Afscheid van paters en ouderlingen

IN DE literatuurbeschouwingen wordt nogal eens geschermd met het begrip noodzaak. Als die moeiteloos kan worden herkend, zou het boek geslaagd zijn....

Dat klinkt overzichtelijk, maar het criterium van de noodzaak biedt hoofdzakelijk inzicht in de beweegredenen van de auteur. Het geeft nog geen uitsluitsel over het literaire gehalte van het gebodene. En waar blijven we met die overzichtelijkheid, als we met evenveel recht kunnen beweren dat kunst en schoonheid pas werkelijk kunnen bloeien wanneer er niet direct van nut of noodzaak sprake is?

Tymen Trolsky (1948) en Paulo van Vliet (1966) hebben beiden onlangs een roman gepubliceerd die geschreven moest worden. Aan de noodzaak van hun arbeid hoeft geen moment te worden getwijfeld. Trolsky (pseudoniem van Jasper Mikkers, die ook onder zijn eigen naam drie boeken schreef) plant de 13-jarige Henri Pafort in het Brabantse kleinseminarie Bonaventura. We schrijven de jaren vijftig, toen de bebaarde paters nog menige jongeling in de afzondering van het seminarie rijp trachtten te maken voor het nobele ambt van priester.

Moeten we soms denken aan een eenzelvige puber, die zich alleen door dromerijen, literatuur en liefde voor de natuur probeert te wapenen tegen een verterend heimwee?

Jawel. In die vervlogen jaren stonden de muren van het seminarie nog fier overeind, en daarbinnen rook het allesbehalve fris: 'De jongens droegen een lucht bij zich die niet te harden was, een mengsel van oud zweet, paardenstront, zure melk en ongewassen schapenwol, aangelengd met jong zweet, kaftpapier, mottenballen en de stijfselgeur van wasserijen.'

Het einde van de eeuwigheid heet deze roman van ruim vierhonderd bladzijden, maar de hoop op een ommekeer die in de titel besloten ligt, dient door de lezer evenzeer verbeid te worden als door de jonge Henri Pafort.

De auteur is er eens goed voor gaan zitten. Hij schrijft correcte zinnen, maar hemel, wat moeten we doorstaan voordat de nieuwe tijd aanbreekt en rector Faustinus (voor subtiele symboliek zijn we hier aan het verkeerde adres) begrijpt dat je kinderen niet hardhandig in isolement kunt kneden. Met de aankondiging dat Bonaventura gesloten zal worden, komt deze roman ten einde.

Eerder heeft de dood zijn almacht bewezen, door de seminarist Sander Mutsaers uit de wurggreep van de paters te halen. Eerder ook heeft door de komst van de ongezeglijke Eugène Pafort, een oudere neef van Henri, de bravoure en provocatie van de nieuwe jeugd bressen geslagen in het ogenschijnlijk onaantastbare gezag dat als een moerasgas uit de onwelriekende pijen van Gods dienaren walmde.

In het eerste deel van de roman kunnen rector en paters de smeulende brand in de jongenszieltjes nog blussen onder verwijzing naar de beproevingen die God nu eenmaal elk individu bereidt. Het gaat erom die te boven te komen. Maar de dood, de twijfel, de meisjes, het nihilisme, rationalisme, existentialisme en de allerminst muffe geuren van 'de buitenwereld' vormen bij elkaar een bombardement waartegen vrome leuzen ten langen leste niet meer helpen.

Kalm, om niet te zeggen dodelijk rustig, schrijft Trolsky dit provinciaalse drama van zich af. Zo maakt hij alleszins duidelijk waarom hij dit moest doen.

Nou wíj nog.

Want sapristi, er moet iets met de taal gebeuren voordat de noodzaak van de schrijver ook die van de lezer wordt. Het einde van de eeuwigheid is bepaald geen Verdriet van België (1983), die andere reuzenroman waarin Hugo Claus het nonneninternaat van zijn vroege jaren opnieuw betrad. De verstikking kan ook met verbale wellust worden opgeroepen, zo bewees Claus in zijn majesteitelijke boek. De droge stijl die Trolsky daarentegen hanteert, is er een van de opsomming: 'Er waren dagen dat alles in het gebouw naar de dood rook, naar neergeslagen wierook, oud hout, ongeluchte misgewaden, stoffige, vergeelde boeken. Op andere dagen leek hij langzaam te stikken in het luchtledige van de abstractie waarin zijn leven gehuld was.'

Van zulke passages is de roman vergeven. Loosjaren, heeft Trolsky de plaats gedoopt waar Bonaventura stond. Het schrijven is een monnikenarbeid geweest, en nu ligt er een boek als een molensteen. Even degelijk als geurloos. Een bevrijding voor de auteur, wellicht. De leeslast is echter onmetelijk zwaar. Mufheid met mufheid bestrijden is een riskante onderneming, moest déze lezer concluderen. Met spijt moet worden vastgesteld, dat het niet nodig is Het einde van de eeuwigheid te gaan lezen.

Dat ligt anders bij Paulo van Vliet, die als voormalig lid van de Jehova's Getuigen eerder Uitgesloten schreef over zijn verwijdering uit deze organisatie. 'Innerlijk bleef het knagen', bericht hij in de opvolger Elite, die als een 'documentaire roman' wordt gepresenteerd. Zijn alter ego en ik-figuur heet Jonathan, opgegroeid in Australië en Nederland als kind van overtuigde Jehova's Getuigen. Inmiddels is hij al enige jaren 'uit de waarheid', maar hij heeft moeite met het onbeschermde leven als individu - zonder de zekerheid dat Armageddon en de opstanding der doden uiteindelijk het aardse leven en streven zin en verlossing schenken.

Die moeite komt onder meer tot uiting in Van Vliets onvaste stijl. 'Ergens snap ik het wel' en 'Dit was mijn eigen, individuele manier om een Mars te eten' kan hij zonder blikken of blozen schrijven, en dat zijn zinnen van een aandoenlijke onnozelheid. Jonathan is gehecht aan zijn ouders, en moet toezien dat zijn doodzieke vader (de ouderling Joop) in het ziekenhuis bloedtransfusie weigert en daarmee zijn doodvonnis tekent. Tien jaar later sterft ook zijn moeder (Jopie), die in 'de waarheid' bleef vanwege het sociale netwerk, niet omdat zij nog vreugde kon putten uit de gedachte tot de uitverkorenen te behoren.

Elite is een sympathiek boek, omdat Van Vliet in zijn enigszins malende schrijftrant de wankelmoedigheid van zijn hoofdpersoon zichtbaar maakt. Is het die stuurloosheid of is het regelrecht talent, dat hem af en toe een scène ingeeft die doel treft? Vader in het ziekenhuis, met de dood in de ogen, tot zijn zoon:' 'In de ijskast staat een Duveltje. Dat moet jij maar opdrinken dan.' 'Volgens mij staan er twee', antwoordde ik. 'O', zei hij met iets van spijt in zijn stem.' En dan komt het: 'Die middag keek ik bij toeval in de koelkast. Er stond maar één flesje. Stel je voor dat hij nu doodgaat, dacht ik. Dan denkt hij dat er nog twee Duvels waren. Ik zorgde dat ik zo snel mogelijk in het ziekenhuis kwam. 'Pa', zei ik hijgend, 'je had gelijk: er was er maar één. Eén Duveltje.' Mijn vader was aan het proberen om niet te stikken. Hij gaf met een knik te kennen dat het er niet meer toe deed.'

De onbekommerdheid waarmee Van Vliet deze kleine anekdote opdist, met een haast alsof hij tijdens het schrijven door dezelfde redeloze onrust werd bekropen als toen deze scène zich jaren terug ontrolde, wekt naast een glimlach ook begrip op. Natuurlijk doet het er geen moer toe of er nu één of twee Duvels in de ijskast staan als je vader op datzelfde moment op sterven ligt. Tegelijk is het zonneklaar waarom de zoon na zijn ontdekking halsoverkop naar het ziekenhuis terug wil.

Mooi of indrukwekkend kan Elite niet genoemd worden, maar Van Vliet draagt zijn drang om dit boek te maken wél over. De troosteloosheid van ouderlingen die op 'velddienst' moeten om zieltjes te winnen, zichzelf wegcijferend in hun ijver voor de goede zaak, wordt met liefdevolle afkeer opgeroepen. 'Toen mijn vader ouderling was, kreeg ik geleidelijk aan een idee van hoe het lichaam van ouderlingen in elkaar zat.'

Een ramp van een zin, maar Van Vliet kán niet anders. Hij schrijft geen literatuur, maar Elite was wel noodzakelijk. Coulanter kan de aanbeveling niet uitvallen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden