Afzetten tegen de arrogantie van de natuurwetenschap

Begin vorige eeuw waren wetenschappers veel geëngageerder dan vaak wordt gedacht. Het beeld is vertekend door kopstukken als Lorentz....

Universiteiten moeten hun studenten laten zien dat de werkelijkheid gecompliceerd in elkaar zit. Ze moeten voorkomen dat studenten achter de simpele oplossingen van populisten aanlopen.

Dat vond de bioloog Hermann Jacques Jordan (1877-1942) ten tijde van de crisis in de jaren 1930. Simpele oplossingen bestaan niet, vond Jordan, en we moeten proberen de maatschappij in zijn complexe geheel te begrijpen.

Jordan is een van de geëngageerde wetenschappers die wetenschapshistoricus David Baneke behandelt in zijn proefschrift Synthetisch denken (een handelseditie verschijnt bij Uitgeverij Verloren), waarop hij deze week promoveerde aan de Universiteit Utrecht. Banekes onderzoek ging over de maatschappelijke bemoeienis van natuurwetenschappers in de periode tussen 1900 en 1940.

Historici gingen er tot nu toe vanuit dat Nederlandse wetenschappers in die tijd nauwelijks geëngageerd waren. ‘Dat kwam doordat ze alleen keken naar een aantal grootheden, zoals de natuurkundige Hendrik Lorentz’, zegt Baneke.

‘Die hield zich inderdaad ver van het maatschappelijk debat. Maar mijn onderzoek gaat over iets minder bekende wetenschappers, zoals de astronoom Anton Pannekoek, de chemicus Hugo Kruyt en de natuurkundige Philip Kohnstamm. Die waren wel degelijk bezig met wat er in de samenleving speelde.

‘Kohnstamm werd zelfs voorzitter van de Vrijzinnig Democratische Bond, een liberale partij. Over de rest van Europa wisten we al dat natuurwetenschappers in die periode betrokken waren. Nederland is nu dus geen uitzondering meer.’

De onderzoekers over wie Baneke schrijft zetten zich fel af tegen negentiende-eeuwse natuurwetenschappers, die ze arrogant vonden: ‘Die negentiende-eeuwers dachten dat hun methode overal op toepasbaar was’, legt Baneke uit. Ook op de psychologie bijvoorbeeld.

Maar dat bleek niet te werken: ‘Rond 1900 waren de meesten ervan overtuigd dat de natuurwetenschappelijke methode tekortschoot voor psychologie en dat soort wetenschappen. Maar ze lieten het idee van één aanpak voor alle wetenschappen niet los.

Baneke: ‘De natuurwetenschappelijke methode had volgens hen alleen een aanvulling nodig. Dan zou er één methode ontstaan voor alle disciplines.’

Vandaar de titel van het boek, Synthetisch denken. ‘De wetenschappers uit mijn boek waren op zoek naar een holistische visie op de werkelijkheid, waarin ze alles konden beschrijven’, zegt Baneke. ‘Daarmee probeerden ze de verkruimeling van kennis door steeds verder gaande specialisatie tegen te gaan. En de synthese was ook gericht tegen politieke verkruimeling door de verzuiling.’

De wetenschappers uit Banekes boek achtten zichzelf bij uitstek geschikt om bij te dragen aan de politiek. Als neutrale, onafhankelijke wetenschappers konden zij maatschappelijke problemen beter doorgronden dan politici zonder wetenschappelijke achtergrond, vonden ze zelf.

‘Politici speelden volgens hen met vuur. Ze probeerden een maatschappij te regeren die ze niet meer begrepen’, zegt Baneke. ‘Denk aan de rol van techniek. Politici hadden het dramatische verloop van de Eerste Wereldoorlog niet voorzien doordat ze de techniek niet begrepen. Of neem het leven van arbeiders in fabrieken. Daar wisten politici ook niets van en daardoor hadden ze geen greep op al die arbeiders.’

Die zouden zich daardoor wel eens bij al te linkse arbeidersbewegingen aan kunnen sluiten. ‘Wetenschappers hadden daarom veel behoefte aan intellectueel leiderschap’, zegt Baneke. ‘Angst voor de massa was een belangrijke reden voor hun engagement.’

Ondanks hun maatschappelijke betrokkenheid vonden de wetenschappers niet dat universiteiten zich bezig moesten houden met de toepassing van kennis.

Baneke: ‘Er werd in die tijd veel gediscussieerd over de status van de Technische Hogeschool in Delft en de Landbouwhogeschool in Wageningen. De wetenschappers die ik onderzocht, vonden dat er een duidelijke grens moest zijn tussen de universiteiten, die kennis leverden, en de hogescholen, die kennis toepasten.

Sindsdien zijn universiteiten en hogescholen veel meer naar elkaar toe gekropen. Delft en Wageningen zijn zelfs universiteiten geworden. Maar de discussie over de verhouding tussen hogeschool en universiteit loopt nog steeds.’

Banekes boek eindigt in 1940. ‘In de oorlog hielden veel van de discussies die ik bespreek op. Of ze verplaatsten zich naar het kamp in Sint-Michielsgestel, waar veel intellectuelen gevangen zaten. Maar na de oorlog bleken veel van de idealen nog te leven. Dat is te zien aan de bloei van instanties als het Centraal Planbureau en TNO in die tijd.’

Die deden precies wat de hoofdpersonen uit Banekes boek ook al wilden: als wetenschapper advies geven voor beleid over ingewikkelde zaken. De wetenschappelijke deskundige – op welk terrein ook – is sindsdien niet meer weg te denken uit de politieke besluitvorming.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden