Aftelversjes

Realisten mopperen al jaren dat ze niet serieus genomen worden door de kunstkritiek en de musea. Dus hoe goed is hij nu, Henk Helmantel, al decennialang de kampioen van de realisten en hoe verhoudt hij zich tot zijn illustere voorgangers uit de Gouden Eeuw?...

Helmantel, geboren in 1945, is in de laatste twee decennia uitgegroeid tot een boegbeeld van de realistische schilderkunst in Nederland. Die sector is vrij omvangrijk en heeft haar eigen circuit van liefhebbers, verzamelaars en galeries. In de jaren zestig en zeventig bezat Galerie Mokum zo'n beetje het monopolie en hadden de realisten in de persoon van Dieuwke Bakker een galeriehoudster die 'haar' kunstenaars met verve verdedigde tegenover de ongeeresseerde musea. Tegenwoordig zijn er tal van galeriedie het gebied van de realistische schilderkunst bestrijken, in de vele varianten die ze kent van natuurgetrouw tot fantastisch of magisch realisme. Begin dit jaar werd er in Amsterdam voor het eerst een aparte kunstbeurs gehouden waar die galeriehun krachten bundelden.

In dat circuit spelen ook instellingen een rol, de ING-bank begon al omstreeks 1980 met de opbouw van een grote collectie van vooroorlogse magisch realisten en hedendaagse realisten (waaronder mooi werk van Matthijs Rg, verreweg de beste van zijn generatie). Later kwamen daar twee particuliere musea bij. Museum De Buitenplaats in het Drentse Eelde besteedt overwegend aandacht aan hedendaagse realisten, vooral aan het grote contingent Noord-Nederlanders dat zich rond de Academie Minerva in Groningen vormde.

Het Frisiamuseum in Spanbroek profileert zich door vooral zijn imposante historische collectie met werk van de 'grote vijf', Hynckes, Ket, Koch, Schuhmacher, Willink, en een aantal binnen-en buitenlandse tijdgenoten. Ze kan concurreren met de beste museale collecties op dat gebied, zoals die in Arnhem.

Het realisme bloeit en heeft een veel groter bereik dan enkele decennia geleden. De respons van de 'gewone' musea is echter nog steeds gering en hetzelfde geldt voor de kunstkritiek, reden waarom onder realisten en hun bewonderaars een gevoel van miskenning heerst. Diederik Kraaijpoel is daarvan al sinds jaar en dag de meest welsprekende vertolker. In zijn artikelen en boeken verwijt hij de Nederlandse musea dat ze krampachtig vasthouden aan de modernistische canon - die het realisme naar de marge heeft verdreven. Wat de musea als de ware kunst van deze tijd presenteren is alleen maar een eindeloze herhaling van hetgeen ooit avant-gardistisch en origineel was.

In het buitenland is men inderdaad misschien iets ruimdenkender. Mede door de postmodernistische verruiming van de canon is er ook in de grote musea meer aandacht voor realistische kunstenaars, maar die zijn vaak wel van een ander kaliber. Ouderen zoals Balthus en Lucian Freud maken internationaal furore. In het New Yorkse Guggenheim Museum, vanouds bolwerk van het modernisme, werd enkele jaren geleden zelfs een tentoonstelling gewijd aan Norman Rockwell (onsterfelijk geworden met zijn omslagen voor de Saturday Evening Post), met een catalogus waarin Robert Rosenblum de kunstenaar postuum zijn zegen gaf.

Omstreeks dezelfde tijd schreef hij een inleiding in de catalogus van een overzichtstentoonstelling van Sol LeWitt. Zo'n crossover is in Nederland tamelijk ondenkbaar. Co Westerik is zo ongeveer de enige naoorlogse realistische schilder, als die term op hem van toepassing is, die in de musea en de kunstkritiek breed wordt gewaardeerd, maar hij heeft zich altijd verre gehouden van de Mokumschool en aanverwante realisten.

Hebben de realisten en hun verdedigers gelijk dat zij niet naar waarde worden geschat in de offici kunstwereld? Discussie daarover wordt zelden gevoerd, omdat de circuits praktisch gescheiden opereren. Toch is dat jammer want zo'n discussie zou clichkunnen doorprikken en begrippen kunnen verhelderen die vaak klakkeloos worden gebruikt. Wat is die kwaliteit waar musea zich vaak op beroepen, wat is dat vakmanschap dat door realisten vaak wordt geclaimd als exclusieve eigenschap, wat is het actuele van actuele kunst en wat is de betekenis van traditie of van het verzet ertegen? Wat is kortom de basis voor het oordeel over de kunst die nu wordt gemaakt, van welke soort dan ook. Vergelijken is een spannend en leerzaam spel, ook tussen appels en peren: bijvoorbeeld tussen Appel en Helmantel. Of tussen Helmantel en Dibbets en Saenredam.

Helmantels werk heeft altijd zeer tegengestelde reacties uitgelokt. Voor de ene helft van het publiek is hij een groot schilder, de andere helft verafschuwt zijn werk. Als een van de weinige realisten heeft hij langzaamaan entree gekregen in de museumwereld, eerst in het Singer Museum (1979 en 1991), vervolgens in het Rembrandthuis (2000, geen museum voor hedendaagse kunst maar wel prestigieus vanwege de naam), en dit jaar in het Drents Museum en het Noordbrabants Museum die zich wel op hedendaagse kunst richten.

De tentoonstelling in Den Bosch biedt een ruim overzicht van Helmantels oeuvre. Ze begint met ruim een dozijn jeugdtekeningen, stillevens, portretten en een aantal kleurpotloodtekeningen naar Rembrandt, Rubens en Vermeer. Vervolgens is er een dozijn tekeningen en schilderijen uit zijn Groningse academietijd, 1960-1965 en kort daarna, ontstaan tussen zijn vijftiende en driewintigste jaar.

Het zijn voornamelijk portretten, landschappen en stillevens naar de natuur, maar er hangt ook een geschilderde kopie uit 1963 (en nog een reprise uit 1993) van Rembrandts beroemde late zelfportret in Kenwood, Londen, met twee cirkelfragmenten op de achterwand.

De suggestie die van deze ruime presentatie van vroeg werk uitgaat, is dat Helmantel van kindsbeen af de oude meesters als richtsnoer nam. Daarnaast zijn er onder de stillevens en landschappen enkele in een losse, wat impressionistische toets, die anno 1968 ook al niet gangbaar meer was. Een duidelijke keuze dus voor het verleden, een anti-modern programma dat zeker in retrospectief interessant zou kunnen zijn, maar dat niet wordt gedragen door het werk. Dat is namelijk in elke techniek en stijl die hij uitprobeerde uiterst middelmatig. Het wekt de indruk van schromelijke zelfoverschatting: 'ik kan het ook zDat blijkt niet het geval. Niet erg op die leeftijd, alleen wel een veeg teken dat dit alles in de tentoonstelling en catalogus breed wordt uitgemeten, alsof de genie zich al op kinderleeftijd openbaarde.

Maar laten we jeugdzonden vergeven en Helmantel de maat nemen aan het werk dat in zijn volwassen bestaan tot stand is gekomen, de kerkinterieurs en stillevens vanaf eind jaren zestig waarmee hij bekend is geworden: aan zijn ambities en wat hij daarvan waarmaakt. In die schilderijen gaat hij, nog veel sterker en directer dan in zijn jeugdwerk, de wedstrijd aan met de meesters van weleer, met de stillevenschilders van de Gouden Eeuw en met een kerkenschilder als Saenredam, maar ook met schilders uit een meer recent verleden als Floris Verster, Jan Mankes en Dick Ket.

Originaliteit in de keuze en behandeling van het onderwerp is duidelijk niet zijn grootste zorg. Tegelijk benadrukt Helmantel (in een door hemzelf afgenomen interview in de catalogus) dat zijn werk van deze tijd is. Het gaat hem niet zoals de 17de-eeuwse schilders om de thematiek of de inherente symboliek maar om de formele kwaliteiten van het schilderij zoals kleur en compositie. Vandaar dat hij ook Mondriaan, Malevich, Rothko en Ad Dekkers noemt onder de kunstenaars die hij waardeert. En hij wil geen fijnschilder heten, de textuur van de verf is voor hem belangrijk.

De tentoonstelling biedt een goede gelegenheid om die formele kwaliteiten van zijn werk te toetsen. En dan ontkomt de kijker niet aan de vergelijking met de bewonderde voorbeelden, ook al is hun werk niet ter plekke aanwezig. Qua compositie bijvoorbeeld. Helmantels stillevens kennen een paar vaste ordeningsprincipes: de objecten zijn in de breedte opgesteld, tegen een vlakke wand en op een tafel of plank parallel aan het beeld waar je op ooghoogte of iets van boven tegenaan kijkt. Of ze zijn verspreid op de vloer en dan kijk je er bovenop. De eerste, getalsmatig grootste groep vertoont veel overeenkomst met de 17de-eeuwse Nederlandse stillevenkunst, al is zo'n compositie van voorwerpen nadien overal eindeloos gevarieerd. Bij de tweede groep, de van boven geziene stillevens, komt Ket sterk in gedachten.

Wat nu opvalt aan Helmantels composities is hoe weinig gevoel hij heeft voor de subtiele samenklank der dingen in een stilleven. Hoe ze ten opzichte van elkaar staan en liggen, hoe overlappingen (het ene ding voor het ander) zijn vormgegeven, hoe de objecten zich verhouden tot de vlakke ondergrond of achtergrond en die in het spel weten te betrekken. Bij Willem Kalf (maar ja, dan noem ik ook wel een grootmeester) vormen al die elementen een symfonie, bij een intimist als Adriaan Coorte klinkt kamermuziek, maar bij Helmantel lijkt het of er een aftelversje wordt gezongen.

Nog dramatischer pakt de vergelijking in de andere groep uit met Dick Kets werk. Bij Ket heerst een extreem vogelperspectief, hij veroorlooft zich krasse vertekeningen ten opzichte van de werkelijkheid zonder dat die ongeloofwaardig wordt. Ket weet het vlak en de betrekkingen tussen de dingen barstens vol spanning te laden. Bij Helmantel, bijvoorbeeld in zijn Stilleven met witte schaal uit 1997, zie je wat voorwerpen verspreid over een stuk vloer staan en je denkt: 'so what'.

De plint vormt in dat schilderij een obligate afsluiting, de restruimten van vloer en wanden zijn restruimten en niet meer dan dat. Ook de referentie aan Mondriaan of Malevich in sommige schilderijen betreft louter uiterlijkheden, een combinatie van rood/geel/blauwe attributen of een 'suprematistische' plaatsing van elementen in het beeldvlak. Het is alles gedaan zonder enig inzicht in het raffinement waarmee zijn voorbeelden uit een nabij of verder verleden tewerkgingen.

Bij stillevens, dat is het verraderlijke van het genre, is de wijze waarop de ruimte rondom de dingen wordt gearticuleerd minstens even belangrijk als de weergave van de dingen zelf. En ook de maat luistert nauw. Op groot formaat zijn de stillevens van Helmantel (dat geldt evenzeer voor de recente grote kerkinterieurs) alleen nog maar levenlozer en wezenlozer.

Een ander punt waarop de schilderijen om nauwkeurige observatie vragen, betreft de schilderwijze en de textuur van de verf. Helmantel zegt geen fijnschilder te zijn; dat is ten dele waar, al lijkt hij met die uitspraak vooral de associatie met gepeuter te willen vermijden dat realisten vaak wordt verweten. In zijn schilderijen probeert hij een goede stofuitdrukking te bereiken (de suggestie van verschillende substanties, het harde en transparante van glas, de zachte huid van een perzik) en tegelijk de verf als materie een zekere eigen waarde geven.

Dat is een van de lastigste problemen waar een figuratief schilder, vooral een stillevenschilder, mee geconfronteerd wordt, of hij nu Matisse of Helmantel heet, en erg ver komt de laatste er niet mee. Zijn beste stillevens zijn die waarin de stofuitdrukking de gedachte aan verf verdringt, meestal werken van klein formaat. Als de verfstreek zichtbaar blijft staan, gaat die vaak in tegen het illusionistische effect; als hij de textuur laat spreken worden de substanties naar elkaar toegetrokken en krijgen ze iets stopverfachtigs.

Onthullend in de tentoonstelling is het vertoonde filmpje van Helmantel in zijn atelier, bezig aan een schilderij, eerst los penselend, in volgende stadia nader preciserend: die eerdere stadia dragen wat verfstreek en verfmaterie betreft niets bij aan het uiteindelijk resultaat. De transparantie van het verfoppervlak en de subtiele doorwerking van de onderschildering die bij een Kalf, een Saenredam, een Verster of een Mankes de magische werking van het beeld bepalen, ontbreken bij hem ten ene male.

Helmantels werk maakt op mij altijd de indruk alsof iemand een tekst voorleest in een taal die hij niet goed begrijpt. Misschien is dat wel het probleem in het algemeen van het realistisch schilderen in de 20ste eeuw - de woorden zijn bekend maar slechts weinigen kennen de syntaxis en de grammatica.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.