Afrekenen met babyboomers

Door het rumoer over het verleden van Joschka Fischer is Duitsland plotseling terechtgekomen in de verwerking van de jaren zestig....

HET IS 1968. Studenten scanderen in de collegezaal 'Mao Tse Tung' en gooien zoals afgesproken op 'Tung' eieren en tomaten naar prof. Conze. De rector van de universiteit van Heidelberg vlucht de zaal uit met eierstruif op zijn bril. Een oude man, fysiek vernederd door honderden jongeren.

'Natuurlijk gooiden we de eieren naar het instituut dat onze bijeenkomsten verbood. Maar het slechte gevoel blijft tot op heden', bekent Joscha Schmierer. Nog in 1980 steunde hij 'kameraad' Pol Pot in Cambodja met propaganda en geld. Nu werkt Schmierer in Berlijn bij de planningsstaf van Joschka Fischers ministerie van Buitenlandse Zaken. Zoals wilde 'sponti's' als Fischer later, bij de herintegratie in de staat, politiek talent aan de dag legden, ontpopten sektarische communisten zich later bij de overheid als begenadigde organisatoren.

De gouden generatie van de babyboomers groeide op in vrede en welvaart. Eind jaren zestig beleefde ze een spannende en kleurrijke opstand tegen ouders, burgermoraal en staat. Na de collectieve bevrijding volgde de individuele ontplooiing. Dertig jaar later hebben de radicalen van weleer, in Duitsland '68'ers genoemd, mooie banen in de politiek en de media. Met de trots van de veteraan kunnen ze poseren als de uitvinders van jeugd en rebellie, bij wie de huidige jongeren maar bleek afsteken.

Maar er is een vlek gekomen op het overwinnaarsblazoen van deze zelfgenoegzame en luidruchtige generatie. De foto's waarop de huidige minister Fischer met een helm op een politieagent aftuigt, zet niet alleen hem onder politieke druk. De hele revolte van de jaren zestig wordt deze weken onder het mes gelegd en vakkundig gefileerd. Niet in de laatste plaats door de protagonisten zelf. De tijd van boetedoening is aangebroken.

'Ik geloof dat we ons moeten schamen voor sommige dingen die we hebben geschreven en gedaan', zegt Daniel Cohn-Bendit. Zelfs zijn ervaringen als anti-autoritaire opvoeder met de 'seksuele bevrijding' van kinderen worden nu in de krant verontwaardigd naverteld. Hij had zijn gulp wel eens door kinderen laten openen. 'Achteraf van een onvoorstelbare naïviteit', zegt hij. In Die Zeit schrijft auteur Klaus Hartung dat hij bij de Rote Hilfe zat, 'een organisatie die meende het geweldsmonopolie van de staat te moeten aanvallen. Vandaag ben ik blij dat die frasen geen werkelijkheid werden.'

'Alors, je m'accuse', schrijft publicist Reinhard Mohr in Der Spiegel. 'Ook ik heb stenen gegooid, daarbij ook nog eieren, tomaten en dennenappels, ik heb barricades gebouwd, hekken doorgeknipt, professoren beledigd, huisvredebreuk gepleegd, leuzen op de muren gespoten - en veel domme dingen gezegd.' Ook socioloog Helmut Dubiel schaamt zich: 'De zelfgenoegzaamheid tegenover onze vaders en het dogmatisch vasthouden aan domheden (...) verbiedt vandaag de dag iedere veteranentrots.'

Omdat het publicistengilde en de politiek in Duitsland dit soort discussies grondig plegen aan te pakken, is nu reeds sprake van een 'dritte Vergangenheitsbewältigung'. Eerst was er de verwerking van het nazi-verleden, in het begin mondjesmaat, maar na de jaren zestig met een enthousiasme die aan het fanatieke grenst. Toen kwam de bliksemsnelle afrekening met de DDR, met weinig begrip door het overwinnende Westen opgelegd. Nu is het de beurt aan de jaren zestig: de Duitse links-radicalen, die hun strijd consequenter en agressiever voerden dan enig andere linkse beweging uit die tijd, moeten verantwoording afleggen. Een generatie zit in de beklaagdenbank.

In de bondsdag staat de 35-jarige CDU-afgevaardigde Eckart von Klaeden met zijn keurige hoofd voor de microfoon en ondervraagt stenengooier Fischer. Is de toekomst aan de Von Klaedens, die zijn geboren in het tijdperk van rebellie? Wordt nu grootscheeps afscheid genomen van de jaren zestig? Er is kritiek op de lichtzinnigheid waarmee de rebellen de eerste geslaagde Duitse democratie afwezen ('Legal, illegal, scheißegal!'). Maar nu worden ook de eerste vraagtekens gezet bij de libertijnse levenshouding waarmee deze generatie de hele maatschappij heeft veranderd. De Beierse christen-democraat Peter Gauweiler noemde onlangs het feit dat de jeugd steeds slechter spelt een 'langetermijneffect' van de '68-revolte.

Soortgelijke bespiegelingen klonken enkele jaren geleden in Nederland: was de verloedering van de openbare ruimte, het onderwijs en de rechtsstaat niet toe te schrijven aan het 'vrijheid-blijheid'-principe van de jaren zestig? Ook in het moederland van de sixties, de Verenigde Staten, proberen conservatieve ideologen af te rekenen met het tijdperk. De denkers die de nieuwe Amerikaanse president George Bush inspireren stellen de jaren zestig verantwoordelijk voor de huidige ontwrichting in de maatschappij: de seksuele vrijheid heeft geleid tot gebroken gezinnen, experimenten met geestverruimende middelen tot drugsverslaving en anti-autoritair denken tot misdaad en verloedering. De bevrijding van toen is uitgemond in gebrek aan verantwoordelijkheid.

Bill Clinton was met zijn losse seksuele moraal voor de conservatieven een symbool van deze ontsporing. In Duitsland staan kanselier Gerhard Schröder en vice-kanselier Joschka Fischer in conservatieve ogen eveneens model voor het gebrek aan een moreel kompas. Ze zijn niet alleen op politiek gebied flexibel, maar ook in de liefde: beiden zijn vier keer getrouwd. Was de sponti-leus 'Wer zweimal mit derselben pennt, gehört schon zum Establishment' niet een voorbode van de lichtvaardige wijze waarop tegenwoordig partners en kinderen worden verlaten?

Het klinkt in principe veelbelovend, zo'n nadere blik op de fouten en de negatieve erfenis van de jaren zestig. Laat de generatie die zulke hoge morele normen stelde aan anderen maar eens bewijzen of ze daar zelf wel aan kon en kan voldoen. Het kan geen kwaad als in Nederland de lieden die als student politicologieprofessor Daudt wegwerkten openlijk zouden toegeven dat ze fout waren.

Waarom voelde links zich altijd verheven boven de conservatieven die als 'foute' mensen eigenlijk monddood moesten worden gemaakt? Vanzelfsprekend geachte ontwikkelingen en levenshoudingen moeten kritisch onder de loep worden genomen.

Toch wringt er iets. De jaren zestig waren te ingrijpend en veelomvattend om met een breed armgebaar naar de vuilnisbelt van de geschiedenis te worden verwezen. Ons huidige leven is ondenkbaar zonder de resultaten van de bevrijdingsslag van toen. 'De bondsrepubliek was vanaf 1949 ononderbroken een vrije, solidaire samenleving', sprak de CDU-leider in de Bondsdag streng tegen Joschka Fischer. Maar zou die CDU-leider ook een vrouw zijn geweest als de veranderingen van toen niet hadden plaatsgevonden?

De massa's die nu naar smakeloze seks op televisie kijken, ongehuwd samenwonen en halfnaakt in het park liggen te zonnen, vinden dat de normaalste zaak van de wereld. De kritische houding ten opzichte van machthebbers, de afkeer van oorlogsgeweld, de aanvaarding van homoseksualiteit, het besef dat het milieu moet worden beschermd - het zijn allemaal erfenissen van de jaren zestig die gemeengoed zijn geworden.

Ook Eckart von Klaeden wil niet terug. De jonge volwassenen van de 'generatie Golf' - in Duitsland zo genoemd naar een boek van de journalist Florian Illies - zijn in hun jeugd doodgegooid met linkse idealen. In het onderwijs hebben ze vooral de wrange vruchten geplukt van de in de jaren zestig bereikte vrijheid. Toch zouden ze voor geen goud terug willen naar de jaren vijftig, ook al is het voor hen moeilijk voorstelbaar hoe hiërarchisch en gesloten de samenleving toen was.

In West-Duitsland hebben de jaren zestig een nog belangrijker rol gespeeld dan in Nederland. De bezetters wisten na 1945 slechts een formeel democratisch bewustzijn op te leggen aan de Duitsers. Deze accepteerden de democratie uit pragmatische overwegingen, omdat ze rust en vooral welvaart bracht. Het schuldgevoel over de nazi-misdaden werd weggestopt. Rechters, professoren en politici met een nazi-verleden werkten door alsof er nooit iets gebeurd was.

De innerlijke aanvaarding van de democratie, zo toont ook historisch onderzoek, moest nog groeien. Dat bleek wel uit de boze reactie van de gewone Duitsers op het jaren-zestig-protest. 'Ze moesten jullie vergassen', of 'Ga toch naar de DDR', sisten ze de demonstranten toe vanaf de stoep. Aangevuurd door de kranten van de rechtse uitgever Axel Springer trad de politie met nu onvoorstelbare hardheid op.

De opstand van 1968 wordt daarom wel 'de tweede stichting van de republiek' genoemd. Pas na die liberalisering hoorden de Duitsers definitief bij de westerse democratische wereld, waarmee ze nu ook een waardenpatroon deelden. Het Duitse verlangen naar een autoritaire Sonderweg, dat de wereld in twee oorlogen had gestort, was verdwenen. Anders dan na 1945 was deze transformatie geheel het werk van de Duitsers zelf. De trots hierover verklaart waarom de protestbeweging heden ten dage breed wordt geaccepteerd en het verleden Joschka Fischer hem eerder glans verleent dan bevuilt.

Hoe belangrijk deze ontwikkeling ook is, de studentenrevolte zelf is te onbeduidend om een verwerkingsproces als dat na 1945 of 1989 te rechtvaardigen. De zonden van de jaren zestig zijn onvergelijkelijk veel kleiner dan die van de nazi-tijd of de DDR. Een ei naar het hoofd van een hoogleraar gooien, is nu eenmaal van een ander kaliber dan het deelnemen aan een pogrom tegen joden of het martelen van een politieke tegenstander in de Stasi-gevangenis.

Natuurlijk, juist in Duitsland ontaardde het protest in terrorisme. Met hun consequente denken (wie een mens wil zijn en geen Schwein moet vechten tegen het Schweinesystem) en hun doorvechten tot het bittere einde toonden de leden van de Rote Armee Fraktion zich erfgenamen van de nazi's. Maar afgezien van enkele tientallen slachtoffers en daders zelf heeft bijna niemand het leven verloren in de revolte van 1968.

De door linkse studenten zo bewonderde Mao was wel een massamoordenaar. Niet vergeten mag worden dat er in die tijd ook intellectuelen waren die tegen de mode in durfden te gaan en dit opschreven. De studenten die met Mao's portret liepen, waren rijkeluiskinderen die niets wisten van de werkelijkheid in China. Het activisme uit die tijd komt achteraf eerder potsierlijk dan schurkachtig over. Wie kan een glimlach onderdrukken bij het verhaal van Tom Koenigs, zoon van een Frankfurter beursdirecteur, die zijn erfenis afstond aan de Vietcong? (Hij is nu VN-bestuurder in Kosovo.) Of bij de poging van Joschka Fischer en zijn vrienden om als arbeider in de Opel-fabrieken het ongeïnteresseerde proletariaat voor de revolutie te winnen?

Niet alleen was de studentenopstand relatief onschuldig, de rol die zij in de geschiedenis speelt, is ook bescheidener dan de mythe van 1968 doet vermoeden. De Duitse historici die zich de laatste weken in het debat mengen, zien de revolte slechts als een hoogtepunt van een langdurige ontwikkeling. In de hele wereld vond als gevolg van de naoorlogse economische voorspoed een moderniseringsgolf plaats die de traditionele waarden en normen ondermijnde. Ontkerkelijking, popmuziek en televisie zijn al eind jaren vijftig begonnen. De jaren zestig zouden een overgangsperiode worden: in Nederland begon de ontzuiling, in Duitsland werd de naoorlogse periode afgesloten.

De generatie die zowel de nazi-staat als het naoorlogse Duitsland had opgebouwd, begon van het toneel te verdwijnen. De Koude Oorlog was van zijn meest hysterische trekjes bevrijd. Er ontstond ruimte voor protest en een kritische terugblik. In 1962 botste de regering met Der Spiegel, het blad won de strijd. Het bewustzijn over de nazi-misdaden groeide vooral door het Eichmann-proces in Israël en de grote Auschwitz-processen in Frankfurt, die allemaal ruim voor de studentenopstand plaatsvonden.

Zo bezien werken de ex-rebellen aan een legende als ze zichzelf in de Bondsdag tot grondleggers van de huidige vrijheid kronen ('Jullie mogen blij zijn dat wij er geweest zijn'). Ze waren in de woorden van een publicist eerder 'noodzakelijk voetvolk', door het toeval van hun geboortejaar voorbestemd om een opvallende rol te spelen.

Zeker het gewelddadige krakersprotest van Joschka Fischer en de zijnen, ver in de jaren zeventig, kan moeilijk doorgaan voor een historisch breekijzer. De maatschappij was toen al heel anders geworden. De regering die zo werd gehaat, werd vanaf 1969 geleid door de onverdachte sociaal-democraat Willy Brandt. Die had nog tegen de nazi's gestreden, en droomde in zijn regeringsverklaring over 'mehr Demokratie wagen'.

Het establishment in de westerse wereld bleek namelijk al snel bereid tegemoet te komen aan het verlangen naar vrijheid van de opstandige jeugd. De Amerikaanse historicus James C. Kennedy heeft in een boek over de jaren zestig in Nederland beschreven hoe monseigneur Bekkers misschien wel meer heeft bijgedragen aan de veranderingen dan de provo's.

De revolte fungeerde wel als een katalysator voor de liberalisering van de maatschappij. Zonder de radicaliteit van de studenten, hun communes en hun opruiende muziek had de omslag zeker niet zo snel plaatsgevonden. Het was paradoxaal genoeg hun radicale conflict met de staat, met de overdrijvingen en het geweld van beide kanten, waardoor de Duitse democratie volwassen werd. Dat is een blijvende erfenis, die zich slecht leent voor een totale afrekening.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden