AHMED MARCOUCH

Zijn sociale vaardigheden leerde hij uit een boekje. En toen hij op de lts zat, wilde hij zich inschrijven voor een universitaire studie....

Nog voordat het vliegtuig naar Nederland opsteeg, stond de wereld van de 10-jarige Ahmed Marcouch op zijn kop. ‘Die stewardessen’, herinnert hij zich zo goed, met hun onbedekte, geknipte haren. In korte rokken die strak zaten om hun benen, hun dijen. Zulke vrouwen had hij nog nooit gezien. ‘Alles was* alles maakte zo’n gigantische indruk. Ik zat in de teletijdmachine van professor Barabas.’

Een enkele vlucht Amsterdam, het eerste uitstapje van zijn leven. Nooit eerder was de analfabete Ahmed buiten zijn geboortedorpje in Noord-Marokko geweest. Met het roodbruine stof van het rommelige Beni-Boughafer nog aan hun schoenen, tuimelden hij, een zusje, een broertje en zijn stiefmoeder de cleane efficiëntie van Schiphol binnen. Een andere planeet: ‘Die mensen, die drukte, die verlichting, die luidsprekers.’

Over een enorm brede weg (de A4, zou hij later beseffen) reden ze naar het huis van zijn vader. Een woning op driehoog, in Amsterdam-Oost. ‘Een krot van vijftig vierkante meter, maar wij vonden het geweldig, want je moest een trap op. Ik wist niet eens dat dat bestond: drie, vier woningen op elkaar. Wij klommen in bomen en ravijnen, maar waren nog nooit een trap op geklommen.’

Later zou zijn broer gekscherend zeggen dat de woning net een afdeling van het ziekenhuis leek, met al die bedden naast elkaar in de woonkamer – het gezin Marcouch zou uiteindelijk vijftien kinderen gaan tellen. Nog steeds proberen ze op zaterdag allemaal bij elkaar te komen, in het huis van hun 85- jarige, inmiddels ernstig zieke vader en zijn tweede vrouw.

Ahmed, zoon uit het eerste huwelijk van zijn vader, is uitgegroeid tot de bekendste stadsdeelraadvoorzitter van Nederland. ‘Der Sheriff von Klein-Marokko’, doopte weekblad Der Spiegel hem. De oud-politieman is de ambitieuze burgemeester van Slotervaart. Een wijk met 45 duizend inwoners, van wie ruim 40 procent van buitenlandse afkomst is.

Dit is het deel van Amsterdam waar Mohammed B. en Samir A. opgroeiden, en waar jongeren de afgelopen jaarwisseling nog het politiebureau aanvielen. ‘Tuig dat harder moet worden aangepakt’, noemt PvdA’er Marcouch dat soort jongens. Hij is geen man voor omfloerste taal en geslachtoffer. Het motto van de, gelovige, Marcouch: ‘Je bent de architect van je eigen leven.’ Zijn scherpe analyses maakten hem geliefd (vooral bij de autochtonen) en omstreden (bij met name Marokkanen).

De imam van de Ummah-moskee in Slotervaart zei: ‘Bestuurders willen hogerop komen door Marokkaanse jongeren neer te halen.’

Spottend: ‘Hij bedoelde Geert Wilders, denk ik.’

Doet zo’n opmerking pijn? ‘Ja, natuurlijk. Het is fout van de imam. Ik ben eerlijk. Ik zeg: ‘Met dag in dag uit in een buurthuis zitten kom je er niet. Je zult hard moeten werken.’ Dat is een vervelende boodschap. Het liefst willen die jongens horen dat hun mislukking helemaal aan anderen ligt.’

Even later, fel voor zijn doen, in een plechtige monoloog: ‘Als groepen jongeren anderen beperken in hun vrijheid, angstig maken, en beroven van hun bezit, moet iedereen daartegen opstaan. In Nederland hebben we te veel mensen die wegkijken, die relativeren, die zelfs geen innerlijke verontwaardiging meer voelen over dit soort onrechtvaardigheid. Omdat ze er zelf geen last van hebben, in hun mooie villawijken.’

Zegt uw eigen familie ook weleens: ‘Ahmed, je gaat te ver.’ ‘Met een neef had ik pas nog een discussie. ‘Je moet die jongeren helpen en ze niet alleen in een hoek duwen’, zei hij. Ik antwoordde: ‘Als je in Amsterdam woont, zit je op goud. Moet ik het ook nog oppakken om het in hun handen te stoppen?“

Op zijn kantoorkamer staat een vergeelde zwart-witfoto van een serieus kijkende man in openhangende winterjas, op glimmend gepoetste schoenen tussen de duiven op de Dam. Zijn vader, die in de jaren zestig naar Nederland vertrok als gastarbeider – op zoek naar goud.

Hij heeft een duif in zijn hand. ‘Ja, die duif, dat was voor mijn vader natuurlijk een wonder. In Marokko vermijden de dieren de mensen. Als een hond aan de overkant van de straat een mens ziet, draait hij zich om. Hij weet bij voorbaat dat-ie een steen naar zijn kop krijgt. ‘De Hollanders hebben zelfs de duiven getemd’; dat waren de verhalen die de migranten thuis vertelden.’

Korte stilte: ‘Zo’n foto ga je lezen, op een gegeven moment. Mijn vader, in driedelig pak, mooi in plooi. Netjes geschoren ook. Zo zag hij eruit, als hij ons kwam opzoeken in Marokko, drie weken per jaar.’

Dat moet moeilijk zijn geweest. ‘Ontzettend moeilijk. Ik was zo blij als hij er was, en in diepe rouw als hij vertrok. Je raakte voor weken ontregeld. Daarna begon je uit te kijken naar de cassettebandjes die hij opstuurde. Dan was hij weer even thuis.’

Wat zei hij, op die bandjes? ‘Mijn vader maande iedereen te doen wat-ie moest doen. Dat we gehoorzaam moesten zijn. Dat we voorzichtig moesten zijn met geld. Hij vertelde over zijn dagelijks leven: dat hij net zijn potje had gekookt, de was had gedaan, hoe zwaar hij het had. Maar het belangrijkste was zijn stem te horen. En je wachtte af tot hij jou noemde – dat was spannend. Hij noemde altijd even iedereen bij naam.’

Uw moeder overleed toen u 3 was. ‘Ik heb haar niet gekend. Ik heb erg mijn best gedaan, maar ik heb er helemaal geen beelden bij. Er zijn ook geen foto’s van haar, niks.’

Waaraan is ze gestorven? Verwonderde blik: ‘Dat weet ik niet. Ze overleed in de maand dat mijn broertje werd geboren. Mijn vader zat in Nederland toen ze stierf. Iemand is ziek en gaat dood. In mijn geboortestreek wordt dan niet de vraag gesteld hoe en wat.’

Later: ‘Het moet een grote leegte zijn geweest, in die kinderjaren. Ik ben opgegroeid zonder ouders. Ik huil niet gemakkelijk. Maar ik weet nog dat ik op latere leeftijd, ergens in de 20, tijdens de vakantie, aan het graf van mijn moeder stond en een grote eenzaamheid voelde. Dat je besefte dat het gemis aan een moeder, die warmte, toch heel diep zit.

‘Met mijn oma had ik een sterke band.

Ik kon slapen in haar schoot. Die band heb ik met mijn stiefmoeder nooit gehad.’

Uw vader kwam terug om te trouwen met uw stiefmoeder en vertrok weer naar Nederland om te werken. ‘Hij is snel hertrouwd, om te zorgen dat er iemand was om ons op te voeden. Mijn stiefmoeder had ineens drie baby’s om zich heen, en mijn oudere broer en zus. Dat was moeilijk; we hebben het allemaal met elkaar te verduren gehad.’

Was u lastig voor haar? ‘Nee, ik ben eigenlijk nooit een lastige jongen geweest. Ik zat niet op school, hielp mee in huis. Het was gecompliceerd in emotionele zin, dat je je moet binden, moet hechten. Terwijl je niet wilt dat iemand de positie van je moeder inneemt.’

Eind jaren zeventig haalde zijn vader kinderen en vrouw naar Nederland. Ahmed Marcouch vertelt er met een zachtmoedige glimlach over. Zijn vader wilde niet zozeer het gezin herenigen, alswel zijn eigen toekomst veiligstellen. ‘Wat het ministerie deed met de gastarbeiders, heeft hij met zijn kinderen gedaan: hij heeft economisch geworven. Hij heeft ons vooral hiernaartoe gehaald om te zorgen dat zijn zonen een baan kregen, om hem later te kunnen onderhouden.’

U had ineens een vader. Hoe was dat? ‘Ineens was er een vader, ja, die zich met je bemoeide. En hij is erg prekerig, zo erg dat ik als jongen dacht: ik heb liever een klap dan die preek. ‘De druk op ons was hoog. Hij verwachtte na een jaar basisschool al van ons dat we allerlei formulieren voor hem konden invullen en brieven konden lezen. Veel later besef je pas wat voor survivaltocht die tijd geweest moest zijn. Dat je vader geen idee heeft hoe het schoolsysteem in elkaar zit, welke schoolkeuze je moet maken. Mijn rapporten ondertekende ik zelf. Ik ben snel volwassen geworden.’

En u vertelde wel eerlijk wat er in de brieven van school stond? Geamuseerd: ‘Nou, in het begin kon ik ze zelf ook niet lezen. Dus dat was wel een ingewikkelde klus.’

Zijn snelle volwassenwording, vertelt hij, had nog een andere, opmerkelijke, oorzaak. Ahmed is door zijn vader nooit ingeschreven in het Marokkaanse bevolkingsregister. Hij nam formeel de plaats in van zijn broertje Ahmed, dat op 3-jarige leeftijd was overleden. Een persoonsverwisseling uit pragmatische overwegingen. Zijn vader kwam pas een jaar na zijn geboorte naar Marokko, zijn moeder mocht als vrouw het dorp niet uit om hem te laten registeren. ‘Biologisch ben ik van 1969, maar op papier ben ik van 1966.’

U heeft dus lang het leven geleefd van iemand die drie jaar ouder is. ‘Ja. Op de lagere school in Nederland werd ik meteen in de vijfde klas geplaatst. Toen ik 16 was, maar op papier 19, ging ik al op mezelf wonen. Vanaf je 18de kwam je in aanmerking voor een huisje. Ik weet nog dat ik toen mijn urgentiebewijs aanvroeg bij een mevrouw van de gemeente: ‘Je weet toch wel dat een woning geld kost?’, vroeg ze me. In werkelijkheid was ik 15. Zij dacht: hoe zit dat met die jongen?’

Het lijkt me een raar gevoel om het leven van je broer te leiden. ‘Ik heb daar geen zwaar psychologisch gevoel bij. Maar je moet een aantal dingen sneller doen. Eigenlijk in zíjn tempo.’

U voelde uzelf verplicht dat tempo aan te houden? ‘Ik kon niet anders. En het bood voordelen. Toen ik 15 was, maar dus eigenlijk 12, kon ik een krantenwijk nemen. Daarna ontdekte ik dat ik ’s avonds na school kon werken als schoonmaker. Op die manier verdiende ik geld, voor het gezin.

‘Mijn vaders boodschap was altijd: jullie moeten het beter doen. Wij hebben die kansen niet gehad, maar jullie wel. Zorg dat je het beter doet.’

Ahmed Marcouch wilde graag, maar begreep niet helemaal hoe het Nederlandse systeem in elkaar stak. Hij zat nog op de lagere technische school toen hij zich aanmeldde voor een universitaire studie. Ja, hij kan er nu om lachen. ‘Wist ik veel, dat je daarvoor een vwo-opleiding en wat allemaal meer moest hebben. De dame achter de balie van de Universiteit van Amsterdam was stomverbaasd.’

Hoe lang gaat het nog duren om iets te bereiken?, vroeg hij zich af. Kijk naar Lech Walesa, hield zijn oudere broer hem voor. ‘Die man is arbeider. Hij heeft niet eens de lts gedaan. En zie wat er van hem geworden is.’ Ik besefte: het hangt niet alleen af van je school. Ik kan verder komen.’

Marcouch wilde ‘iets doen met mensen’, wist hij toen al. Hij schreef zich in op een school voor ziekenverzorgenden. ‘Nou, dat heb ik niet lang gedaan.’

U moest ineens vrouwen wassen. ‘Mensen wassen, dat was shocking voor mij. Ik was heel verlegen in die tijd. Ik had daar ontzettend veel moeite mee.

Ik had nog nooit*’

Een bloot iemand gezien? ‘Ja. En ik kon niet tegen mijn begeleider zeggen dat ik dat moeilijk vond. Ik ben gestopt en in een papierfabriek gaan werken. Maar ik baalde dat ik nooit had uitgelegd wat voor schroom ik had.

‘Toen heb ik een boekje gekocht, in de uitverkoop. Daaruit heb ik mijn sociale vaardigheden opgedaan. Er stonden tips in als: rechtop zitten. Let op je handen. Zit niet te veel aan je hoofd. Voor mij ging er een wereld open.’

Die verlegenheid* ‘Timide, eigenlijk. Ik keek naar de grond, keek niemand aan, het zweet stond me op de rug als iemand me aansprak. In Marokko was bescheidenheid een deugd. Ik heb hier echt moeten leren om als eerste je vinger op te steken. En te zeggen: ík.’

Heeft u er nog weleens last van? ‘In zeer bijzondere omstandigheden.’ Hij schiet in de lach.

Zoals? ‘Ik ben nog steeds erg bescheiden. Ik vind het moeilijk om te spreken in gezelschappen van mensen tegen wie ik opkijk, die misschien wel veel meer weten dan ik. Omdat ik vind dat dat niet mijn positie is.’

Zacht: ‘En ik ben verlegen in de sfeer van* als ik iemand leuk vind, snap je. Maar eh* als ik tegen anderen zeg dat ik vroeger zo timide was, zeggen ze: ‘Jíj? Kom op!’

In de papierfabriek was hij een gewaardeerde werknemer. ‘Ik droeg een opschrijfblokje bij me en een pen. Ook zo’n tip uit dat boekje. Actief en geïnteresseerd luisteren: dat doe je door te knikken en af en toe iets op te schrijven. Aan het eind van de vergaderingen maakte de chef een rondje. Ik had me voorgenomen: je hebt altijd een mening, je laat nooit je beurt voorbijgaan. En je bent zo eerlijk mogelijk. Want je zit hier om het bedrijf verder te brengen.’

Hij trouwde, met een meisje uit zijn geboortedorp. ‘Veels te jong’, zegt de inmiddels gescheiden vader van twee zoons en een dochtertje nu. ‘Ik was 18, zij 16. We zijn ook heel jong ouders geworden.’

Marcouch praat voorzichtig over zijn stukgelopen huwelijk.

U kende uw toekomstige vrouw al?

‘Nou, kennen is natuurlijk een groot woord. Ik ging altijd op vakantie in mijn oude geboortedorp. Ik kon haar familie duiden. Dat ze een meisje was van onbesproken gedrag. En dan ga je bij de ouders om haar hand vragen. Het is geen uithuwelijking geweest; het was wel mijn eigen keuze. Maar op die leeftijd realiseer je je niet welke mechanismen je omgeving in werking stelt om je te laten trouwen.’

Had u haar van tevoren weleens echt gesproken? Meteen: ‘Nee.’ Lacherig: ‘ Ik was ook niet van de gesprekken. Ik was dat verlegen jongetje. Ik had geen idee. Ik had ook helemaal geen ervaring met relaties.’

Is het niet vreemd te gaan samenwonen met iemand die je nauwelijks kent? ‘Jij hebt dat gevoel omdat de cultuur van waaruit jij denkt een heel andere is. Voor mij was het: ik heb een vrouw en zij heeft een man en nu gaan we onze huishouding opbouwen. Maar ik moest mezelf nog helemaal ontwikkelen. Ik was zoekende, had allerlei banen. Ik kon haar niet goed helpen.’

Voor haar moet het ook erg moeilijk zijn geweest. Rechtstreeks vanuit Marokko hiernaartoe. ‘Komen we weer op de teletijdmachine van professor Barabas. Voor een vrouw is het natuurlijk nog veel en veel erger. In ons geboortedorp ging een vrouw alleen de straat op met haar man. Terwijl ik al snel van mijn echtgenote verwachtte dat ze zelfstandig werd, zelf boodschappen deed, Nederlands ging leren. Maar daar was zij niet op geprepareerd.’

En dat deed de relatie ook geen goed. ‘Nee. Als je iemand op zijn Verdonks moet dwingen om drempels te nemen, komt dat je relatie niet ten goede.’

Zo probeerde u haar verder te helpen, op z’n Verdonks? ‘Op een stevige manier, ja. Want je begrijpt het niet. Je denkt: ga nou die taalcursus doen, andere vrouwen mógen dat niet eens van hun man. Pas veel later besef je hoeveel innerlijke obstakels zij moest overwinnen, om die stap te zetten.’

U praat er rationeel over, maar het moet zwaar zijn geweest te scheiden. ‘Het was de moeilijkste beslissing uit mijn leven. Als er iets is wat mij heeft getekend, is het mijn scheiding.’

Waarom precies? ‘Het gevoel dat je je kinderen tekort doet. Ik heb geprobeerd daar zo voorzichtig mogelijk mee om te gaan. Ik heb een ontzettend goede relatie met mijn kinderen en ex-vrouw – ik spreek ze elke dag. Mijn dochtertje van 7 breng ik elke morgen naar school, ik mis geen enkele ouderavond.’

Ik kan me voorstellen dat er door Marokkaanse ouders wordt gezegd: ‘Wat moet hij mij vertellen over het opvoeden van kinderen; hij is zelf gescheiden.’ ‘Ja, dat kan spelen. Met een scheiding loop je niet te koop in de islamitische wereld. Maar ik weet ook dat veel kinderen die een probleem met zichzelf hebben, het product zijn van slechte huwelijken. In mijn werk als politieman was ik veel tijd kwijt aan relatieconflicten. Als ik zie hoe ouders elkaar soms het leven zuur maken, denk ik: je doet je kinderen een groot plezier door uit elkaar te gaan.’

Heeft u nu een relatie? ‘Nee.’

Bent u na de scheiding nog relaties aangegaan? ‘Nee. Het is bij mij niet zo van: je maakt een einde aan iets en begint aan iets nieuws. Het zijn zware jaren geweest. En ik heb het zo druk met alles. Ik wil alle tijd en ruimte die ik overhoud in mijn kinderen steken. Aarzelend: ‘Ik heb ook nog niet iemand ontmoet met wie ik* Ik ben er ook niet zo mee bezig* Je kunt het bindingsangst noemen.’

Terwijl u goed ligt bij vrouwen, hoorde ik. ‘Is dat zo? Oké. Ja, eh*’ Verlegen lach: ‘Nou goed, dan weet jij meer dan ik.’

Na drie jaar papierfabriek meldde hij zich aan bij de politieschool. Ergens nog vanuit een vaag jeugdsentiment. Vroeger luisterde hij in de deuropening van het koffiehuis naar de ronkende motoren en gillende sirenes van Starsky & Hutch – de dirham toegang tot deze dorpsbioscoop kon hij niet betalen.

Tien bevredigende jaren werkte hij als agent, terwijl hij daarnaast een hbo-opleiding maatschappijleer volgde, voordat hij de politiek zou ingaan. ‘Politieman is een mooi beroep. Als je je vak snapt, is het een goede plek om mensen te helpen – mijn roeping.’

Waar komt die roeping vandaan? ‘Die is vooral religieus geïnspireerd. Dat je het beste moet doen voor de mensen. Dat je voor ze klaar moet staan. Dat je voor anderen van betekenis moet zijn. En dat je het maximale uit jezelf moet halen. Dat zat er heel diep in, bij ons in het gezin.’

Er zijn ook moslims die zeggen: ‘We hebben ons neer te leggen bij ons lot, het is nu eenmaal Allah’s wil.’ Kortaf: ‘Ja, nou, die hebben het niet goed gesnapt.’ Lachend: ‘Die hebben het écht niet goed begrepen.’ Hij houdt een vurige monoloog, dat God de mensen verstand heeft gegeven.

Bent u nog steeds blij dat u het hebt gebracht tot voorzitter van Slotervaart? ‘Ja. Ik heb een missie hier.’

U raapt ook de blikjes op van straat, hoorde ik. ‘Is prettig om te doen. Ik vind het raar om langs zo’n blikje te lopen en het níet weg te gooien.’

U doet zo uw best, werkt zo hard om de wijk te verbeteren. Maakt het u niet boos dat tijdens zo’n nieuwjaarsnacht alsnog het politiebureau wordt aangevallen? ‘Tuurlijk. Ik ben woedend op die jongeren. En op hun ouders. Niemand heeft de telefoon gepakt. Er zijn parkeermeters vernield en niemand heeft gezegd: ‘Nu ga ik de politie alarmeren.’ Dat vind ik schandalig. En ik ben boos op mezelf. Dat ik niet hard genoeg voorbereidingen heb getroffen.’

Maar u hebt gewaarschuwd dat er rellen konden uitbreken. Voorzichtig: ‘Ja, ja. Dus, eh* Maar misschien had ik veel ernstiger moeten roepen.’

Burgemeester Cohen moet van die waarschuwing hebben geweten. ‘Ik heb hem niet gebeld. Ik heb de lokale politiechef hier gewaarschuwd: hou rekening met rellen.’

U heeft gewaarschuwd en toch legt u nu deels schuld bij uzelf. ‘Het is voor mij een les. En ik wil niet naar die-en-die wijzen.’

Uw naaste medewerkster noemt u een gereformeerde Marokkaan. ‘Ik kan me niet indenken hoe een gereformeerde zich voelt.’

‘Enorm streng voor zichzelf’, zei ze. ‘Ah, zo!’ Denkt even na: ‘Misschien is die strengheid voor mezelf de eigenschap die heeft gemaakt dat ik heb doorgezet. Om te doen wat ik heb gedaan.’

cv

AHMED MARCOUCH

geboren 1969, Beni-Boughafer, Marokko

burgerlijke staat Gescheiden, twee zoons, een dochter

opleiding Lts, politieschool, hbo maatschappijleer

carrière

1993-2003 opsporingsambtenaar politie Amsterdam-Amstelland

2000-2001 docent maatschappijleer

2002-2003 docent inleiding sociale wetenschappen

2003-2005 coördinator jeugd- en veiligheidsbeleid Zeeburg

2006 projectleider landelijk expertisecentrum diversiteit politie

2004-2006 bestuurslid Unie Marokkaanse Moskeeën Amsterdam en omstreken

2006 voorzitter stadsdeel Slotervaart in Amsterdam

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden