Afscheid van het brave kinderboek

Ze was de eerste schrijfster die kinderen confronteerde met het rare gedrag van volwassenen. Waarom blanken liever niet met zwarten omgaan....

Kaatje sleept buurjongen Hannes mee in het ene kleuteravontuur na het andere. Ze zit hem op z'n kop, maar dat vindt hij niet erg. Samen nemen ze het op tegen de volwassenen. Hannes en Kaatje zijn stouter dan Jip en Janneke, het kleuterpaar van Annie M. G. Schmidt dat al twee generaties meegaat.

Kaatje is uit hetzelfde hout gesneden als Miep Diekmann. 'Je mag wel eens wat gaan doen aan dat dwarse karaktertje van je', zei de schrijfster laatst tegen haar achttienjarige kleindochter Katja, die als kleuter model stond voor Kaatje. De vos preekt de passie: weinig grootmoeders kunnen Diekmann evenaren in eigenzinnigheid.

'Je talent is te groot om het aan zwarten te vergooien' waarschuwden sommige critici veertig jaar geleden. Diekmann wijst met de paarsgelakte nagel van haar wijsvinger op haar voorhoofd en schreef na De boten van Brakkeput, bekroond met de prijs voor het beste kinderboek van het jaar, opnieuw een boek dat onder zwarte kinderen speelt: Padu is gek. Antilliaanse mannen zeggen haar nu dat ze zich in de introverte Padu herkennen, als kind. Macho was de norm, maar niet voor alle zwarte jongetjes de werkelijkheid.

Een blank meisje dat kon vechten als een jongen: die reputatie liet Miep Diekmann achter op Curaçao toen ze op veertienjarige leeftijd naar Nederland vertrok. Het bijzondere daarvan drong pas tot haar door toen ze voor het eerst terugging naar het eiland waar ze opgroeide. Als dertigjarig schrijfster, inmiddels beroemd, werd ze als gast ingehaald op Curaçao.

Tot de mensen die haar begroetten, hoorde een bibliothecaris. 'U zult mij niet herkennen', zei hij, 'maar ik u wel.' Diekmann: 'Een grote, forse neger, model kleerkast. Ik had geen idee wie hij was.' Hij lachte en zei: 'Ik ben dat jongetje dat toen-en-toen door u in mekaar geslagen is.'

Opeens zag ze het weer voor zich: hij had iets gedaan dat indruiste tegen haar rechtvaardigheidsgevoel en ze had hem nagerend tot ze hem te pakken had. Ze kon ongehoord goed vechten voor een meisje. Haar vader, militair commandant van de Nederlandse Antillen, liet zijn dochters meetrainen met de mariniers omdat ze zich moesten kunnen verweren in geval van een kidnap.

In Zuid-Amerika speelde de ene revolutie na de andere en contra-revolutionairen weken uit naar Nederlands West-Indië om een volgende coup voor te bereiden. Commandant Diekmann en zijn gezin konden makkelijk doelwit worden van geweld.

Tot haar verbazing was het niet het feit dat hij door een meisje verslagen was dat zo'n diepe indruk gemaakt had op haar leeftijdgenoot, maar dat een blanke met hem gevochten had. 'Dat was voor hem een eye opener geweest, zei hij. Dat je met blanke kinderen kon vechten, betekende dat het ook gewone kinderen waren. Tot dan toe hadden blanke kinderen altijd langs hem heen gekeken.'

Iemand niet opmerken, langs hem heen kijken, is de ergste vorm van discriminatie, zegt Diekmann. Als nieuwsgierig kind deed zij het tegenovergestelde: ze keek aandachtig naar alles wat anders was. 'Waarom zijn die meneer z'n handen aan de binnenkant wit?' vroeg haar jongere zusje toen de zwarte taxichauffeur zijn hand ophield om af te rekenen. Miep was negen jaar en dacht: nu komt er iets interessants. 'Maar er kwam niks. Mijn ouders zwegen. Gegeneerd waarschijnlijk.'

Ze heeft het onthouden omdat het haar eerste ervaring met dit soort ontwijkend gedrag was na de verhuizing van het gezin uit Assen naar Fort Amsterdam op Curaçao. 'Discrimineren begint vaak uit onhandigheid, niet weten wat je er mee aan moet.'

Zelf was ze onbevangen genoeg om met een natte vinger over de zwarte arm van het meisje naast haar in de schoolbank te strijken. 'Ik wou weten of die hetzelfde aanvoelde. Dat mocht niet van de nonnen, mekaar aanraken was vies. Maar van mijn buurmeisje mocht het best.'

De militaire training van haar vader kon niet voorkomen dat zij op haar elfde jaar een ervaring opdeed die een zwaar stempel zou drukken op de rest van haar leven. Het was niet de bijna-verkrachting door een blanke marinier, een goede kennis van haar vader. Het was wèl het feit dat ze niet geloofd werd. Het bracht haar tot wanhoop. De man bleef rondspoken, werd zelfs geacht Miep en haar zusje te bewaken.

'Onze deuren konden niet dicht. Wij lagen daar 's avonds in bed in dat fort, zogenaamd bewaakt door de militairen. Iedere avond dacht ik: als ie maar niet komt... Als ik hem tegenkwam, trok hij een big smile.'

Ze droomde in haar slaap over een val van het dak van het fort. Vlak voor ze beneden kwam, weken de stenen uiteen en veranderden in water waarin ze wegzonk. Ze vertelde de droom aan haar ouders. 'Jij komt niet meer op dat dak', zei haar vader. Toen ze echt viel, bleef de bodem van steen.

De schedelbasisfractuur was heel ernstig en de dokter zei tegen haar ouders dat het 't beste was als ze doodging. Anders zou ze met vreselijk hersenletsel in Monte Christo terechtkomen, het gekkenhuis. Ze lag een paar dagen in coma, maar een maand later schuifelde ze alweer naar school. 'Je komt van heel ver terug', zegt ze. 'En het meest opmerkelijke is dat je ineens geen kind meer bent. Ik zat nog wel in een kinderlijf, maar ik was in één klap volwassen geworden.'

De dreiging van Monte Christo spookte haar in de jaren daarna vaak door het hoofd. Ze had ernstig geheugenverlies en moeite met concentratie. De poging tot zelfdoding werd ontkend en heette tientallen jaren 'het ongeluk'. Zo noemde ze het zelf ook.

Toen ze achterin de twintig was, werd ze in een Haags ziekenhuis opgenomen met verlammingsverschijnselen die in verband bleken te staan met de val. Het was voor het eerst dat daarover gesproken werd. De neuroloog zei: 'Deze verlammingen zijn minder erg dan wat er achter zit.' Hij verwees haar naar een psychiater, die haar jeugd met haar doorploegde. Een gelukkige jeugd, vindt zij nog steeds.

Ondanks de militaristische opvoeding, de vele spanningen in huis en het onrecht op de Antillen waarvan ze zich als kind al bewust was. En ondanks de poging tot verkrachting.

De psychiater raadde haar aan nooit meer terug te gaan naar de Antillen. 'Er zouden daar nare herinneringen boven kunnen komen, zei hij.' Die waarschuwing drong pas tot haar door toen ze in 1958, met een schrijfopdracht, terug was in Willemstad en opeens in Fort Amsterdam stond. 'Ik herkende de plek waar ik destijds naar beneden gegleden was en beleefde de val opnieuw.'

Ze was volledig van slag. 'Het drong tot me door dat ik niet was gestruikeld, maar gesprongen. Een perfecte zweefduik, zoals mijn zusje destijds zei.' Terug in Nederland nam ze meteen contact op met de psychiater. 'Hij wist al lang dat het zelfmoordpoging moest zijn geweest, maar hij had het te riskant gevonden om het me te zeggen.'

Cola Debrot, schrijver en arts, stimuleerde haar om erover te schrijven. Pas vijf jaar later durfde ze. Hoofdpersoon in De dagen van olim is een meisje dat door de schijnheiligheid van de volwassenen heenkijkt en weet dat ze zich alleen moet redden. Maar de reddende sprong wordt bijna haar dood.

Het boek verscheen in 1971, een jaar nadat Diekmann de staatsprijs voor jeugdliteratuur had gekregen. Ondanks haar roem moest zij met de bibliotheken een pittige strijd voeren om De dagen van olim op de planken voor minderjarigen te krijgen. In een jeugdboek beschrijven hoe een kind kan komen tot deze meest ingrijpende beslissing, was niet minder dan het overschrijden van een taboe.

'Er waren zelfs mensen die beweerden dat zelfdoding onder jongeren niet bestond en dat ik het thema erbij gesleept had uit sensatiezucht. Maar de kinderen die dezelfde gevoelens gehad hadden als ik, herkenden het en reageerden, opgelucht dat ze niet de enigen waren.'

Het boek is inmiddels vijf keer herdrukt. Diekmann wordt vaak gevraagd mee te werken aan voorlichtingsbijeenkomsten over zelfdoding. Routine zal het nooit worden. Het kost moeite om de 71-jarige schrijfster aan het praten te krijgen over de meest ingrijpende episode uit haar leven, nu zestig jaar geleden.

'Laten we pauzeren', zegt ze abrupt als ze het persoonlijke verhaal achter De dagen van olim heeft verteld. 'Wil je een broodje haring?' Ze verdwijnt naar de keuken van haar Scheveningse flat, met uitzicht op zee, en komt terug met broodjes plus een arsenaal anekdotes over haar wilde jaren als freelance journalist in Den Haag.

Dat ze bij haar scheiding, op haar 29ste, de beslissing nam haar twee zoontjes van vijf en drie jaar bij hun vader achter te laten, beschouwt ze zelf niet als het overschrijden van een taboe.

'We waren getrouwd omdat ik zwanger was. Een pil had je niet, dus dat gebeurde. We vonden het allebei leuk om een kind te hebben en twee jaar later kregen we er nog een. Maar het huwelijk ging niet, dat was ons na vijf jaar wel duidelijk. Ik kon scheiden want ik verdiende al vanaf mijn twintigste mijn eigen brood, dus alimentatie hoefde ik niet. En ik had een ongelooflijk goed kindermeisje.'

Zij ging er van uit dat de kinderen bij haar zouden blijven. 'Maar toen bleek dat hun vader ze per se wilde houden, heb ik de zaken voor mezelf op een rij gezet. Ik heb een heel sterk karakter maar altijd problemen gehad met mijn gezondheid, door die val. Dat ik zo ontzettend veel geschreven heb, komt ook omdat concentreren op schrijven vaak de enige manier was om de pijn in mijn rug te vergeten. Wat moeten twee jongens voor wereldbeeld krijgen, als ze alleen worden opgevoed door zo'n sterke moeder?'

De omgeving sprak over 'die hoer die haar kinderen in de steek laat'. 'Dat vond ik natuurlijk vreselijk, maar ik zei er tegen de kinderen geen woord over. Ze moesten later zelf maar oordelen. Je moet kinderen niet belasten met getouwtrek over hun hoofd heen.'

Ondanks de pijn van dat moment bleef Diekmann schrijven, zoals ze zich dat had voorgenomen toen ze twaalf was. 'Ik zou boeken gaan schrijven waarin Caraïbische kinderen de hoofdrol spelen. Terug in Nederland ben ik gaan schrijven over zowel zwarte als blanke kinderen.'

Nu is bijna de helft van de leerplichtige jeugd in de randstad Holland allochtoon. Gouden tijd voor de vaak herdrukte (en vaak bekroonde) boeken van Miep Diekmann? En voor de jonge Antilliaanse schrijvers die zij heeft gecoacht?

'Ik kom op scholen, daar weten ze van Hannes en Kaatje en nog een paar succesboeken. Maar er is geen belangstelling voor boeken over zwarte kinderen. Ik zeg het keihard want het is zo. Een blank kind denkt: ik ben niet zwart, het gaat niet over mij. Een zwart kind wil niet lezen over zwarte kinderen. Black Power, Black is Beautifull: al die kerels die dat riepen, hadden blanke wijven. En nog, de zwarte jongens die beroemd worden met voetballen hebben ook allemaal zo'n stuk die met d'r kop in de waterstof peroxide gezeten heeft. Dus een zwart kind denkt: me hol, wat moet ik met een boek over zwarten?'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden