Afghanistan: meer kinderen sterven

Niet eerder zijn in de Afghaanse burgeroorlog zo veel kinderen en vrouwen gedood en gewond geraakt als in 2013. Dat blijkt uit cijfers van Unama, de VN-missie in Afghanistan. Unama spreekt van een 'alarmerende' toename. Terwijl het totaal aantal burgerslachtoffers in Afghanistan vorig jaar 14 procent hoger was dan in 2012, was de toename onder kinderen en vrouwen aanzienlijk hoger.

AMSTERDAM - Het aantal door Unama geregistreerde vrouwelijke slachtoffers (235 doden, 511 gewonden) was vorig jaar 36 procent hoger dan in 2012. Bijna de helft van hen was verzeild geraakt in gevechten tussen opstandelingen en het regeringsleger (en/of buitenlandse troepen). Ook bermbommen maakten veel slachtoffers.


In totaal vielen in Afghanistan vorig jaar 8.615 burgerslachtoffers - 2.959 doden en 5.656 gewonden. Dat is 14 procent meer dan het jaar ervoor. Alleen in 2011 was het aantal burgerdoden hoger. Het totaal aantal slachtoffers was hoger dan ooit.


'Anti-regeringselementen' (Taliban en andere milities) waren verantwoordelijk voor 74 procent van de gevallen. De rest is toe te schrijven aan het Afghaanse regeringsleger (8 procent), buitenlandse troepen (3 procent), gevechten tussen de twee partijen (10 procent.) De resterende 5 procent betrof ontploffingen van zwerfexplosieven.


Aantal vrouwelijke slachtoffers gestegen in 2013


Het aantal minderjarige slachtoffers steeg 34 procent. Er werden 561 kinderen gedood; 1.195 kinderen raakten gewond. De 'grootste moordenaar' van kinderen, aldus het VN-rapport, waren IED's (bermbommen en andere explosieven). Die zorgden voor ruim eenderde van de sterfgevallen. Er is sprake van een 'dramatische toename' van het aantal burgerslachtoffers door het gebruik van IED's door opstandelingen.


Ook werden veel kinderen gedood of gewond bij gevechten tussen opstandelingen enerzijds en het leger en buitenlandse troepen anderzijds. Unama heeft het in dat verband over een zorgwekkende 'nieuwe trend': burgers die worden getroffen terwijl de strijdende partijen elkaar te lijf gaan.


Die trend 'reflecteert de veranderde dynamiek van het conflict'. Het sluiten van internationale legerbases en de afname van operaties van de internationale troepenmacht ISAF 'gaf anti-regeringselementen grotere mobiliteit en meer kansen de Afghaanse strijdkrachten aan te vallen'. Die waren op hun beurt ook actiever, maar stonden tevens meer bloot aan aanvallen.


Met andere woorden: meer fysieke confrontaties tussen de twee kampen, waarbij vrouwen en kinderen zich vaak in de vuurlinie bevinden of worden getroffen door 'missers'.


Politie in Kunduz

Unama gaat ook in op de Afghaanse politie, die in omvang blijft groeien en daardoor een steeds grotere rol heeft in het conflict. Nederlandse troepen waren de afgelopen jaren betrokken bij het opleiden van politiemensen in de provincie Kunduz.


Volgens het rapport werd in veel districten melding gemaakt van 'verbeterde veiligheid door de aanwezigheid van politie'. Niettemin noteerde Unama ook misdragingen door de Afghaanse politie. Dat gebeurt vooral in gebieden waar de politie feitelijk niet onder het bevel van de regering staat, maar onder dat van krijgsheren of andere machtige lieden. In het bijzonder is dat het geval in de provincies Kunduz, Faryab en Nangarhar.


Unama stelt vast dat de banden met deze machtige figuren 'sommige politie-eenheden in staat stelt straffeloos een reeks misdrijven en schendingen van mensenrechten te begaan'.


Wat ook gebeurt, is dat de politie niet optreedt tegen moordpartijen en andere misdrijven door lokale bendes en milities van krijgsheren. Een kras voorbeeld - uitvoerig beschreven in het rapport - deed zich in 2012 voor in de provincie Kunduz, toen de Nederlandse troepen daar nog waren.


Op 2 september 2012 richtte een regeringsgezinde militie een bloedbad aan in het dorp Kanam. Acht burgers werden gedood, twaalf raakten gewond, onder wie een vrouw die haar man trachtte te beschermen.


De Volkskrant was enkele weken daarna in Kanam en sprak met nabestaanden. 'Krijgsheren hebben onschuldige mensen vermoord in onze huizen en op het land', zei de 37-jarige Nur Agha tegen verslaggeefster Natalie Righton. 'Ze schoten zelfs op minderjarigen, vrouwen en dieren.' Over de daders waren de nabestaanden eensgezind: krijgsheer Mir Alam, 'de koning van Kunduz', een man 'die alles kan doen wat hij wil en machtiger is dan de politiechef'.


Maar daders van het bloedbad waren nog niet opgepakt. Ook naderhand zou dat niet gebeuren, zo blijkt nu uit het Unama-rapport. Twee laaggeplaatste leden van de militie werden veroordeeld, maar in hoger beroep vrijgesproken. 'De commandanten die verantwoordelijk waren voor de aanval zijn niet gearresteerd, ondanks een bevel daartoe van de aanklager.'


Een jaar later, in september vorig jaar, hield de militie die het bloedbad in Kanam aanrichtte huis in een ander dorp in Kunduz, na gevechten met de Taliban. 'Ze plunderden het dorp, sloegen een burger dood en schoten een oude man dood.' Gedurende heel 2012 en 2013 hield de groep zich bezig met criminele activiteiten en mensenrechtenschendingen.


De straffeloosheid wordt volgens Unama bevorderd door patronagenetwerken, corruptie en drugsbelangen. Ook zijn de criminele milities nodig bij het bestrijden van de Taliban. 'Na de aanval op het dorp Kanam vertelden de autoriteiten aan Unama dat ze deze commandanten zagen als onmisbaar om te voorkomen dat de Taliban het district Khanabad weer zouden innemen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden