Afscheid van mijn eerste leermeester

Nu het jaar vrijwel ten einde is, dringt de vraag zich op welke gebeurtenis op damgebied de meeste indruk heeft achtergelaten....

Smit, die bijna acht maanden geleden, in de laatste week van april, op 79-jarige leeftijd in zijn woonplaats Haarlem overleed, was wat men een sterke hoofdklasser pleegt te noemen. Géén speler echter van meester-, laat staan grootmeesterniveau. En baanbrekende (dam)boeken heeft hij evenmin geschreven. Daardoor zullen vooral jonge dammers zijn naam niet of nauwelijks kennen. Desondanks past het, vind ik, stil te staan bij de betekenis die Smit voor de damsport heeft gehad.

Die betekenis is niet gering. Zo redigeerde Smit liefst negentien jaar lang, om precies te zijn tussen 1950 en 1969, de wekelijkse damrubriek in Trouw, het dagblad waaraan hij zich ook levensbeschouwelijk verwant wist. Ook versloeg hij voor Trouw de belangrijkste dam-evenementen van die jaren, zoals de historische tweekamp om het WK 1958 tussen de Canadees Deslauriers en Koeperman (de eerste Sovjet-Russische speler die voet op Westerse bodem zette) en de Brinta-toernooien die begin jaren zestig in Hoogezand-Sappemeer werden gehouden.

In die dagelijkse verslagen en wekelijkse analyses toonde Smit, die over een zwierige pen beschikte, zich een scherp waarnemer. Maar naast zijn grote analytische vermogen had hij ook een 'neus' voor kwaliteit. Zo onderkende Smit al in de jaren vijftig het grote belang van de partijen die hij van diverse correspondenten uit de toenmalige Sovjet-Unie, onder wie de eveneens dit jaar overleden Oekraïnse meester Vladimir Kaplan, kreeg toegezonden.

Smit was dan ook de eerste die in zijn rubriek de partijen van topspelers als Koeperman, Sjtsjogoljev en Andreiko publiceerde of de composities van een problemist als Kovrizjkin onder de aandacht van het Nederlandse publiek bracht. Om echter ook anderen dan uitsluitend Trouw-lezers in de gelegenheid te stellen van deze ontwikkelingen kennis te nemen, richtte hij met collega-damjournalisten als R.C. Keller en Henk Fokkink de Persvereniging van Damredacteuren op, welke instelling ruim twintig jaar lang de veruit belangrijkste bron van informatie voor Nederlandse dammers is geweest.

Toch zou dit stukje mogelijk nooit geschreven zijn wanneer er niet een bijzondere band tussen Smit en ondergetekende had bestaan. Maar die band was en is er waarachtig wèl. De basis ervoor werd gelegd in 1961, toen mijn vader mij (ik was nog geen twaalf jaar oud) als lid van de Christelijke Damvereniging Amsterdam (CDA) aanmeldde. Samen met toenmalig jeugdkampioen Leen de Rooij ontfermde Smit, toen nog in zijn geboortestad woonachtig (pas in de tweede helft van de jaren zeventig zou hij Amsterdam voor Haarlem verruilen), zich over het nieuwe jeugdlid. Dat werd al in 1962 in Smits rubriek in Trouw een toekomst als 'wereldkampioen' voorspeld. Een wel heel gewaagde profetie, maar in dit geval niet volslagen onzinnig, zoals tien jaar later blijken zou.

In die beginjaren, die voor mijn vorming-als-dammer zo buitengewoon bepalend zijn geweest, had Smit, met zijn vaak enthousiaste verhalen over de grote meesters uit verleden en heden en de verschillende speelstijlen die zij erop na plachten te houden, een grote invloed op mij. Zijn damtechnische voorliefdes werden ook de mijne, en sommige zijn dat tot op de dag van vandaag gebleven. Om slechts één enkel voorbeeld te noemen: als ik, zoals in mijn partijen tegen Schotanus (NK 1988), Samb (trainingsmatch 1999) en Georgiev (EK 1999), de openingszet 1.34-29 met 1...20-25(!) + beantwoord, dan is dat nog steeds het gevolg van de (vèrreikende) invloed die Henk Smit op mij gehad heeft!

In de loop van 2001 zal in een bescheiden oplage een dito boekje verschijnen dat geheel en al aan leven en werken van mijn eerste leermeester gewijd is. In dat boekje zal ik de beste en/of interessantste partijen die Smit tijdens zijn lange carrière gespeeld heeft (hij is tot enkele jaren voor zijn dood voor Damclub IJmuiden blijven uitkomen), van commentaar voorzien. Vanzelfsprekend zal dan ook de fraaie opsluitingspartij (Smit 'had' iets met de rechter vleugelopsluiting) die hij in het Noord-Hollands kampioenschap 1959 tegen Piet van Heerde speelde en die ik in 1979 al eens in deze rubriek behandeld heb, uitvoerig aan de orde komen.

Hier echter ontbreekt de ruimte voor een integrale partijbespreking. Daarom volsta ik met een viertal fragmenten. Ondanks hun beknoptheid geven zij tòch een zekere indruk van enerzijds Smits kwaliteiten als tacticus, en anderzijds zijn voorkeur voor speltypes als hekstelling en (flank-)omsingeling.

Het eerste fragment (in cijfers: zes zwarte schijven op 12/14, 16, 23 en 26; zes witte schijven op 22, 27, 32, 34, 36 en 37) is gelicht uit de zogeheten 'Erewedstrijd' die landskampioen Jozef Blankenaar, Smits toenmalige vereniging, in 1968 van de Noord-Hollandse Dambond kreeg aangeboden. Tegen Henk Laros, één der sterkste naoorlogse spelers, was Smit (wit) in ernstige, ja onoverkomelijke moeilijkheden geraakt. Maar na het foutieve 1...10-14? (correct was 1...10-15! +) wist hij zich met behulp van een problematische wending alsnog te redden:

2.36-31! 12-18 3.27-21!!

Prachtig gespeeld: hoe zwart ook slaat, altijd doet wit 4.34-29! enz. met remise!

In het Kampioenschap van Amsterdam 1964 kreeg Smit tegen zijn clubgenoot Joop Verheij een ideale hekstelling in handen (in cijfers: negen zwarte schijven op 4, 6, 9, 11, 16/19 en 22; negen witte schijven op 26, 27, 30, 31, 33, 36, 38, 43 en 45).

Met behulp van een offer maakte hij het karwei op elegante wijze af:

1.30-24!! 19x30 2.38-32!

En tegen de dreiging 3.43-38 en 4.27-21 + was geen kruid meer gewassen.

Eerder in diezelfde partij had zich de volgende (cijfer)stand voorgedaan: dertien zwarte schijven op 2, 3, 6/8, 12, 15/17, 19, 20, 22 en 23; dertien witte schijven op 26, 30/33, 36, 38, 39, 43, 45 en 47/49.

Verheij speelde hier het vrijwel gedwongen 1...12-18 (waarop wit uiteraard met 2.32-28! 23x32 3.38x27 enz. vervolgde), omdat op 1...3-9? de fraaie offerwending 2. 30-24, 19x30 3.32-27! minstens een schijf zou hebben gewonnen. Bij voorbeeld 3...12-18 4.26-21! en 5.38-32 enz. met dam op 4, of (vooral) 3...23-28 4.27x18 12x23 5.33x11 6x17 6.26-21(!!) 17x37 7.38-32 37x28 8.39-33 28x39 9.43x1 +.

Zie diagram

De eerste en tevens laatste diagramstand (een Keller-variant met 9.40-35 in plaats van 9.30-24) komt uit de partij die Smit (opnieuw met wit) in het Coca Cola-toernooi van 1964 tegen Ruud Palmer speelde. Na 19.37-32! bezondigde de zwartspeler, die vanwege de structuur van zijn rechter vleugel tòch al niet meer prettig staat, zich aan een incorrect schijnoffer:

19...15-20? 20.32x21 19-24

Daarop haalde Smit combinatief uit met:

21.31-27! 22x31 22.26x37! 17x26 23.33-28!!

Zwart geeft het op.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden