Afrika moet afkicken

De hulp aan Afrika moet stoppen, vindt Dambisa Moyo. Een rampzalig plan, zeggen tegenstanders. Wie heeft er gelijk?..

Door Wim Bossema

Wat heeft Dambisa Moyo wat alle andere Afrikaanse critici van de ontwikkelingshulp voor haar niet hadden? Met haar boek Dead Aid heeft zij een storm in het wereldje van de hulp veroorzaakt, maar zo nieuw is haar kritiek niet. Waarom zijn de pleitbezorgers van méér en betere hulp dan zo vreselijk boos?

Ze moeten in haar vorig jaar verschenen boek toch veel bekende thema’s zijn tegengekomen. De hulp van rijke landen aan arme heeft de afgelopen halve eeuw meer kwaad dan goed gedaan. Het heeft de verkeerde leiders in het zadel gehouden en corruptie in de hand gewerkt. Het heeft een cultuur van ‘de hand ophouden’ gekweekt en het vrije ondernemerschap in de wielen gereden.

Afrika als hulpjunkie is een beeld dat al zeker een jaar of dertig bestaat. Stop met die verslaving, is een oude leus. Moyo pleit voor cold turkey, plotseling afkicken in plaats van geleidelijk, dat is misschien haar belangrijkste vernieuwende inbreng. En het was tevens het gemakkelijkste mikpunt voor haar tegenstanders: onverantwoord naïef, de gevolgen zouden verschrikkelijk zijn.

Jeffrey Sachs, de onvermoeibare ijveraar voor meer hulp, reageerde verbolgen op Moyo’s onverwachte moment of fame: haar ideeën, zei hij, ‘zijn volkomen verderfelijk en zouden tot de dood van miljoenen mensen kunnen leiden.’

Pleidooien om hulp af te wijzen en op eigen kracht te vertrouwen werden in Afrika al gehoord in de jaren zestig. De Tanzaniaanse president Julius Nyerere baseerde er indertijd zijn socialistische ontwikkelingsmodel op. Hij leverde ongewild het bewijs van zijn stelling door het tegenovergestelde te doen wat hij predikte: hij loodste voor zijn model grote sommen hulp zijn land binnen. Zo groeide een ondraagbare schuldenlast, werd de staatsbegroting grotendeels van buitenlandse goedertierendheid afhankelijk en ontstond er een schijneconomie, waarin de fabrieken geen winst maakten maar opereerden als gesubsidieerde sociale werkplaatsen.

Nyerere werd onder vuur genomen door linkse academici op de Tanzaniaanse universiteit. Die hulp is niets anders dan een instrument voor de Verenigde staten en Europa om de jonge Afrikaanse naties in de invloedsfeer van het kapitalisme te houden, stelden die. Hulp is imperialisme. Neokoloniaal. Weg ermee. Dat waren de hoogtijdagen van de Koude Oorlog. Een paar Afrikaanse regimes kozen voor hulp uit de Sovjet-Unie. Het perverterende effect van dit Sovjet-imperialisme verschilde niet wezenlijk van dat van de westerse hulp.

Die Afrikaanse kritiek werd nauwelijks opgemerkt op de burelen van de grote hulpverleners. Zij werd dan ook verwoord door extreme intellectuelen die schreven in onbegrijpelijk marxistisch of neo-marxistisch jargon. Ze konden achteloos terzijde worden geschoven. Hun studies, zoals die van de Egyptenaar Samir Amin, werden op Europese universiteiten wel gelezen, maar ach, dat was veilig buiten de werkelijke wereld van beleid en geld.

En hier belanden we bij het eerste grote verschil tussen de linkse critici van weleer en nu Dambisa Moyo.

Moyo schrijft geheel in de stijl van de hedendaagse non-fictie bestsellerauteurs. Bijtende vergelijkingen, bewust gezochte overdrijving en eenzijdigheid, sexy formuleringen gericht op controverse. Zo verkopen de pundits hun boeken. Moyo heeft ook nog het voordeel een betrekkelijk jonge welbespraakte vrouw te zijn, die het goed doet op de televisie. Een verademing tussen al die grijzende, blanke mannen met hun belerende boeken over de hulp, zoals de Britse historicus Niall Ferguson, in een voorwoord in Moyo’s boek terecht opmerkt. In haar geval is het feit dat zij Afrikaanse is, ze is geboren en opgegroeid in Zambia, ook een voordeel. ‘Kijk, nu hoor je het eens van een Afrikaanse zelf.’

En hier komt het tweede verschil tussen Moyo en haar linkse voorgangers. Rechtse tegenstanders van hulp, van neocons tot vrijemarktprofeten, hebben haar in de armen gesloten. In Nederland kan ze VVD-woordvoerder Arendjan Boekestijn tot haar bewonderaars rekenen. Die pleit voor verlaging en beknotting van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. Een totale afbouw binnen vijf jaar zal hem als muziek in de oren klinken, al zal zoiets niet gemakkelijk in het verkiezingsprogramma van de VVD worden opgenomen.

Maar waar hoort Moyo thuis? Bij de neocons? Is ze, zoals soms wordt geopperd, een Ayaan Hirsi Ali van de hulp? Van links naar rechts overgestapt vanwege één belangrijke kwestie en tot boegbeeld van rechts verheven? Het zou kunnen dat Moyo eenzelfde stap neemt, maar zover is het nog niet. Omdat de gevestigde hulp door links én rechts wordt bekritiseerd als een ‘hulpindustrie’, die een eigen leven is gaan leiden en waarbij honderdduizenden werknemers belang hebben, is het lastig haar in een hokje te plaatsen of voor een karretje te spannen.

Bovendien is ook de hulpindustrie zelf opvallend politiek neutraal. De beeldvorming dat hulp een links speeltje was, klopte al nooit (denk aan de missie en de zending, aan de handelsbevordering, aan geld voor rechtse regimes). Hulp, dat is toch ook Bono en het massale aidsprogramma van Bush in Afrika?

Een opvallende criticus van Moyo is Michael Gerson, columnist in de Washington Post. Hij was adviseur van Bush bij diens aidsprogramma, waarop hij erg trots is. Als de wereld het advies van Moyo zou volgen, ‘zouden veel mensen die nu in leven zijn gebleven, dood zijn’. Om de zaak maar even op scherp te stellen.

De club van popster Bob Geldof, One, lijkt evenmin een linkse solidariteitsclub. Zo veel mogelijk geld ophalen voor arme mensen, daar komt haar credo toch op neer. Medewerkers van die particuliere hulporganisatie begonnen een mailactie om het weerwoord tegen Moyo te organiseren. De Afrikaanse particuliere organisaties die geld krijgen van One, werd gepord hun stem te verheffen. Juist in de blogosfeer, waar veel jonge goeddoeners zich zo thuis voelen, verspreidde de catchy boodschap van Moyo, plus haar foto, zich razendsnel. Voor je het weet is de mode omgedraaid en is het gedaan met de hausse aan giften waarop de modieuze hulpclubs zich mogen verheugen. Bij Afrikaanse activisten maakte deze One-actie vooral ergernis los over Europese bedilzucht, meldde de Financial Times.

Jeffrey Sachs ging het debat met Moyo aan in blogs op de website HuffingtonPost.com. Hij is de superster van de feelgood variant van de pundit-bestsellers, met titels als The End of Poverty. Hij draagt de optimistische overtuiging uit dat het uitroeien van armoede slechts een kwestie van goede wil en heel veel geld is. Hij had al hoon over zich heen gekregen van deskundigen als William Easterly, maar die had hij kunnen wegzetten als verzuurde cynische oudere blanke mannen.

Hij voelde zich in de rug gestoken door die goed gebekte, welgestelde bankier uit Zambia. Ze heeft het eigen nest bevuild: eerst met fikse beurzen overal in het Westen academische graden bij elkaar studeren, voor de Wereldbank werken en dan na acht jaar geld verdienen bij Goldman Sachs roepen dat de rest van de Afrikanen voortaan het zelf maar moeten uitzoeken, Sachs vindt het geen stijl.

Moyo reageerde met een eigen column voor Huffingtonpost. Een vriend had haar al gewaarschuwd dat de tegenaanval op haar persoon zou worden gericht, en kijk aan, dat doet Sachs, schreef ze. Het is waar, een beurs ‘kan een meisje naar school laten gaan, maar we moeten onszelf daarom nog niet wijsmaken dat zulke gulheid zal leiden tot economische groeicijfers die een eind aan de armoede kunnen maken.’

Waarom pleit Sachs tegenwoordig zo vóór hulp aan Afrika, terwijl zij hem zelf, als studente in de collegebanken van Harvard, had horen beweren dat alleen particuliere sector en de markt ontwikkeling kunnen brengen? In Afrika soms niet?

Het is een vermakelijke woordenwisseling. Maar nu is het tijd om de argumenten en verwijten te wegen.

Moyo wordt vaak verweten hulp als oorzaak van alle kwalen voor te stellen. Kevin Watkins, een van de opstellers van het invloedrijke jaarlijkse Human Development Report van de VN kwam met de, inmiddels veel geciteerde, metafoor dat Moyo ‘de brandweer de schuld geeft, omdat die in de buurt van de brand is’. En het is waar: hulp vindt zij niet alleen ineffectief, het is de bron van het kwaad, schrijft zij keer op keer.

Andere oorzaken van Afrika’s gebrek aan sociaal-economische ontwikkeling bagatelliseert zij, zoals de invloed van het kolonialisme. Dat is terechte kritiek en in de discussies moest zij een terugtrekkende beweging maken: natuurlijk zijn er veel meer oorzaken van Afrika’s armoede, maar toch: nu is hulp het belangrijkste probleem.

Dat kan zij nergens met harde cijfers waarmaken, is de volgende kritiek. Wat zijn de economische kosten van de hulp, hoe groot is dan de schade? Dat is een gemakkelijk en ook flauw verwijt. Dezelfde critici komen ook niet met werkelijke cijfers om het tegendeel te bewijzen. Het is nu eenmaal zo dat ontwikkeling en de invloed van interventies als hulp altijd gegoochel met cijfers is, hele en halve leugens buitelen over elkaar. Evaluaties volgens meten-is-weten hebben de waarde van koffiedik.

Oorzaak en gevolg zijn doorgaans moeilijk vast te stellen. Onder ervaren deskundigen kun je horen dat de onbedoelde bijeffecten van de hulp vaak geweldig zijn – veel belangrijker en diepgravender dan effecten die de bureaucraten vaststellen met hun lijstje criteria, almaar veranderend naar gelang de mode. Het geld van corrupte machthebbers kan ook in de lokale economie terecht komen.

Bij het schatten van kosten en baten moet je altijd onderscheid maken tussen de uiteenlopende betrokkenen. Zo zijn er zowel Afrikaanse potentaten als achtergestelde Afrikanen die van hulp hebben geprofiteerd. De kosten van de hulp komen bijna uitsluitend op de rekening van de belastingbetalers, dat is het oude liedje.

Het is daarom goed dat Moyo vooral de principiële kwestie stelt: ook zonder de weelde van precieze cijfers en statistieken moet iedereen kunnen vaststellen dat de hulp een verkeerde cultuur heeft geschapen. Met alleen maar het hand ophouden komt er nooit een zelfstandige economie van de grond.

Dan de kritiek dat ze alle hulp over een kam zou scheren. Er wordt voorbeeld na voorbeeld gegeven van hulp die wel zin heeft. ’Geld om meisjes naar school te laten gaan verkeerd? Waarom?’

Daar zit wel iets in. In haar verweer wees Moyo er op dat zij het vooral over officiële hulp, die van overheidswege, bilateraal en multilateraal heeft en niet over die van particuliere clubs, de ngo’s. Maar dat is nou weer jammer, want ook die sector kan heel goed een kritische blik gebruiken. Dan blijkt dat de mechanismen niet zo wezenlijk anders zijn – de demotiverende kant van hulp, die vaak blijkt als de eerste euforie van de ontvangers (‘Anderen bekommeren zich om ons, er is hoop’) is weggeëbd.

De heftigste en ernstigste kritiek kreeg Moyo op haar aanbeveling binnen vijf jaar te stoppen met al die perverse hulp. De gevolgen van haar advies zijn niet overzien.

In The Guardian schreef journaliste Madeleine Bunting bijvoorbeeld dat Moyo’s voorstel ‘rampzalig onverantwoord’ is: ‘Het zou leiden de sluiting van duizenden scholen en klinieken overal in Afrika, en het eind betekenen van programma’s met aidsremmers, tegen malaria en tuberculose en de toelevering van noodhulp waarvan miljoenen levens afhangen.’

En zo komen we op de zwakste kant van Moyo’s boek. Zoals zoveel critici heeft zij zich laten porren tot het verzinnen van alternatieven. Uit vrees voor het verwijt: afgeven op de hulp is niet moeilijk, zeg dan hoe het beter kan. Meestal bijten de adviezen van de critici veel minder dan hun kritiek op de bestaande praktijk. Meestal biedt dat in het debat de laatste en effectiefste verdedigingslinie van de belanghebbenden in de hulpindustrie: de alternatieven zijn niet of nauwelijks beter dan hoe wij het doen. Vaak volgt dan nog een badinerend: wat er wel waardevol aan is, zullen we ter harte nemen.

Wat zijn de alternatieven van Moyo? Meer leunen op de Chinezen; minder strikt vasthouden aan democratie, als dat de economische groei in de weg staat; Afrikaanse landen zouden geen geld moeten binnenhalen als hulp, maar door het uitgeven van staatsobligaties. Tsja. Daar valt veel op af te dingen om heel uiteenlopende redenen. Maar het belangrijkste criterium is toch de economie: zal dit alles bij elkaar wel voor groei én sociaal-economische ontwikkeling leiden? Daarvoor moet je nog een groter naïeveling zijn dan de hulpgelovigen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden