Afkeer van de overheid

Als een van de kernthema’s van het populisme wordt vaak afkeer van de overheid gezien. Rancuneus gemopper op almachtige ambtenaren, verstikkende bureaucratie en, natuurlijk, ‘de polletiek’ – daaraan kan dat gemene dier bij wijze van spreken blindelings herkend worden....

Hier tegenover staat dat populisme in de meest uiteenlopende soorten en maten voorkomt. Daardoor is het niet zonder meer gelijk te stellen met anti-overheidsgevoelens. Het populisme dat in het begin van de 20ste eeuw in Noord- en Zuid-Amerika opbloeide, was links van snit en bepaald niet wars van de overheid. Mussolini, eveneens exponent van ‘het’ populisme, had ook al helemaal niets tegen big government – al heette dat toen nog niet zo.

Allemaal geschiedenis. Kenmerkend voor het hedendaagse populisme is dat het zich tegen een grote overheid keert. Denk alleen maar aan de Amerikaanse presidenten sedert Nixon. De een na de ander – Democraat of Republikein, dat maakte niet uit – poseerde als buitenstaander en bestormde Washington vanuit het achterland met de belofte die Augiasstal schoon te vegen en een eind te maken aan big government. Jimmy Carter, Ronald Reagan, Bill Clinton, Bush junior – ze deden het allemaal. Alleen de oude Bush, op-en-top de Washingtonse insider, kon de rol van buitenstaander onmogelijk geloofwaardig vertolken.

De afkeer van een grote overheid heeft verschillende bronnen. Voor het invloedrijke (neo)liberalisme is de omvangrijke naoorlogse verzorgingsstaat steen des aanstoots. Die berooft burgers van hun autonomie en bezwaart de economie. Deelstaten of regio’s kanten zich dikwijls tegen de omvang van het (regerings)centrum, omdat daar te veel macht samenklontert ten koste van lokale en regionale bevoegdheden.

Op hun beurt hebben bestuurskundigen en politicologen de overheid opnieuw willen uitvinden om haar van allerlei kwalen en tekortkomingen te ontdoen. Anderen vrezen weer de regelzucht en de regeldruk die nu eenmaal onontkoombaar van een groot overheidsapparaat uitgaan. Hoe meer ambtenaren, hoe meer regels. Wie minder regels wil, moet het aantal ambtenaren terugsnoeien.

Een meer volks ongenoegen ziet in de overheid voornamelijk hinderlijke regelneven, papierschuivers, dienstkloppers, pennenlikkers, loketpotentaten. Zeker, regels zijn regels, maar goedwillende burgers verdienen meer krediet. Laten ‘ze’ liever boeven vangen, of de straat behoorlijk schoonhouden.

Steeds vaker ook wordt de (semi)overheid gezien als overtollige overhead. De vox populi mompelde dit al wat langer. Intussen denken veel mensen die ervoor hebben doorgeleerd er niet veel anders over. De overheid als ‘doctorandussenplaag’, die nutteloze nota’s afscheidt – van hoog tot laag, van Den Haag tot stadsdeel Osdorp. Nieuwe vrijgestelden met vage functies en vaardigheden, een overbodige managersklasse die de baas speelt over professionals in onderwijs en zorg.

Of deze opvattingen hout snijden, doet er minder toe dan dat ze in omloop zijn, zelfs respectabiliteit genieten. Afkomstig van de borreltafel, maken ze tegenwoordig deel uit van het openbare debat, zoals deze week nog bleek uit geleerde – en genuanceerde – bijdragen aan de Forumpagina. Bovendien zijn ze doorgedrongen tot de verkiezingsprogramma’s van praktisch alle politieke partijen.

De traditioneel overheidsvriendelijke PvdA is misschien wel het hardst in haar oordeel. Ze wil van de beleidsdiarree af, de aandacht verschuiven van beleidsvorming naar uitvoering. Daarom zijn minder denkers nodig en meer doeners. Geen verheven woorden, maar eenvoudige, nuttige daden.

Anti-intellectualisme is ook de PvdA niet altijd vreemd geweest – denk aan het ‘gelul’ waarin je volgens PvdA-bestuurder Jan Schaeffer niet kon wonen – maar het populistische gehalte van haar huidige afslank- en besparingsvoorstellen is zonder precedent. Andere partijen doen er qua radicaliteit overigens nauwelijks voor onder.

Het kan niet anders of een nieuw kabinet zet, ongeacht zijn samenstelling, in op een vermagerde, doenerige overheid (het beeld van een hyperactieve junkie dringt zich op). Over de resultaten van zulk beleid – het is niet anders – mogen we ons geen grote illusies maken. Het is wenselijk en noodzakelijk, maar het moet wel eerst nog goed worden uitgedacht en uitgewerkt.

Het afslanken van de rijksdienst, begonnen onder de kabinetten-Lubbers, is Sisyfusarbeid gebleken. Een stapje vooruit, een pasje achteruit. Paars liet het er trouwens weer grotendeels bij zitten. Niet voor niets zal het Centraal Planbureau de door de grote partijen ingeboekte ambtelijke bezuinigingen ongetwijfeld als boterzacht diskwalificeren.

De betekenis van het streven naar een ander type overheid, zoals nu toch nog vrij plotseling neergelegd in de verkiezingsprogramma’s, zit ’m ook niet in het realiteitsgehalte van die prille plannen. De betekenis is eerder dat een politiek taboe aan het bezwijken is. Kritiek op de overheid als overheid – qua omvang en werkingssfeer – was lang not done, want rechts of populistisch of allebei.

Die tijd lijkt definitief voorbij, zodat het mogelijk wordt om, vrijwel Kamerbreed en zonder vooropgezette denkbeelden en ideologische scherpslijperij, naar omvang, samenstelling, inzet en effectiviteit van het overheidsapparaat te kijken. Wat is werkelijk noodzakelijk? Waar kan het zonder of minder? Dat is enorme winst.

Uit de krachtige agendering van dit onderwerp blijkt dat de Opstand der Burgers van 2002 blijft doorwerken. De Nederlandse politiek bevindt zich nog altijd in een populistische fase, begonnen met de opkomst van Fortuyn. Niet voor niets is wel opgemerkt dat, na immigratie en integratie, diens ‘tweede agenda’ nu aan de beurt is: reinventing government in de verweesde samenleving.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden