Afrikaanse mode komt uit brabant

De exclusiefste stoffen in Afrika, waarin de rijkste vrouwen lopen, worden door het Nederlandse bedrijf Vlisco gemaakt. In Helmond. ‘Ons product is Afrikaans cultuurgoed geworden.’..

Voor zijn laatste zomercollectie liet de Japanse modeontwerper Junya Watanabe zich inspireren door Afrika. En dus gebruikte hij voor zijn gedrapeerde tops, jurken en rokken vrolijk gekleurde katoen met typisch Afrikaanse wax-dessins. Watanabe zal stomverbaasd zijn geweest toen hij kort na zijn show een wat narrig telefoontje kreeg. Die dessins waren helemaal niet Afrikaans, zo werd hem verteld, maar Nederlands. De in West-Afrika immens populaire véritable wax Hollandais, of guaranteed Dutch wax, wordt ontworpen en gemaakt door Vlisco uit Helmond, Noord-Brabant. ‘Hij had drie of vier dessins van ons gekopieerd en op een andere kwaliteit stof laten drukken’, zegt Roger Gerards, hoofd van Vlisco’s designafdeling. Het modehuis heeft inmiddels een vergoeding betaald. Het zal niet de laatste keer geweest zijn dat zoiets gebeurt. Gerards: ‘Ons product is Afrikaans cultuurgoed geworden, dus denken ontwerpers dat ze dat zomaar mogen gebruiken. Nou ja, iedereen mag het natuurlijk gebruiken – we zijn tenslotte een textielleverancier – maar ze mogen het niet namaken.’ Vlisco, in 1846 opgericht door Pieter Fentener van Vlissingen, is Nederlands oudste en, met een omzet van meer dan 100 miljoen euro, grootste stoffenfabrikant. In de jaren zeventig lag in de Bijenkorf gebloemde Vlisco-katoen. In de jaren negentig maakte Vlisco ‘exotica’, zoals Hawaï-stoffen. Maar sinds 1998 richt het bedrijf zich uitsluitend op Afrika. Met één uitzondering: de productie van, zoals creatief directeur Henk Bremer het noemt, ‘het enige Nederlandse etnische product’: de boerenbontzakdoek.

Vlisco is ooit via een omweg in Afrika terechtgekomen. Het bedrijf maakte industriële batikdessins die het exporteerde naar Nederlands- Indië. Afrikaanse soldaten, door Nederland geronseld en in Indië gelegerd, namen de stoffen vervolgens mee naar huis, waar ze goed bleken aan te slaan. Uiteindelijk bleek Afrika een betere en grotere markt dan het Verre Oosten. Het procédé is al die jaren in grote lijnen hetzelfde gebleven. Met was (tegenwoordig synthetische hars) worden op allebei de kanten van de katoenen stof patronen aangebracht. Daarna wordt de stof geverfd. Op de plaatsen waar de was zat, zitten witte plekken die vervolgens worden ingekleurd met stempels. Door die manier van werken zitten er altijd onregelmatigheden in de dessins – die volgens de liefhebbers een teken zijn van authenticiteit – en zijn er talloze variaties mogelijk. Op het moment zijn er 750 dessins in omloop, goed voor twintigduizend verschillende stoffen. Vlisco-stof wordt niet verkocht per rol, maar in stukken van 6 yard, zo’n 5,5 meter. Veel vrouwen laten daarvan een jurk maken, maar traditioneel wordt de lap in drieën geknipt: een deel wordt als rok omgewikkeld, uit een ander deel wordt een top gemaakt en het derde deel wordt gebruikt als hoofddoek of als draagdoek voor een baby. Mannen wikkelen de lap als geheel om of laten er een boubou, een soort djellaba, van maken. Een lap kost tussen de 45 en 67 euro, in Afrika al snel een modaal maandsalaris, soms zelfs veel meer dan dat. De prijs voor superwax, met niet drie maar vier kleuren, kan oplopen tot het dubbele. Zoals modeliefhebbers in het westen pronken met labels en logo’s, zo laten Afrikanen de zelfkant van de stof zien: daar zit de merknaam in geweven. ‘Bij Afrika denkt iedereen meteen aan ontwikkelingshulp en het bouwen van waterputten’, zegt Gerards. ‘Maar het continent heeft veel meer gezichten. Lagos in Nigeria, bijvoorbeeld, is soms meer New York dan New York zelf. Ik heb vrouwen gesproken die vijftig doeken per jaar kopen; ambassadeursvrouwen, vrouwen op topposities, die een appartement hebben op de Champs-Elysées.’

Op de designafdeling van Vlisco, bovenin het grote jarenzeventigkantoor in Helmond, werken negen ontwerpers: zeven Nederlanders, een Engelsman en een Française – Afrikanen hebben nooit ontworpen voor Vlisco. In westerse ogen mogen de dessins typisch Afrikaans zijn, voor Afrikanen zijn ze exotisch. Iedere ontwerper heeft zijn eigen specialiteit. Zo werkt Henk Schellekens, al 37 jaar in dienst, semi-abstract: een dessin van grote bellen tegen computergolven, een dessin van tientallen centimeters grote diamanten, geïnspireerd door de commercials van het afwasmachinetablettenmerk Calgonit. Constance Giard, die als kind in Afrika woonde, is gespecialiseerd in verhalende ontwerpen. Zij bedacht onder meer een dessin met keukens en maakte een variatie op Vlisco’s klassieker ‘abc’, een dessin met schoolborden, meetlatten en boeken. Op Giards variatie worden opgerolde stukken stof met het abc-dessin afgewisseld met de hoeden die Amerikaanse scholieren en studenten dragen bij hun diplomauitreiking. Het abc-dessin is populair bij vrouwen die trots zijn op hun scholing en kennis. Giards versie is bedoeld voor vrouwen die hun kinderen in het buitenland hebben kunnen laten studeren. Vooral deze vrouwen – ’de welgestelde Afrikaanse mevrouw’, zoals Gerards zegt – zijn Vlisco’s doelgroep. Statussymbolen komen daarom vaker terug in de dessins: dollarbiljetten, eurotekens, iPods, auto’s. Maar ook prozaïscher taferelen als schemerlampen, ventilators, gloeilampen, spiegels. ‘We hebben een paar uitgangspunten’, zegt Gerards. ‘Beweging, humor, asymmetrie, gelaagdheid, vervreemding, vertellen. Maar je weet nooit wat aanslaat. Laatst hadden we een motief van auto’s, van boven af gezien. Dat werd meteen door de tussenhandelaren van tafel geveegd. Het waren in hun ogen speelgoedautootjes en een dame loopt niet met speelgoed op haar kleren. Terwijl een kip zonder poten op een bord weer wel kan.’ De namen die de stoffen soms krijgen zijn wel een puur Afrikaanse aangelegenheid. Die worden gegeven door de duizenden Afrikaanse vrouwen die de stoffen op de markt verhandelen, de zogeheten mammies. Gerards: ‘Je zou wel gek zijn om dat niet over te nemen. Zo’n naam betekent dat er een emotionele relatie is.’ Soms slaan die namen op de afbeelding. Zo heet het dessin met verschillende soort ruiten erin ‘de Burberry’. Maar soms ook helemaal niet. Zo werd een dessin ‘Obama’ gedoopt, louter omdat het op de markt kwam toen Obama net gekozen was als president. En ‘Si tu sors, je sors’ is een dessin met een vogel die uit een kooitje wegvliegt. Vrouwen die vermoeden dat haar man vreemdgaat, dragen de stof laten om hem te laten weten dat ze hem doorhebben – en hem zullen verlaten als hij er niet mee stopt.

De recente geschiedenis van Vlisco is niet alleen maar een succesverhaal. In 2004 werden 150 van de 600 werknemers ontslagen, het jaar erop nog eens 45. Ook in Afrika vielen honderden ontslagen. Oorzaak: Chinese kopieën. ‘Wij werden altijd al nagedaan door Afrikaanse fabrikanten, maar een blind paard kon het kwaliteitsverschil nog zien’, zegt creatief directeur Bremer. ‘Maar de Chinezen komen dicht in de buurt van onze kwaliteit, en ze maken alles na, ook de merknaam aan de rand van de stof en de etiketten. En hun stoffen kosten eentiende van die van ons. Het ging razendsnel. Markten waar eerst Vlisco lag, met nog een paar Afrikaanse merken, waren binnen zes weken helemaal overgenomen door de Chinezen.’ In 2006 werd daarom een nieuwe strategie ingezet: Vlisco moest van, zoals Bremer zegt, ‘lapjesfabrikant’ een modemerk worden. Tot dan toe werden eens in de paar weken nieuwe dessins gelanceerd. Tegenwoordig wordt vier keer per jaar een nieuwe collectie gepresenteerd. Gerards bedenkt de thema’s en het kleurbeeld. De collectie voor februari 2010, waaraan nu wordt gewerkt, draait om dessins met citaten uit klassiekers. De eerder genoemde variatie van het klassieke abc maakt er bijvoorbeeld deel van uit. Het palet is gebaseerd op het kleurgebruik in de huidige zomercollectie van Marni, maar dan met veel fellere tinten. ‘Zo kom je tot nieuwe kleurcombinaties’, zegt Bremer. ‘Eerst lag dat allemaal nogal vast: geel en groen voor Ghana, blauw en groen voor Togo. Wij hebben bruin met azuur geïntroduceerd, wat nog helemaal niet in Afrika bestond.’ Er wordt geëxperimenteerd met stukjes glimmende folie en met pailletten, en er is een Vlisco-modecollectie in het leven geroepen: jurken met uitbundige kragen, smalle tailles, wijde of juist heel strakke rokken, te dragen met bijpassende schoenen en armbanden. Die is te koop in de vijf chic ingerichte Vlisco Boutiques die de afgelopen twee jaar in West-Afrika zijn geopend. ‘We nodigen nadrukkelijk uit om de jurken na te maken’, zegt Gerards. ‘We willen alleen maar laten zien: dit kun je ook met onze stoffen doen. We organiseren workshops voor kleermakers, daar komen zo tweehonderd mensen op af.’ De nieuwe strategie lijkt te werken. De afgelopen twee jaar groeide Vlisco naar eigen zeggen met ‘tientallen procenten’ per jaar. Bremer: ‘Wij hebben weer duidelijk weten te maken dat wij degenen zijn die met de dessins komen.’ In april gaf Vlisco een modeshow in Parijs. Niet voor het Parijse modepubliek, maar voor de West-Afrikaanse gemeenschap. De modecollecties worden in Nederland gemaakt. ‘Een leerproces’, zegt Bremer. ‘Alleen al de maatvoering is heel anders. Alle tweedehandskleding die daarheen gaat, moet worden vermaakt, want het past nooit.’ Ook de reclamecampagnes – Vlisco adverteert intensief in Afrika – worden in Nederland gemaakt, met hulp van een Afrikaans communicatieadviesbureau. ‘Wij zullen nooit een vrouw laten zien die hard lacht. Een vrouw die veel lacht wordt in Afrika gezien als onzeker. Onze modellen hebben hoogstens een flauwe glimlach, ze houden hun kin omhoog. Ze stralen schoonheid en status uit.’

En de westerse mode? John Galliano heeft met de stoffen van Vlisco gewerkt, net als Bernhard Willhelm en Jean Paul Gaultier. Op het kantoor van Bremer ligt een Adidas-sneaker van de bekende batikstof, Maxi-Cosi maakte er een kinderstoel van. Comme des Garçons, het moederbedrijf van Junya Watanabe, kocht ook wel eens stoffen in Helmond en zinspeelde onlangs, bij de onderhandelingen naar aanleiding van Watanabes zomercollectie, op samenwerking. Die belangstelling is vleiend, en de verleiding is groot de westerse modewereld actiever op te zoeken, geeft Gerards toe. ‘Maar het ontbreekt ons aan de tijd.’ Bovendien: ‘Wij hebben een afzetmarkt van 400 miljoen mensen. Hoe leuk het ook is, wat hier gebeurt zal altijd klein blijven in vergelijking met wat we in Afrika hebben.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden