Afschaffing slavernij was vooral een feest voor eigenaren

Vandaag is het 150 jaar geleden dat de slavernij werd afgeschaft. De 'vrije' slaven moesten echter nog 10 jaar bij hun baas blijven werken, tegen loon. Slaveneigenaren kregen een compensatie van 200 of 300 gulden per slaaf. Historica Dienke Hondius bracht hun adressen in Amsterdam in kaart.

Voor wie was de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863 eigenlijk het grootste feest? De slaveneigenaren konden incasseren: voor elke slaaf in Suriname kregen ze 300 gulden, ter compensatie van het verlies van hun 'bezit', voor een slaaf op de Antillen 200 gulden. Dat kon flink aantikken voor aandeelhouders in de plantages. De Insingers (zie linksonder) toucheerden bijvoorbeeld 359.100 gulden. Voor de vrijgemaakte slaven was er niets. Sterker, zij waren verplicht nog tien jaar te werken voor de oude baas, nu voor een loon. Pas in 1873 konden ze gaan en staan waar ze wilden.


In de Amsterdamse grachtengordel werd in de aanloop naar de vrijmaking dus flink gerekend. De papieren moesten in orde zijn voor het innen van de compensatie. Op zeker tachtig adressen in Amsterdam woonden in 1863 eigenaren van slaven, soms van enkele bedienden in Suriname, vaker waren het aandeelhouders van slavenplantages. Dienke Hondius, historica aan de Vrije Universiteit, en haar studenten brachten de adressen van deze slaveneigenaren in kaart.


Naast de te verwachten adressen in de Gouden Bocht (het rijkste deel van de grachtengordel) zijn er ook adressen in eenvoudiger wijken, zoals de Jordaan of op de Wallen. Dat komt volgens Hondius door vererving: de aandelen kwamen bij het verdelen van de erfenissen soms terecht in de armere takken van families.


Zo blijkt in 1863, nog maar anderhalve eeuw geleden, een verbazingwekkend breed scala aan Nederlanders nog geld te verdienen aan de slavernij.


De 300 gulden 'per stuks slaven' moesten wel in Paramaribo worden geïnd, de meeste eigenaren in Amsterdam lieten dat doen door familie ter plekke of door een zaakwaarnemer. Voor uitbetaling was een officiële 'cheque' nodig met de handtekening van de gouverneur in Suriname of Curaçao en een zegel. Bij de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam zijn enkele originele exemplaren te zien. De aanspraak moest worden beoordeeld op rechtmatigheid; er was in de loop der jaren flink gesjoemeld met aandelen in de plantages.


In totaal hebben eigenaren in Nederland en de koloniën voor ongeveer vierduizend slaven compensatieaanvragen ingediend, de meeste in Suriname. Na de kaart van Hondius over Amsterdam is er vorige week een plattegrond met 38 adressen van eigenaars in Den Haag verschenen: veel notarissen en andere notabelen.


Op de dag van de emancipatie was de hándel in slaven al bijna een halve eeuw verboden. Dat gebeurde in Nederland in 1814, onder druk van de Engelsen. Van harte ging het niet, want de Amsterdamse rijkdom, zo zichtbaar aan de kapitale grachtenpanden, was voor een beduidend deel verkregen door mensenhandel.


Historicus Leo Balai schreef daarover het nieuwe boek Geschiedenis van de Amsterdamse slavenhandel. De Amsterdamse regentenfamilies waren nauw betrokken bij de West-Indische Compagnie (1621-1791), die zich bezighield met slavenhandel: aankoop van Afrikaanse slaven in West-Afrika, verkoop in Brazilië, de Cariben, Amerika en bovenal Suriname. Velen bezaten slavenschepen of aandelen erin. Balai beschrijft de betrokkenheid van leden van de gerenommeerde families Bicker en Coymans en geeft een lange lijst met regenten en andere notabelen langs de grachten die verdienden aan de WIC en de Sociëteit van Suriname (1683-1795).


In de 18de eeuw was er een lenings- en beleggingssysteem bedacht door bankier en burgemeester W.G. Deutz met als doel de planters in de West-Indische koloniën te financieren. De beleggers werden betaald uit de opbrengst van de koloniale producten suiker, koffie, cacao en katoen. In 1863 bezat het fonds nog vier plantages met 726 slaven.


Veel van de belangrijkere spelers in de slaveneconomie hadden zich in 1863 al ontdaan van hun aandelen - het einde van de slavernij zat er al een halve eeuw aan te komen. In de Britse koloniën was de slavernij al verboden in 1834, in de Franse in 1848. Bovendien ging het niet zo goed met de plantages en zat de handel in de aandelen in het slop. Volgens Hondius werden ze soms gedumpt of cadeau gedaan, 'wellicht aan de huishoudster als dank'. Daardoor waren aandelen en stukjes van aandelen gaan zwerven door de samenleving.


De familie Insinger

1Albrecht Frederik Insinger, Herengracht 436 (doorlopend naar de Keizersgracht)


2Maurits Herman Insinger, Prinsengracht 716


3Jacobus Hermanus Insinger, Herengracht 458, doorlopend naar de Keizersgracht


Bij de 'emancipatie' van 1863 bezat de bankiersfamilie Insinger & Co (nu Bank Insinger de Beaufort) 1.200 slaven op drie plantages in Suriname. De Insingers waren gespecialiseerd in het afhandelen van nalatenschappen en namen zo voor langere tijd plantages en vaak grote aantallen slaven in beheer.


Het bedrijf was begonnen door Herman Albrecht Insinger (1757-1805), die als jonge immigrant vanuit Duitsland naar Amsterdam was gekomen. In 1779 richtte hij de firma Insinger & Co op, gespecialiseerd in 'West-Indische goederenzaken en plantageleningen'. Hij liet een bloeiend bedrijf achter voor zijn zoons, onder wie Albrecht Frederik, die na een huwelijk met een heel goede partij zijn intrek nam op de Herengracht 436 in de Gouden Bocht. Hij bekleedde functies in het stadbestuur en als senator.


In de loop van de 19de eeuw begonnen de zaken echter in te zakken. De prijzen voor suiker en andere plantageproducten daalden door overproductie en de planters kregen moeite om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen. Insinger & Co konden de in moeilijkheden geraakte plantages niet altijd meer onderhands of per veiling verkopen en de firma zag zich genoodzaakt sommige noodlijdende plantages zelf te beheren en de schulden kwijt te schelden.


Zo kwam het dat de firma in 1863 eigenaar was van drie plantages in Suriname met bijna 1.200 slaven.


Na de afschaffing van de slavernij bleef Insinger & Co actief in de koloniën in West-Indië en Nederlands Indië (Indonesië).


Kleine slaveneigenaren

Over de kleine slaveneigenaren is minder bekend. Een greep uit de adressen geeft een indruk om wat voor personen het ging.


5Elisabeth Brandt Egelantiersdwarssraat 64, had een aandeel in de slavin Caro Volkert en 6/96 ste deel in een plantage met 128 slaven, maar die aanspraak werd maar voor de helft erkend door de autoriteiten omdat er nog iemand was met eenzelfde aanspraak. Brandt verkreeg de aandelen uit een doorverkochte boedel.


6Anna de Costa (1839) woonde op de Bloemgracht 75; ze stond als voor die tijd minderjarige onder voogdij van haar moeder maar had van haar overleden vader aandelen in zes slaven in Suriname. Of het veel heeft opgeleverd is de vraag, want voor dezelfde slaven vroegen nog drie Da Costa's compensatie: Jeudith, Rachel en Abraham, die woonden aan de Weesperstraat 46.


De oude onderwijzer Daniel Coronel 7 in de Kerkstraat 61 had aandelen in 11 slaven.


Gijsbert Bosch Reitz en Geertruida Kuvel

4Gijsbert Bosch Reitz en Geertruida Kuvel Keizersgracht 114


Het echtpaar Gijsbert Bosch Reitz en Geertruida Kuvel streek 185.000 gulden op voor slaven op vijf plantages. Hun zoon Willem verbleef in Paramaribo en was gevolmachtigde voor zijn ouders om het bedrag te innen. Hij en een broer bestierden de zaken op de plantages in Suriname. Kuvel bezat een plantage uit haar eerste huwelijk en bemoeide zich daarmee intensief vanuit haar woning aan de Keizersgracht met haar tweede echtgenoot Bosch Reitz. Ze kochten samen andere plantages.


Bosch Reitz was in 1848 een van de opstellers van een brief aan de regering gericht tegen de voorgenomen afschaffing van de slavernij. Zij beriepen zich op hun eigendomsrecht. Balai geeft die brief als bijlage in zijn boek en die zegt veel over de kijk van de eigenaren op de slavernij. Bosch Reitz en de andere ondertekenaars wijzen er fijntjes op dat niet zij 'op eigen gezag, op roof en moord tegen de negerbevolkingen van Afrika uitgetooge' zijn, maar dat dit een door de staat gesanctioneerde praktijk was geweest. De huidige eigenaren hadden gewoon geld betaald voor het bezit van slaven. De slaaf is misschien een persoon, er zijn per wet regels gesteld aan zijn behandeling, maar 'Doch hij bleef desniettemin, in regten en vis a vis zijn meester, eene zaak, eene bezitting - een roerende en, zoo als men dit regtens noemt, zich zelve bewegend goed.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden