Afrika zonder heisa

De tentoonstelling bevrijdt Afrikaanse kunst van het starre socio-politieke korset.

Beeldende kunst ****


The Divine Comedy - Heaven, Hell, Purgatory Revisited by Contemporary African Artists


Museum für Moderne Kunst Frankfurt, t/m 27/7. mmk-frankfurt.de


Altijd goed om de zaken eens even om te draaien. Stel, een belangrijke Afrikaanse curator zegt: ik ga Europese kunst introduceren op het Afrikaanse continent in een tentoonstelling die in het teken staat van de spin Anansi, de mythische, van oorsprong Ghanese figuur die centraal staat in scheppingsverhalen aan de Afrikaanse westkust en in het Caribisch gebied. Komt u maar met uw voorstellen, Nederlandse en Franse en Poolse en Italiaanse kunstenaars.


Huh?


Belangrijk in deze hypothese is dat Afrika welvarend is en nog maar kort geleden half Europa bezette. Dat Afrika toonaangevend is in kunst en cultuur wereldwijd. Afrikaanse kunstbeurzen beheersen de markt, Afrikaanse musea zetten de toon. Europese kunstenaars zouden graag meedoen, desnoods via een wezensvreemd scheppingsverhaal. Zou het Anansi-voorstel niet een heel neo-koloniaal, paternalistisch, cultureel-imperialistisch en eigenlijk oneerbaar voorstel zijn?


Ja, wellicht. Maar die Nederlander, Fransman, Pool en Italiaan zouden er toch op ingaan.


Ik chargeer, maar toch: dit lijkt er nu in het Museum voor Moderne Kunst in Frankfurt te gebeuren. The Divine Comedy is een omvangrijke tentoonstelling met recent of voor de expositie geproduceerd werk van 53 hedendaagse Afrikaanse kunstenaars. Structuur en onderwerp van de expositie is La Divina Commedia (De goddelijke komedie) van Dante Alighieri, het epische Italiaanse dichtwerk uit het begin van de 14de eeuw. De indeling van de drie verdiepingen van het museum komt overeen met de drie delen van het boek, maar in omgekeerde volgorde. 'Hemel' op de begane grond, 'het Voorgeborchte' in het midden en op de bovenste verdieping 'de Hel'. Waar Dante vanuit de hel reisde naar het allesverblindende licht van de hemel, stijgt de bezoeker hier juist op naar de duisternis.


Een deel van de Afrikaanse deelnemers, afkomstig van Algerije tot Zuid-Afrika, heeft zich verdiept in La Divina Commedia en voert bijvoorbeeld Vergilius en Beatrice op, gekleed in traditionele Zimbabwaanse kledij. Anderen hebben de hoofdlijnen en begrippen uit de Komedie ter hand genomen. Dit geschrift heeft de christelijke (westerse) cultuur voorzien van zo veel rijke beelden, beeldspraak, figuren en metaforen dat het als uitgangspunt voor een expositie niet vreemd is.


Maar door Afrikanen? Van een continent waar het christendom geïmporteerd is, waar talloze andere religies en verhalen heel andere structuren en metaforen bieden? Waar een begrip als 'voorgeborchte' helemaal niet bestaat, en sowieso, hoezo één God? Waarom zou je als Afrikaanse kunstenaar meedoen?


Tweeënzeventig jonge vrouwen. Dat is het antwoord van Majida Khattari (Marokko, 1966). Tweeënzeventig vrouwen in processie, in uitzinnige witte kostuums , die in slowmotion door het museum schrijden om uiteindelijk een wit podium te bestijgen en zich te ontkleden. Heeft iemand zich al eens voorgesteld hoe die tweeënzeventig maagden een islamitische martelaar in het hiernamaals opwachten? Khattari toonde er in de openingsperformance een behoorlijk angstaanjagende glimp van, met vrouwen die geen gewillige harem vormen, maar eerder een strijdlustig, traag-agressief leger.


Er worden behoorlijk wat grote gebaren gemaakt in Frankfurt, letterlijk en figuurlijk. Op de bovenste verdieping, in 'de Hel', worstelt Thyapaka zich door de ruimte: een enorm, kniehoog zeemonster van rubber, deels slang deels walvis; volgens Nicholas Hlobo (Zuid-Afrika, 1975) een zinnebeeld voor ondergaan en weer bovenkomen. Pascale Marthine Tayou's (Kameroen, 1967) imposante cirkelvormige tenten in zwart, wit en rood verhuisden van de afdeling 'Voorgeborchte' uiteindelijk naar 'de Hemel'; de begrippen blijken elkaar nogal eens te overlappen. In meerdere video's wordt gespeeld met dolende geesten en een ontmoeting of hereniging ná de dood. De Kenyaanse Ato Malinda (1981) treedt in haar eigen video op als Papai Wata, de denkbeeldige Europese geliefde van een Afrikaanse watergeest, Mama Wata. Ja, van Dante en zijn Beatrice zijn we inmiddels ver afgedwaald.


Nog zo'n enorme installatie van Dominique Zinkpè (Benin, 1969): achthonderd handgesneden figuurtjes die aan lange draden aan het hoge plafond hangen. Zinkpè, die beweert 'overdag katholiek, 's nachts animist' te zijn (zoals de assistent-curator Eva Huttenlauch tijdens een rondleiding vertelt), laat deze door rode en blauwe spots aangelichte zieltjes bungelen boven een vloer van aarde waarin spiegelende portretjes van wereldleiders verspreid liggen. Dag Obama, Bush, Dalai Lama, Angela Merkel. Het is een van de weinige verwijzingen naar politiek op deze expositie - en dat valt op. Want de politieke bril is de bril waarmee kunst van het Afrikaanse continent de afgelopen tien, vijftien jaar voornamelijk bekeken is.


Er is heel wat gesold met Afrikaanse kunst. Kunst die in westerse ogen eerst als 'primitief'en daarna als voorloper van 'ons' modernisme werd gezien; die daarna vanuit activistische, religieuze en antropologische hoek is geduid en sinds de eeuwwisseling voornamelijk vanuit postkoloniaal perspectief (zie tijdlijn onder) dienst moest doen. Was je werk niet vanuit een historisch, kritisch perspectief te duiden, dan slonk de kans dat je als Afrikaanse kunstenaar aan een internationale manifestatie kon meedoen. Als - westerse - kijker moest je je vooral schuldbewust opstellen.


Ondanks de gemondialiseerde wereld zet het Westen in dat debat nog steeds de toon, alleen al door die aanduiding 'niet-westers'. En dat schuurt. In Nederland houdt het Stedelijk Museum Amsterdam zich er intensief mee bezig. Onlangs sprak de Italiaanse onderzoekster Sara Giannini daar duidelijke taal. Na de antropologische, de modernistische en de politiek-correcte invalshoek hebben we nu het 'kannibalistische' tentoonstellingsmodel, betoogde zij. Daarin lijkt 'alles mag' de leidraad te zijn: hoog en laag, bekend en vreemd, oud en nieuw.


Ze wees op de afgelopen Documenta in Kassel en op de Biënnale van Venetië, met zijn 'encyclopedische' aanpak. Het waren tentoonstellingen als omnivoren: ze grepen én terug op de Wunderkammer (een van de vroegste toonzalen waar kunst en artefacten uit verre landen werden getoond in het Westen) én ze sloten aan bij hedendaags kijkgedrag: eclectisch, zappend, surfend. Een methode die aantrekkelijk is, maar waarin ook grote willekeur schuilt.


De tentoonstelling in Frankfurt, wijkt prettig af van voorgaande benaderingen. Curator Simon Njami pleit voor 'framing', het vinden van het juiste kader. In zijn optiek is dat een poëtisch kader. Dat schept meer ruimte voor kijken en interpreteren dan het starre socio-politieke korset van de afgelopen jaren.


Dantes goddelijke komedie is misschien een raar keurslijf, maar wordt zo ver opgerekt dat 'verschillende opvattingen over het hiernamaals in de diverse Afrikaanse geloofssystemen' erin passen. De verstilde interieurfoto's van de rouwende maakster Lamia Naji (Marokko, 1966) kunnen hier prima, net als de prachtig geappliqueerde dansers op grote doeken van Abdoulaye Konaté (Mali, 1953). Ze zijn een plezier om kennis mee te maken. 'Het was belangrijk de betekenis van Afrikaanse kunst nu eens niet in de post-koloniale context te zien, maar vooral op zijn esthetische waarde te beoordelen', zegt Njami.


En hij mag het zeggen: de Zwitserse schrijver-curator-met-Kameroense-wortels is al twintig jaar met het onderwerp bezig en maakte tien jaar geleden het enorme, drie jaar lang reizende Africa Remix, de grootste tentoonstelling met hedendaagse Afrikaanse kunst in Europa ooit.


Binnen de poëtische benadering kunnen kunstenaars gewoon opportunistisch (in de goede zin van: kansen grijpen) opereren. Jem Robert Koko Bi (Ivoorkust, 1966) maakte in 2007 het werk Convoi Royal: een robuuste boot van hout, gevuld met grof gebeeldhouwde, verkoolde houten koppen. Bootvluchtelingen, de associatie is onontkoombaar. Maar op deze expositie is het óók de verbeelding van het oversteken van de Styx, de reis naar het dodenrijk - dat doet het kunstwerk goed, deze grotere ruimte voor interpretatie en het laten dwalen van de gedachten.


De grootste winst van deze tentoonstelling zit hem echter in iets anders: na afloop besef je dat je haar nauwelijks als 'Afrikaans' hebt ervaren. Het 'Afrikaans-zijn', de identiteit, is hier niet het onderwerp en zeker geen probleem, zoals het al anderhalve eeuw wel geweest is. Het ís gewoon zo. Niet doordat de kunstenaars zich hebben aangepast aan een bekend, westers idioom; eerder andersom.


Het vele gebruik van textiel, de bijna altijd aanwezige mensfiguur, de nabijheid van de geestelijke wereld (om maar iets te noemen dat vijftien jaar geleden nog, daar is-ie weer, 'exotisch' had geleken), het heeft zich in de hedendaagse kunst gemengd, haar verrijkt. Er zijn nieuwe sterren uit voortgekomen: Jeannette Winterson, Yinka Shonibare, Pascale Martine Tayou, Guy Tillim, Jane Alexander.


Zij zijn household names geworden die meedraaien in het wereldwijde tentoonstellingscircus. Je ziet daardoor veel veertigers en vijftigers, maar gelukkig ook nieuwe namen. Niet met in de eerste plaats het etiket 'Afrikaan' er op, maar gewoon kunstenaars van nu die best een zijstraat naar Dante's Goddelijke Komedie in willen slaan. Waarom niet?


Eindelijk: een tentoonstelling


van hedendaagse Afrikaanse kunstenaars waarin Afrika nu


eens niet het onderwerp,


en zéker geen probleem is.





Verschillen


'Afrikaans' als aanduiding vindt curator Simon Njami veel te algemeen, een noodzakelijk kwaad. En met 'post-koloniale onderwerpen', die het debat over kunst uit Afrika beheersen, heeft hij ook niets. 'Ik weet niet eens wat het betekent', zei hij tegen het blad Aperture in 2012. 'Als ik het over Afrika heb, komen álle landen - al hun verschillende geschiedenissen en culturen - in mijn hoofd op. Ja, ze zijn grotendeels gekoloniseerd geweest; maar zelfs die kolonies waren allemaal anders en leidden tot heel diverse resultaten en verhoudingen. Die verschillen toon ik.'


Toegeschreven aan Ekplékendo (van voor 1858)


Wand: Richard Long, Red Earth Circle


Catalogus uit 1984 van het MoMa


kunst uit afrika


in het westen


1850-1875


Musea in Duitsland, Italië en Engeland beginnen kunst uit de koloniën te verzamelen, aanvankelijk voor 'antieke' of 'prehistorische' collecties.


1879


Opening van het eerste etnografische museum, in Palais du Trocadéro, Parijs.


1889


Van Gogh en Gaugain maken kennis met 'primitieve sculptuur' op de Wereldtentoonstelling in Parijs.


1905 André Derain koopt een Afrikaans Fang-masker en toont het aan o.a. Matisse en Picasso. De laatste schildert twee jaar later Les Desmoiselles d'Avignon.


1913 The Armory Show brengt aansluiting met de markt; New York positioneert zich als dé markt voor primitieve kunst. Het wordt handelswaar.


1927 Stedelijk Museum toont 'Negerkunst' (uit de collectie van kunsthandelaar Van Lier).


1935/1941 African Negro Art en zes jaar later Ancestral Sources (MoMA) tonen Afrikaanse kunst nadrukkelijk als bron voor moderne westerse kunst.


1957 Amsterdam: 'Hedendaagse negerkunst uit Centraal Afrika' (Stedelijk Museum), een van de laatste 'koloniale' exposities.


1960-1990 Moderne Afrikaanse kunst wordt nu veelal getoond in het kader van strijd: onafhankelijkheidsstrijd en anti-apartheidsstrijd.


1984 New York: Primitivism in 20th Century Art; Affinity of The Tribal and The Modern'. Hevig bekritiseerde tentoonstelling in MoMA waarin 'primitieve' werken nog steeds met westerse kunst worden vergeleken. De stereotypische beschrijvingen ('barbaars, seksueel geladen') tekenden het einde van een benadering: zó kon je het niet langer laten zien.


1989 Magiciens de la Terre (Parijs): honderd hedendaagse kunstwerken, vijftig 'westers' en vijftig 'niet-westers', worden uitdrukkelijk zonder politieke agenda getoond, geselecteerd op hun esthetische en inhoudelijke kwaliteiten.


1992 Eerste Dak'Art Biënnale, gevolgd door


Rencontres de Bamako (sinds 1994), de Johannesburg Biënnale (1995 en 1997) en Marrakech Biënnale (sinds 2004) brengen Afrika in het circuit van internationale kunstmanifestaties.


2004


Documenta 11, Kassel, curator Okwui Enwezor. Typisch westers feest wordt uitgebreid met kunst uit de hele wereld en een zware politieke agenda: mondialisering en postkolonialisme zijn nu de toverwoorden.


2004-2007 Africa Remix, curator Simon Njami. Grote reizende tentoonstelling met Afrikaanse hedendaagse kunst is te zien in Düsseldorf, Londen, Parijs, Tokio, Stockholm en Johannesburg.


Harmen Meurs, Kunsthandelaar Carel van Lier


Dominique Zinkpè, Errance (2013).Foto MMK Frankfurt


Kiluanji Kia Henda, Othello's Fate (2013). Foto MMK Frankfurt

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden