Afrikaanse balafon vindt Cubaanse maracas

Nick Gold is de man achter de succesplaat Buena Vista Social Club uit 1996. Dat had een plaat moeten worden met Cubaanse en Malinese muzikanten, maar de Malinezen kregen geen visa. Veertien jaar later is er dan toch Afrocubism.

Ja, daar is-ie dan, en inderdaad: 'het is er toch nog van gekomen'. De Engelse producer en platenbaas Nick Gold pakt het cd-doosje van Afrocubism stevig beet, draait het rond, bekijkt de tracklijst. De weerslag van een idee dat Gold ruim veertien jaar geleden in het hoofd was geschoten, nu dan eindelijk als tastbaar album, een prachtplaat maar toch bijna onherroepelijk een anticlimax.


En nee, Gold heeft er geen moeite mee het verhaal nog eens uit de doeken te doen, het sensationele verhaal van Plan A dat in 1996 in werking werd gezet, jammerlijk mislukte, maar als het archetypische geluk bij een ongeluk muziekgeschiedenis schreef.


In zijn kantoorpand in de Londense wijk Shoreditch, waar de vergane glorie tussen de mistige straten de stemming nogal kan drukken, heeft Gold (49) zich omringd met de bezienswaardigheden uit zijn persoonlijke muzikale reis. Vooral posters, die de cd-releases van zijn wereldmuzieklabel World Circuit aankondigen en tournees van illustere orkesten als het Senegalese Orchestre Baobab, dat Gold nieuw leven schonk en in Europa liet optreden, zelfs nieuw werk liet opnemen.


En natuurlijk het meesterwerk: de Buena Vista Social Club, de Cubaanse oude-herenvereniging die Gold in het leven had geroepen met de gitarist Ry Cooder, een club die de wereld plat zou spelen na dus uit nood te zijn geboren.


Gold legt het graag uit. 'Mijn interesse voor Cubaanse muziek was ooit ontwaakt in Afrika, bij het luisteren naar oude platen van het Orchestre Baobab, dat Cubaanse muziek speelde in nachtclubs in Dakar, op een Afrikaanse manier. Net zoals ik had gehoord in een club in Bamako, Mali, waar uitsluitend Cubaanse muziek werd gespeeld, ook op z'n Afrikaans, heel warm en uitnodigend, sensueel en met gevoel voor nostalgie.'


Gold kon de muzikaal-antropologische lijntjes wel aan elkaar knopen: natuurlijk, de son cubano met haar slepende dansritme had zijn oorsprong in Afrika, was op de slavenschepen mee geïmporteerd naar het Caribisch gebied, had zich ontwikkeld tot populaire dansvorm in de jaren vijftig, en was toen weer ingevoerd in de Afrikaanse danszalen. 'Ik hoorde in die Afrikaanse variant de gedeelde geschiedenis, de Afrikaanse muzikale lijnen, hoe die waren geëvolueerd in Cuba, en in een soort pure, bevroren vorm weer werden uitgevoerd in Mali en Senegal.'


Gedurende een helder moment, ergens in een nachtclub in Bamako, daagde het briljante idee, het experiment. 'Het leek me spannend om de authentieke Malinese muziek te combineren met de Cubaanse son, om muzikanten samen te brengen, ze uit hun comfort zone te halen, en in een onbekende setting de muzikale raakvlakken bloot te leggen.' Zo'n actie paste bovendien in de taakopvatting van Gold, die zijn label niet voor niets World Circuit had gedoopt; de wereld als muzikale racebaan waarop de stijlen best eens tegen elkaar mogen knallen. Zoals Gold de blues van gitarist Ali Farka Touré al eens had laten samengaan met de slidegitaar van Ry Cooder (Talking Timbuktu, 1993).


Voor zijn nieuwe fusieproject had Gold een paar favoriete Malinezen op het oog: de virtuoze bespeler van de ngoni - de Afrikaanse luit - Bassekou Kouyaté, en de gitarist Djelimady Tounkara, van de Rail Band, een Afro-Latin orkest dat een Malinees hitwonder was in de jaren zeventig. Op Cuba werd de gitarist en zanger Eliades Ochoa bereid gevonden het gevecht aan te gaan, en werd een fraaie en in nostalgie gedrenkte studio afgehuurd in Havana. Er waren wat cassettes over en weer gestuurd, als muzikale kennismaking. De tickets voor de Malinezen waren geregeld, Ry Cooder was ingeschakeld voor artistieke begeleiding, de koffers gepakt. En toen ging het mis.


Gold: 'Op de dag van vertrek kregen we vanuit Mali een telefoontje: geen visa.' Sterker nog: 'De paspoorten waren naar Burkina Faso gestuurd, om de visa voor Cuba te kunnen regelen, maar alle papieren én de paspoorten waren daar spoorloos verdwenen.'


Het vliegtuig vetrok zonder Malinese musici, op Cuba daalde het fatalisme neer. 'Alles was geregeld, de Cubanen waren er klaar voor, en ineens stonden we met lege handen.' Gold en Cooder voelden een lichte paniek opkomen, die werd gevoed door een blik in de bijna lege kassa van World Circuit. Besloten werd 'er dan toch maar wat van te maken', zegt Gold. 'Eliades Ochoa nodigde wat vrienden uit, we vroegen een aantal sterren uit de jaren vijftig naar de studio te komen, om opnamen te maken. Zonder enig vastomlijnd idee, gewoon om de geïnvesteerde tijd en moeite nog enigszins te kunnen omzetten in mooie muziek.'


De pianist Rubén González arriveerde, zanger en gitarist Compay Segundo deed de studio aan. Gold: 'En iedereen bleef hangen, het was een reünie van oude vrienden. Ik liep op een gegeven moment door de studio, die nog helemaal was ingericht naar de mode van de jaren vijftig, en hoorde overal muziek: iedereen zat te spelen, en het klonk fantastisch, als het Cuba van veertig jaar geleden.'


Gold en Cooder begonnen met opnamen, en in zes dagen werden veertien liedjes opgenomen, klassiekers uit vervlogen tijden, met vuur gespeeld door de vertolkers van toen. Magie, volgens Gold: 'We gleden van liedje naar liedje, heel organisch, en Ry en ik wisten dat we iets heel waardevols aan het opnemen waren, al hadden we natuurlijk nog geen idee van de impact die de plaat uiteindelijk zou hebben.'


Want de Buena Vista Social Club, een naam door Gold bedacht, naar een muzikale activiteitenclub in Havana in de jaren vijftig, werd een muzikaal wereldwonder.


De plaat en de begeleidende zegetocht van de Cubaanse clubleden namen Gold en diens label in de jaren die volgden volledig in beslag. 'Het was een niet meer te stoppen machine, en wij moesten proberen bij te blijven, maar konden bijna niet meer nadenken.'


Het oer-idee, zo tragisch mislukt met spectaculaire gevolgen, verdween bij Gold naar een goed afsluitbaar hersendeeltje. Gold: 'Ik wist natuurlijk dat het nog steeds een goed plan was, maar ik zag het zo snel niet meer uitgevoerd worden.' Een pijnpunt: 'Wie zou het project nog aandurven, met deze voorgeschiedenis. Er zou een enorme druk op komen te liggen, want overtref het succes van Buena Vista Social Club maar eens - onmogelijk.' Of: Als van het mislukte project acht miljoen platen werden verkocht, wat kon een geslaagde versie dan wel niet in de markt zetten?


Maar van dit soort bezwaarlijke bijgedachten hadden de ngoni-speler Bassekou Kouyaté en zijn Cubaanse evenknie Eliades Ochoa geen last. 'Ik bleef ze ontmoeten, en steeds kwam de vraag: wanneer gaan we het nu doen, Nick?'


Uiteindelijk bezweek Gold onder die druk, en vorig jaar besloot hij de mannen samen te brengen, met nieuwe aanhang, in een studio in Madrid. 'Kouyaté en Ochoa waren allebei op tournee en in de buurt. Ik huurde een studioruimte, voor vier dagen. De Malinese koraspeler Toumani Diabaté werd ingevlogen, net als Rail Band-gitarist Tounkara, keurig met paspoort. De vaste begeleidingsband van Ochoa, Grupo Patria, was aanwezig. Om het ijs te breken had ik iedereen gevraagd tien songs mee te nemen, die ze graag samen wilden spelen.'


In de Madrileense studio kwamen opnieuw bijzondere chemicaliën vrij. Gold: 'De vertalers die ik had ingehuurd, hadden niets te doen, want gesproken werd er nauwelijks.' Gemusiceerd des te meer.


'Wat me verbijsterde was de rijkdom van het ingebrachte muzikale materiaal', zegt Gold. 'Een Cubaanse traditional als Al Vaivén de mi Carreta werd aangedragen door Ochoa, en fonetisch meegezongen door de Malinese zanger Kasse Mady Diabaté. Hij kende het lied in een Afrocubaanse variant, en vroeg na het zingen waar het eigenlijk over ging.'


Onwaarschijnlijke combinaties werden aangegaan, van de Afrikaanse xylofoon, de balafon, met de Cubaanse maracas. 'Alsof ze voor elkaar waren gemaakt. Maar het zijn dan ook allebei instrumenten die meer dan zeshonderd jaar oud zijn.' Nog zo'n godswonder openbaarde zich in het lied Karamo, van Bassekou Kouyaté. 'Een Malinees jagersliedje, met een melodielijn gespeeld door de ngoni, die als je goed luistert precies klinkt als een Cubaanse pianopartij in een son.'


Zo werden veertien liedjes opgenomen, bijna allemaal in een first take, dus de eerste keer raak. Met een indrukwekkend rustpunt halverwege de plaat, als Eliades Ochoa solo improviseert op de gitaar. 'We hielden even pauze, en hoorden in een zijkamer het getokkel van Ochoa. Die zat in zichzelf gekeerd iets uit te zoeken. Prachtig. We zeiden: sssst, en draaiden voorzichtig een microfoon open.'


Een briljante plaat, toch weer, zegt Gold, maar een storm in het muzikale landschap zal het niet worden. 'Dat wordt in deze tijd volgens mij niets meer. Ik durf niet meer te voorspellen, in deze downloadtijden. Maar de plaat kan in elk geval een impuls geven aan zowel de Cubaanse als de Afrikaanse muziek. De son, die zo lang onder een glazen stolp heeft gelegen, gaat een nieuw verband aan met de Afrikaanse oorsprong, en kan daardoor gek genoeg weer vernieuwen. Net zoals de Buena Vista Social Club de oude Cubaanse muziek weer interessant maakte voor jonge Cubanen: iedereen zingt die liedjes nu weer, op straat, in de lift in het hotel.'


Misschien zingen wij in het westen straks ook een Malinees jagersliedje, dat op de plaat wordt begeleid door Cubaanse motieven op de trompet. Gold: 'Op Afrocubism is een heel nieuwe, muzikale authenticiteit ontstaan, waarnaar je ook nog eens heel makkelijk kunt luisteren. Omdat het, heel simpel, klinkt als mensen die muziek aan het maken zijn.'


Eindelijk samen: de Malinezen Bassekou Kouyaté (links, met ngoni), Djelimady Tounkara (midden) en Eliades Ochoa. Onder: de Buena Vista Social Club.



Wereldplaat: Buena Vista Social Club

Van de plaat Buena Vista Social Club, die verscheen in 1996 bij Nick Golds label World Circuit, werden wereldwijd meer dan acht miljoen exemplaren verkocht, een uniek aantal in de wereldmuziek. De plaat mondde uit in een wereldtournee - die begon in het Amsterdamse Carré - en een gelijknamige documentaire van de Duitse filmmaker Wim Wenders. Buena Vista Social Club schopte het als enig niet-westers album tot de lijst van 'vijfhonderd beste platen aller tijden' van het Amerikaanse muziekblad Rolling Stone, en verscheen op nummer 260.


Bij World Circuit werd een serie platen uitgebracht onder het Buena Vista Social Club-concept, en artiesten als Compay Segundo, Ibrahim Ferrer en zangeres Omara Portuondo beleefden een nieuwe internationale carrière. Volgens producer Nick Gold ligt een deel van de verklaring voor het overrompelende succes in het universele en romantische verhaal van ouderdom en nostalgie. 'De wereld werd een verhaal ingezogen, en leerde een aantal buitengewoon sterke personages kennen.'


De meeste muzikanten van de Buena Vista Social Club, onder wie Ibrahim Ferrer, Compay Segundo en Rubén Gonzaléz, zijn inmiddels overleden.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden