte was effectief, zij het niet zonder bijverschijnselen. Zijn longcapaciteit is ernstig verminderd. Hij houdt de moed erin: ‘Ik mag geleidelijk aan in een ruïne veranderen, maar het geheugen blijft. Het is mijn geluk. Als dat niet meer intact zou zijn, ja, dan ben ik verloren. Maar ik slaag er nog steeds in te werken.’

Daaraan is geen woord gelogen. Kees Fens behoort met Jan Blokker en H.J.A. Hofland tot de oude elite van de Nederlandse journalistiek die zich een leven lang, tot op de dag van vandaag, heeft onderscheiden door een ijzeren productiedwang. Eigengereide stukken die altijd getuigen van grote belezenheid. En het gaat maar door, week in week uit. Ze zullen nooit ophouden met schrijven – misschien als ze door de dood worden ingehaald.

‘Het is niet alleen dwang, hoor. In de eerste plaats komt de lust. Als ik een boek heb gelezen of een tentoonstelling heb bezocht, vind ik het heerlijk daarover iets te schrijven, daarvoor taal te vinden.

‘Veronderstel, de krant belt met de boodschap dat de een of andere schrijver dood is. Dan moet ik in een paar uur een stuk hebben, het complete verhaal. Schitterend vind ik dat, schitterend. Het kan niet vaak genoeg gevraagd worden. Er sterven er helaas te weinig.’

Kees Fens is de essayist van de Europese, christelijke cultuurgeschiedenis. En de man van de zorgvuldige beschouwingen over proza en poëzie. En de auteur van profielen naar Angelsaksische traditie. Ook mag hij graag sportverhalen schrijven. En stadsportretten, niet te vergeten. Zojuist verscheen Het geluk van de brug, subtiele observaties over de stad van zijn hart, Amsterdam. Hij wil het allemaal kunnen.

‘Toen Jan Mulder en Remco Campert nog die rubriek hadden op de voorpagina, Camu, naar Campert en Mulder, zei Remco eens tegen mij: als Jan ermee ophoudt, gaan jij en ik verder. Onder de naam Cafe. En weet je, ik had dat nog enorm leuk gevonden ook, die kleine stukjes te schrijven.’

Uiteindelijk gaat schrijven over stijl, niet over inhoud. ‘De Nederlandse kranten doen te weinig aan stijl. Wat er staat, weet je doorgaans wel. Maar een sublieme stijl maakt een verhaal helemaal nieuw. Ik las een verhaal van Tsjechov. Het speelde in de winter, op een stationnetje, er gebeurde bijna niks in dat verhaal. Maar een kouder verhaal heb ik zelden gelezen.’

78 – maar goeie kritieken krijgt hij nog steeds, gelukkig wel zeg. ‘Het is toch ook geen rommel dat ik maak op m’n oude dag?’

Lijdt hij onder de ouderdom?

Prompt: ‘Nee.’ Maar dan toch: ‘In de huidige vorm vind ik de ouderdom geen aanwinst, als ik het zo mag zeggen.’ Het ergste is het afgesloten zijn. Niet van ‘het hogere’, de musea bijvoorbeeld. ‘Daar ben ik genoeg geweest in mijn leven.’ Nee, dat het dágelijkse leven passeert zonder dat je eraan kunt deelnemen – dat is pas echt erg. ‘Als ik vanuit een ziekenhuisraam die trams zie rijden, word ik met weemoed vervuld. Want dan weet ik: je zult er nooit meer in zitten, in zo’n tram. Het is heel erg als je niet meer naar de bakker kunt.

‘Zoals het nu is, kan ik er nog net mee leven. Maar ik ben jaloers op praktisch iedereen. Bijna iedereen kan lopen.’

Hij is enorm bezig met de tijd. Ergens schrijft hij over ‘het pijnlijk knijpen van de tijd’.

‘Doodgaan is op zich al een gebeurtenis. Maar het allerergste eraan vind ik het wegglijden. Je wordt kwaad. Ik zie de Dam vanuit een auto. Ik weet: over een jaar, over twee jaar is de Dam ontvolkt door mij.’

Van hem is ook de vaststelling: ‘Mijn toekomst heeft geen tijd meer. Dat maakt mij steeds ongeduldiger, ontevredener ook.’

Hij lacht, giechelt bijna. ‘Ze hoeven niet in mijn advertentie te zetten: hij had nog zoveel mooie plannen. Die heb ik helemaal niet. Maar dat er een einde komt aan de vervulling van je nieuwsgierigheid, vind ik wel een reden voor ontevredenheid, als ik dat zo zeggen mag.’

Met die snerpende stem van hem: ‘Je wilt toch zo veel mogelijk weten, hè. Ik ben eigenlijk altijd een scholier gebleven. Ik kwam laatst uit het ziekenhuis, we reden recht tegen zo’n schoolgebouwtje aan van omstreeks 1900. Ik zei tegen mijn vrouw: ik zou zo weer naar school willen. Leren? Ik vond het schitterend.’

Hoe zien zijn dagen eruit?

‘Je hebt een prachtige regel van Karel van de Woestijne. Die luidt: ‘In ‘t huis mijns vaders waar de dagen trage waren.’ Nou, dat is nu mijn huis. Het enige wat ik nog heel snel kan – ik zeg het niet om op te scheppen, hoor – is schrijven. Dat kan ik heel vlug.

‘Als je oud bent, is het woord ‘even’ weg uit je vocabulaire. Je kunt niet meer even snel dit of even snel dat doen. Daar doe je namelijk niet meer even over, daar doe je lang over – ach, al die tijd die je vermorst aan dingen die de tijd niet waard zijn.

‘Het maakt waarom het voor mij een opgave is aan de dag te beginnen. Maar de dag voltooien, daarmee kan ik niet ophouden. Ik heb er nog veel zin, hoor. Ik ga laat naar bed, ik drink dan nog het een en ander voordat ik ga slapen.’

‘In ziekenhuistermen’ schrijft hij zichzelf een ‘grote recuperatiecapaciteit’ toe. Al helemaal als het tegenzit.

Kees Fens was 18, hij kwam van het gymnasium, het was 1948 en hij mocht niet gaan studeren. ‘Dat is voor mij heel erg geweest.’ Zijn vader was gestorven toen hij 9 was. Amper had hij het gymnasium voltooid, of de sociale dienst kwam zijn moeder vertellen dat het mooi was geweest en dat Kees een baantje moest gaan zoeken.

‘Ze zeiden: kan hij het niet vinden, dan doen wij het wel voor hem.’

Hij zet het scherp neer: ‘Op het moment zelf was het persoonlijk erg. Achteraf moet je zeggen: het was principieel erg. Dat ze mensen zo behandelden! Net zo goed als dat ze op maandag – mijn vader was op zaterdag begraven – van de sociale dienst kwamen vragen of er geld was overgebleven.

‘Ik heb altijd gehoopt dat iemand de geschiedenis van de Amsterdamse sociale dienst in de jaren dertig en veertig nog eens zou opschrijven. Om te laten zien aan de mensen van nu, hoe gauw een sociaal stelsel kan ontaarden. Ze hebben mijn moeder grondeloos beledigd. Grondeloos. De schaamteloosheid ervan en het verdriet dat het teweegbracht, het moet echt nog eens worden beschreven.’

Het is een wonder dat hij het tot hoogleraar bracht. In 1949 ging hij Nederlands studeren, voor een middelbare akte. In de avonduren en de weekeinden. Overdag en door de week had Kees Fens een kantoorbaantje. ‘Wat ik in die avondstudie van een zekere W. Kramer geleerd heb over poëzie heeft mij mijn hele leven baat gebracht.’

Wetenschappelijk heeft hij zijn achterstelling wel ingehaald. Zijn carrière als literair criticus werd in 2004 bekroond met een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam. ‘Ik heb als niet-academicus alles gekregen wat een academicus maar kan krijgen, en meer dan dat.’ Niet dat hij niks heeft gemist. Het studentenleven bijvoorbeeld. Vijf, zes jaar onder vrienden zijn, min of meer gelegitimeerd vrij zijn in je doen en laten – dat heeft hij gemist.

Hij schreef enkele weken geleden een stuk in de krant over de schilder-illustrator Van Malsen, Willem van Malsen. ‘Weet je, ik schreef dat stuk en ik dacht: tjesis, wat ben ik saai, wat ben ik ongelofelijk saai.’

Heeft hij aan die noeste naoorlogse jaren zijn levenslange plichtsbetrachting overgehouden?

‘Die had ik al. Daar hebben de jezuïeten aan bijgedragen en het milieu waaruit ik voortkwam. Mijn vaders vader heeft zijn zoon overleefd en die schreef steeds maar brieven naar mij: ‘Jongen, doe vooral je plichten goed.’

Ziet hij het leven als een opdracht?

‘Nu ja, door die magere financiële situatie thuis is de gedachte dat het een keer misgaat, dat alles in elkaar stort, je leven gaan bepalen. Dus je moet heel hard werken om – nu zeg ik iets krankzinnigs – niet ontslagen te worden.

‘Ik heb heel lang gewacht met het kopen van een huis. Ik was bang dat ik op een gegeven moment de hypotheek niet meer zou kunnen betalen. Je zou kunnen zeggen dat een deel van mijn leven door financiële en maatschappelijke argwaan is bepaald.

‘Ik las in een essay van Graham Greene de zin: ‘Ik heb de grote angst dat als ik morgen wakker word, zal blijken dat ik niks voorstel.’ Die angst, die ken ik. Ik heb altijd extra kolen op het vuur moeten gooien.’

Kees Fens is een stadsmens. Lees Het geluk van de brug – de liefde voor de stad en al helemaal voor Amsterdam, spat ervan af. Maar waarom is hij geen natuurmens? Er is ontzagwekkend veel prachtige literatuur waarin de woestheid dan wel de lieflijkheid van de natuur een hoofdrol speelt. Niet in het leven van Fens.

‘Ik zei eens tegen een collega van de universiteit dat ik het gedicht Gierzwaluwen van Gezelle zo prachtig vind. We liepen ergens met een groepje, die collega zei: kijk, daar heb je ze, gierzwaluwen. Ik wist van niks.

‘Ik heb de natuur heel vroeg in allerlei gedichten ook leren zien als de spiegel van God. Die God heeft mij helaas losgelaten. Maar mijn eerste grote religieuze ervaring – ik weet het zeker, ik was vier jaar – heeft zich voorgedaan in een bos bij Breda. Dat is beslissend geweest voor mijn idee van de aanwezigheid van een god. Voor mij heeft de natuur altijd een religieuze betekenis gehad en later een literaire. Maar de natuur als natuur heeft voor mij amper iets betekend. Ik ben het gelukkigst als ik een hoek kan omslaan.’

Hij heeft een aantal jaren in het dorp Zandvoort gewoond. Het kwam doordat zijn eerste vrouw, die overleden is, nergens anders wilde wonen. Niet dat Kees Fens er gelukkig was.

‘Ik stond een keer op de Grote Krocht, tussen de Albert Heijn en de kaashandel, en toen heb ik uitgeroepen: godverdomme, wat is het allemaal lelijk hier!

‘Ik heb twee elementen in mij, een drukte-element en een stilte-element. Ik houd van de drukte van de stad. En van de natuur vind ik de stilte het einde. Het nare is dat je in de natuur altijd iets met andere mensen moet doen. Al die boswandelmensen gaan altijd in groepen. Vreselijk, vreselijk.

‘In de stad kun je op je eentje zwerven. Een stad geeft meer mogelijkheden voor isolering dan de natuur. Het is het gevoel dat je ergens bij hoort zonder dat je direct hoef te zeggen dat je erbij hoort.’

Zijn we daarmee niet terug bij het drama van de dood als het afgesloten zijn van dat alledaagse stadsgevoel?

‘De dood is inderdaad het gemis van het doodgewone. Je wordt eruit gezet als je doodgaat. Ze hoeven je niet meer.

‘Door mijn beperkte mobiliteit ga ik het stadsgevoel idealiseren. De binnenstad van Amsterdam wordt steeds indrukwekkender, steeds meer een paradijs. En met de dood word ik uit dat paradijs gejaagd.

‘Nou, eerlijker kan ik niet zijn.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden