Adri en de anderen

Het moment staat velen nog op het netvlies gegrift. De publicatie, in 1983, van de eerste twee boeken van A.F.Th....

Adri van der Heijden (1951) kon mooi vertellen. Het was medio jaren zestig en Adri's broertje Frans verheugde zich iedere avond weer op de verhalen die Adri met hem ging delen op hun slaapkamer in de bescheiden arbeiderswoning in de Geldropse wijk Braakhuizen-Noord. 'Een combinatie van passages uit avonturenboeken en verzinsels. Ik hing aan zijn lippen.'

Het waren verhalen die voorafgingen aan vaak weer een angstige nacht, waarin de twee broertjes - en hun zusje Marianne - vurig hoopten dat de stilte in huis niet doorbroken zou worden. Vooral in de weekenden was de sfeer in het gezin beladen. Vader Van der Heijden, doordeweeks lakspuiter bij Philips, was dan, in de woorden van Frans, 'op zuip'. Zijn nadrukkelijke afwezigheid en de angst voor de gevolgen van zijn kwade dronk als hij eenmaal thuiskwam, had de rest van het gezin in de greep.

's Avonds in bed probeerden de kinderen de stilte in huis te bedwingen, zoals Van der Heijden het later zou beschrijven in De gevarendriehoek. De passages lieten broer Frans, toen hij ze in 1985 las, niet onberoerd. 'Hij beschreef precies wat ik toen ook heb gevoeld. Hoe je klaarwakker, maar roerloos in bed lag in de hoop dat het beneden stil zou blijven. Ik heb echt zitten janken toen ik dat las.'

Overdag was de sfeer al niet anders - Frans: 'De grote vraag op de zaterdagmiddag was: wanneer komt vader thuis en wat gebeurt er dan?' - en de kinderen zochten bezigheden om de spanning te verdrijven. Ze lazen, maar ze brachten ook uren door met het tekenen van 'nulletjes' op de witte plekken van tijdschriften als de Margriet.

En ze schreven. Adri's anderhalf jaar jongere zusje Marianne begon ermee; ze schreef bibliotheekboeken over. 'Dat gaf haar het idee dat ze zelf een boek had gemaakt', zei Adri daar later over. Uit jaloezie begon hij op zijn beurt met het overschrijven van jongensboeken. 'Een stupide, dwangneurotische bezigheid.'

Marianne ging Adri ook voor in het 'echte schrijven'. Op haar elfde schreef ze op multomapblaadjes een verhaal over een doodziek meisje dat in het ziekenhuis lag. Adri tekende de omslag. De nonnen op Marianne's school en op de kinderafdeling van het ziekenhuis waren zo enthousiast over het verhaal dat Adri opnieuw 'vreselijk jaloers' was. Hij begon ook aan een boek.'Over een soort Pietje Bell die naar het Wilde Westen vertrekt', aldus de schrijver in 1988.

Adri mocht dan honderduit vertellen tegen zijn dankbaar luisterende broertje, buiten de veilige omgeving van de Geldropse zolderkamer was de input vooralsnog groter dan de output. In de familie stond Adri bekend als een ernstige, stille jongen. 'Een serieuze jongen', zeiden ooms en tantes waarderend. Frans van der Heijden: 'Op feestjes zat hij rustig een boek te lezen. Maar intussen hoorde hij alles. Hij had oren op steeltjes.'

Zelf beschreef Van der Heijden (in De sandwich) hoe hij als kind zijn geheugen trainde, maar hij slorpte de gebeurtenissen in zijn omgeving ook op als een spons. In De tandeloze tijd ontwikkelde Van der Heijden de filosofie van 'leven in de breedte', een truc om het leven dat zich nu eenmaal 'nietsontziend in de lengte ontrolt' toch te rekken, door het moment zelf zo rijk en divers mogelijk te maken, door 'het in de breedte te laten uitdijen'. Het lijkt erop, denkt zijn broer Frans hardop, dat Adri daarmee zijn eigen overgevoeligheid voor prikkels van buitenaf beschreef, zijn 'idiosyncrasie'. 'Feit is dat niets hem ontgaat. Hij kan je vele jaren later ineens confronteren met een uitspraak die je ooit gedaan hebt. Of hij haalt een compleet gesprek terug. Het is bijna griezelig.'

Ook nuchter was hun vader maar moeilijk in staat tot intiem contact. Moeder Van der Heijden bevestigde Adri daarentegen in zijn romantische idee dat hij 'een prins van den bloede' was. Zij was het ook die de kinderen abn liet spreken en die de liefde voor het lezen aan hen doorgaf. Het schrijven, eerst door Marianne, daarna door Adri (later ook door Frans), kon goed gedijen in huize Van der Heijden. Het bood Adri, de observator, de mogelijkheid om iets te doen met al die verzamelde indrukken en dat woelige interne gevoelsleven. Schrijven was een uitkomst. Het was alsof het ventiel van een te hard opgepompte fietsband werd losgedraaid.

Rond zijn zestiende, in 1967, begon Adri in Geldrop aan zijn eerste echte boek, met de werktitel Kermis in de hel. Serieus werd het schrijven in Nijmegen, waar hij in 1970 ging studeren, eerst een jaar psychologie, daarna filosofie. In Geldrop ontving Frans lange brieven van zijn broer. 'Afgeronde verhalen met mooie wendingen en geschreven in een prachtige stijl.'

'Kijk, zo swingend waren die feestjes dus.' Jaap de Wijze laat een foto zien met Adri, in wijnrode sweater en lang haar, onderuitgezakt op een bank. In de ruimte zitten nog wat andere mensen die een niet al te geanimeerde indruk maken. Een feestje op de Berg en Dalseweg 369, Nijmegen, in de periode 1974-1976, toen de filosofiestudenten Adri en Jaap de Wijze in hetzelfde huis woonden.

'Het was een verwarrende tijd', zegt De Wijze, tegenwoordig werkzaam als voorlichter bij een gemeentelijke instantie in Nijme gen. 'Heel intensief en toch gebeurde er niets. Je hoefde geen flikker te doen. Af en toe een tentamen en dat was het dan weer. We waren in zekere zin vrijgesteld, maar er kwam weinig uit voort. Er kwamen veel mensen bij ons over de vloer, vol energie, vol plannen, met hoge verwachtingen, maar uiteindelijk was iedereen heel passief. Het was, inderdaad, een tandeloze tijd.

'Adri en ik praatten veel. Zware gesprekken over de wereld, over de maatschappij. Praten en drinken. En ik rookte en tripte dan nog. Nee, over de liefde of over ons gevoelsleven ging het nauwelijks. Het was een vrij intellectuele vriendschap.'

Ook over schrijven spraken Jaap de Wijze en Adri niet. Dat deed Adri met Frans Grup pe laar, de derde bewoner van het pand. 'In hun vriendschap was literatuur de bindende factor. Adri en Frans, dat was een soort bondgenootschap. Ik stond daar buiten. In tus sen was Adri wel degelijk aan het werk. In de hoek van de kamer, naast de deur stond zijn bureau. Dat was altijd heel keurig, heel ordelijk. En daar was hij aan het schrijven. Dat heeft hem waarschijnlijk meer houvast gegeven dan dat zooitje ongeregeld om hem heen. Hij had het ook over Het Grote Werk; ''Eens zullen we beginnen aan Het Grote Werk”, zei hij dan.'

Jaap de Wijze had, als zoon van de eigenaar, de eerste keus gehad bij het uitzoeken van een kamer in het huis op de Berg en Dalseweg. Hij koos - daar had hij later spijt van - voor het souterrain, vanwege de tuindeuren en de tuin aan de achterkant. Daardoor viel de beste etage, op de begane grond, toe aan Adri. Dat betekende dat het sociale leven zich bijna als vanzelf op Adri's kamer afspeelde. Ook de feestjes werden daar gehouden.

Frans Gruppelaar, een student kunst geschiedenis die Jaap vaag kende, betrok de zolderverdieping van het herenhuis. Gruppelaar en Adri trokken al snel naar elkaar toe, vanwege hun beider interesse in kunst en literatuur. Ze gingen samen naar Italië, of ontmoetten elkaar daar, want Italië, dat was kunstgeschiedenis.

Het praten over literatuur, over schrijven, over de ambitie om zelf te schrijven, leidde bij Gruppelaar nog niet tot concrete actie. Op een dag merkte hij dat Adri al wel serieus bezig was.

'Op de rand van zijn bureau lag opeens een stapel papier. Dat wekte de indruk van een manuscript. Misschien was het pure bluf, maar dan nog had het een rituele functie. Zo van: het is een daad om een boek de wereld in te helpen. Ik zou nog steeds wel willen weten of daar nou echt iets instond, in dat manuscript.'

Hoe dan ook: Frans Gruppelaar schrok. 'Ik dacht: die gek is echt aan het doen waar we almaar over praten. Dat had hij nooit verteld. Hij zei nooit: ik ben al bezig, ik ga echt wat opschrijven. Nu werd er van mij opeens ook wat verwacht. Helemaal geen prettige gedachte. De innerlijke drang om te schrijven was bij mij veel minder aanwezig dan bij Adri. Dat het met Adri wel iets zou worden, dat wist ik eigenlijk in Nijmegen al. Ik heb in mijn leven misschien drie mensen gekend van wie ik overduidelijk wist: die zijn slimmer, getalenteerder dan ik. Adri was er één van.'

Adri's plannen om naar Amsterdam te gaan, kwamen in een stroomversnelling toen hij zijn ruime etage aan de Berg en Dalseweg moest verlaten. Jaap de Wijze volgde hem naar de hoofdstad. 'Ik dacht: dan ga ik ook. Gek eigenlijk, achteraf gezien. Want er was toch een soort distantie tussen ons.'

In Amsterdam verloren hij en Adri elkaar vrij snel uit het oog. 'Het contact verflauwde. We zaten in verschillende werelden. In mijn eerste jaar in Amsterdam ging ik nog vrij veel bij hem langs. Hij was altijd heel gastvrij. Mijn vriendin en ik gingen een keer bij hem op bezoek en toen bleek dat hij een hele rijke dis voor ons had bereid. Het probleem was: wij hadden net thuis een copieuze maaltijd op. We hebben niks laten merken en alles keurig opgegeten. Dat is wel typerend voor onze relatie. Als je echt joviaal met elkaar omgaat zeg je gewoon: we hebben al gegeten. Dat konden we tegenover Adri niet maken.'

Van der Heijden betrok in Amsterdam een kamer aan de Grote Wittenburgerstraat, samen met een Geldropse jeugdvriend, Roel Kriense Lokker.

Kriense Lokker weet nog dat hij in Geldrop contact zocht met die jongen uit de Textielbuurt wiens reputatie hem vooruit was gesneld. 'Adri stond bekend omdat hij goed kon tekenen en schilderen. Dat waren precies de dingen waarvoor ik me interesseerde. Adri was populair in sommige kringen in Geldrop. Hij deed ook iets in het buurthuis, in de soos. Dat kietelde wel, ik wilde hem wel ontmoeten. Misschien speel de bij mij mee dat ik homoseksueel was. De gedachte dat ergens een mythische, magische figuur rondliep... en dat in Geldrop.'

De jongens werden vrienden. Kriense Lokker: 'Ik vond Adri vreselijk aardig en charmant. Hij was ook vrij rustig. En altijd wel een beetje een heer, een beetje voorlijk. In zekere zin was hij ook afstandelijk, net als ik trouwens.'

Ze vonden elkaar in hun 'hang naar de zelfkant, in het avontuur, de experimenten met drank en drugs'. En ze spraken veel over kunst en over literatuur en dan vooral over Gerard Reve en Jean Genet, die ze allebei bewonderden. Een enkele keer gingen ze samen op reis, naar Italië en naar Frankrijk.

Toen ze allebei naar Amsterdam bleken te gaan, lag het voor de hand dat ze samen een kamer zouden zoeken. Een jaar later kraakte Roel een woning aan de Van Ostadestraat en hij vroeg Adri om bij hem te komen wonen. Van der Heijden bekeek de homoseksualiteit van zijn huisgenoot met 'een soort welwillendheid'. 'Hij was ook wel nieuwsgierig; ik was natuurlijk enigszins een exoot.'

Kriense Lokker figureerde in Van der Heijdens allereerste publicatie, een verhaal in een lezersbijlage van Vrij Nederland. 'Het verhaal was prachtig, maar ik schrok in eerste instantie wel.' Hij wist toen nog niet dat Adri echt werk wilde maken van het schrijven.

En net zo min als Jaap de Wijze kon hij bevroeden dat er in de toekomst een nog veel grotere rol voor hem was weggelegd in het werk van zijn vriend.

Het schrijverschap van Adri kreeg serieus gestalte in de Van Ostadestraat. Daarmee verflauwde het contact tussen Van der Heijden en zijn huisgenoot. Kriense Lokker, die steeds vaker in Den Bosch was, waar hij een groot pand had gekraakt en waar hij op de kunstacademie zat, kon Adri steeds moeilijker volgen. 'Adri ging anders praten, mooier. Het gros van de gesprekken ging over schrijven, over hoe je met taal om moest gaan. Het ging om het uitdrukken van dingen en minder om het echte contact. Met de taal werd een muur opgetrokken. Hij had ook de intentie: doe nou mee. Maar ik gaf geen sjoege, ik wist bij god niet waar hij mee bezig was.'

Broer Frans, die tijdelijk bij Adri was ingetrokken, speelde toen al een tijdje de rol van 'luisterend oor', net als vroeger. 'Ik vond het mooi dat hij mij alles als eerste liet lezen. En toen hij doorbrak in de literatuur voelde ik me als meelezer ronduit vereerd. Adri heeft altijd de behoefte gehad aan een klankbord. Al was het ook weer niet de bedoeling dat je vervolgens veel kritiek leverde. Die had ik trouwens zelden, want ik vond het prachtig wat hij schreef.'

Na Adri's debuut Een gondel in de He ren gracht (geschreven onder het pseudoniem Patrizio Canaponi) - waarvoor hij in 1979 de Anton Wachterprijs kreeg - en na het uitkomen van De draaideur in datzelfde jaar, nam Mirjam Rotenstreich, met wie Adri begin jaren tachtig ging samenwonen, de rol van Frans min of meer over.

Dat was, achteraf gezien, maar goed ook, meent Frans, tegenwoordig tekstschrijver van beroep. 'Ons contact was toentertijd nogal eenzijdig. Adri was in zijn maniakale schrijfdrang vrij overheersend. Ik ging beseffen dat ik in niet alle opzichten een gezonde verhouding met hem had.'

Frans Gruppelaar en Adri zetten hun vriendschap, daterend uit Nijmegen, aanvankelijk voort in Amsterdam. Al in Nijmegen zat Frans van der Heijden er vaak bij, in café De Tempelier, waar Adri en Gruppelaar avonden lang spraken over literatuur en kunst. In Amsterdam gingen ze iedere zondagmiddag naar café Reijnders, daarna naar pizzeria Bizerte en vervolgens naar café Dopey's Elixer in de Pijp, met een vaste kern van vijf: Adri, Mirjam, Frans Gruppelaar, broer Frans en diens vriendin Hinde, Mirjams zus.

Maar op een dag was Gruppelaar vertrokken en hij liet nooit meer wat van zich horen. Frans van der Heijden: 'Adri en Frans hadden een gecompliceerde relatie, met nogal wat wederzijdse gevoeligheden. Ik denk dat het misliep toen Adri de eerste delen van De tandeloze tijd publiceerde. Frans vond die onderneming wellicht wat al te groot. Zoiets zag hij zichzelf niet doen. Het leek wel of daarmee, paradoxaal genoeg, zijn belangstelling en bewondering voor Adri's werk verdween. In elk geval haakte hij af, letterlijk en figuurlijk.'

Na omzwervingen in Duitsland en de Verenigde Staten woont Gruppelaar tegenwoordig in Amersfoort. Hij werkt als freelance vertaler. Gruppelaar doet nonchalant over de breuk die halverwege de jaren tachtig plaatsvond. 'Ik leerde andere mensen kennen, andere dingen werden belangrijker, het ging over. Ik ben toen wel heel plotseling vertrokken, maar dat had te maken met het feit dat ik in Duitsland kon gaan werken. Ach, wel meer episodes in mijn leven lopen met een sisser af. Misschien ben ik in al mijn karakterloosheid wel te lang blijven hangen in een omgeving die de mijne niet was.'

Wel had Gruppelaar, in de slipstream van Adri, nog zijn boek gepubliceerd: Het scherp van de snede. De roman kreeg een paar welwillende en een paar minder welwillende besprekingen, daar bleef het bij. 'Ach, dat boek. Het was gekunsteld, bedacht. Ik hield niet van veredelde dagboekschrijverij. Ik dacht: ik moet iets doen wat echt fictie is. Maar ik kon het niet.

'Adri heeft inhoudelijk nauwelijks op mijn boek gereageerd. Hij heeft me wel eens gezegd: je moet meer hart en minder brein in je schrijven stoppen. Hij is me ook wel blijven stimuleren. Maar ik heb op een gegeven moment besloten dat ik het talent niet had. Niet het talent van Adri. Adri geloofde in de magie van het woord en daarom ontstond er iets magisch. Ik was een rederijker: ik geloofde niet in het ware belang. Het is het verschil tussen goochelen en toveren. Ik kan wel een konijn dat ik van tevoren in een hoed heb gestopt tevoorschijn halen, maar dat is nog geen magie.'

Na het succes van Een gondel in de Herengracht brak er voor Adri van der Heijden een licht euforische fase aan, waarin hij de bevestiging van zijn schrijverschap volop vierde. Maar de kritische ontvangst van zijn tweede boek, De draaideur, deed die vreugde direct weer teniet. 'Dat was een behoorlijk klapje', herinnert broer Frans zich. Van der Heijden dook meteen onder om te werken aan De tandeloze tijd, toen nog bedoeld als trilogie. Hij huurde daartoe een cel in het voormalige huis van bewaring in de Haven straat. Vier jaar lang werkte hij stug door, vastbesloten om in één klap alle mogelijke twijfels over zijn vakmanschap weg te nemen. Aan materiaal geen gebrek in het Amsterdam van begin jaren tachtig. De orgie van geweld tijdens de kroningsrellen in 1980 kreeg een belangrijke plaats in De slag om de Blauwbrug, de proloog van De tandeloze tijd die in 1983 verscheen, samen met deel 1, Vallende ouders. De twee boeken, voor het eerst onder zijn eigen naam verschenen, maakten een verpletterende indruk.

Binnen het bedaagde Nederlandse literaire circuit was hier sprake van een bescheiden sensatie. Hier spotte een sprankelende, jonge schrijver met de 'wet' als zou er voor de naoorlogse generatie geen thematiek meer zijn om op een vitale, meeslepende manier over te schrijven. Het moment staat bij sommigen nog op het netvlies gegrift. Arjan Peters, literatuurcriticus van de Volkskrant, studeerde destijds Nederlands aan de uva: 'Ik had weinig geld, ik kon me het risico van een miskoop niet permitteren, maar een studiegenote zei: dit moet je kopen, want er is iets bijzonders aan de hand. Daar was niets aan gelogen. Ik vond het prachtig, ik was direct helemaal begeesterd. En ik was niet de enige. Het gonsde op het instituut voor Neerlan distiek. Je had echt het gevoel dat je, zogezegd een datum in de Nederlandse letterkunde beleefde. Dat je erbij was. En die sensatie is nu eenmaal een andere dan dat je als student ontdekt dat Lucifer van Vondel geen oude droge kost is, maar gloeiend Nederlands.'

Wat er dan zo bijzonder was? Peters: 'Bijna iedere Nederlandse auteur beschrijft zijn jeugd, maar bij Van der Heijden werd het tegelijkertijd zo breed, zo on-Nederlands. Wat hij deed stond haaks op de welhaast calvinistische literaire doctrine van Elsschot, van Nescio: als het maar kort is, als je je maar niet aanstelt, je moet je beheersen. Het dogma dat schrijven schrappen is, wat in de praktijk maar al te vaak betekent: schrapen. Iets kleins beweren mag, maar dan moet er wel een relativerend grapje op volgen. Bij Van der Heijden was meteen duidelijk: dit is iets heel anders, dit is een royale, laat ons zeggen: katholieke schrijver, hij demonstreert een enorm geloof in de macht van het woord. Een mooi verhaal vertellen in mooie woorden. Dat raakt aan religie. Van der Heijden is een religieus mythomaan. Of beter: een katholieke mythomaan. Hij heeft een onwrikbaar geloof in de bezwerende kracht van de taal.

'Zijn stijl riep later ook wel weerstand op. De breedte van zijn werk kwam in een kwaad daglicht te staan, want Adri demonstreert een andere kunst dan de nobele kunst die weglaten heet. Dan wordt het onvermijdelijk om Proust te noemen: Op zoek naar de verloren tijd. Adri doet eigenlijk iets vergelijkbaars als Proust: hij beschrijft niet alleen wat er eebeurt, maar hij vormt het ook om tot een eigen werkelijkheid. Bij Proust staan soms wel drie vergelijkingen op één pagina. En niemand die roept: dat had wel wat minder gekund. Die vergelijkingen, die verbeelding, dat is geen ornament, maar het is de kern. Het is niet het een of het ander, het is allebei.'

Joost Zwagerman, een leeftijdsgenoot van Peters, had hetzelfde sensationele gevoel bij het lezen van De slag om de Blauwbrug en Vallende ouders. 'Ik heb die boeken verslonden en het mooie was dat ik deze grote leeservaring kreeg aangereikt door iemand die in de tijd, in leeftijd, in leefwereld en levensbeschouwing veel dichter bij mij stond dan al die andere schrijvers die mij voordien een grote leeservaring hadden bezorgd: Reve, Mulisch, Hermans, Vestdijk, Nijhoff... Het was ook breed en groot. Er sprak een buitengewoon indringend levensgevoel uit. Echt bijzonder was dat Adri tegelijkertijd aantoonde dat je ook van het nabije grote literatuur kunt maken. Door deze boeken kon niemand van de naoorlogse generatie nog zeggen: wij hebben de Tweede Wereldoorlog niet meegemaakt, het ontbreekt ons aan drama in onze tijd en dus staan we thematisch gesproken met lege handen. Dat bleek nu allemaal een luxeprobleem.

'In één klap bleek dat de 'themaloze tijd' geen excuus meer was voor de klaagzangen van andere schrijvers. Sterker: Adri m kte er een thema van. Hij deed in feite twee dingen: hij gaf je een prachtig verhaal in de literaire zin, maar hij gaf je ook een duiding van de tijd; je kon er als het ware zo instappen.'

Twee jaar later, in 1985, kwam De gevarendriehoek uit, deel 2 van De tandeloze tijd, dat zo mogelijk nog meer indruk maakte. De Haagse Post riep Van der Heijden, samen met Oek de Jong en Frans Kellendonk, uit tot opvolger van de 'grote drie': Mulisch, Reve en Hermans. In werkelijkheid was Van der Heij den op dat moment de meest geprezen schrijver van Nederland. Hij bleef dat tot na het verschijnen, in 1990, van Advocaat van de hanen, deel 4 van de cyclus, dat opnieuw jubelend werd ontvangen. Al plaatsten critici ditmaal kanttekeningen bij de wijdlopigheid van het boek. Van der Heijden was de gedoodverfde winnaar van de ako-literatuurprijs van dat jaar, maar daar stak jurylid Frits Bolkestein een stokje voor. Van der Heijdens beschrijving van gewelddadige krakers versus falende autoriteiten kon de liberale politicus maar matig boeien.

In Nijmegen, waar Jaap de Wijze inmiddels weer woonde, en in Den Bosch, waar Kriense Lokker nog altijd zijn inmiddels gekochte kraakpand aan het opknappen was, sloegen de eerste boeken van Adri om andere redenen in als een bom. Jaap de Wijze zag dat hij model had gestaan voor Theo Schwan tje, roepnaam Thjum, de beste vriend van de op Adri geënte hoofdpersoon Albert Egberts in De tandeloze tijd. Het leid de tot commotie in zijn familie. De Wijze's vader, destijds directeur van de Homburg vleesfabriek, was woedend over Vallende ouders. In de maanden na het verschijnen van het boek werd hij talloze malen aangesproken op zijn gelijkenis met vader Schwant je, directeur van de vleesfabriek in Vallende ouders, van wie Van der Heijden een allesbehalve aangenaam beeld schetst. Jaap de Wijze: 'Mijn vader riep in die dagen: ''I'm going to sue him.” Hij zag er uiteindelijk van af vanwege de toestanden die dat weer zou veroorzaken.'

Zelf had Jaap de Wijze gemengde gevoelens over Vallende ouders. Als buitenbeentje in de familie kon hij wel lachen om de beschrijvingen van de mores in het gezin Schwantje en over de verdichting van de vele waargebeurde verhalen waarbij hij zelf betrokken was, zoals de inbraak in het door hem zo gehate Canisius College. 'Toen het boek uitkwam zat ik me wel te verkneukelen. Er stonden scènes in over de zondagavonden in mijn familie. Op die avonden ging het er nogal ruig aan toe, we namen het niet zo nauw met de etiquette. Er werd met eten gespeeld, ik heb me daar altijd rot om gelachen. Maar vanuit de beleving van Adri was dat misschien ook een mooie gelegenheid om iets vervelends te schrijven over decadentie. En ja, mijn vader kwam er niet best van af. Er stonden scènes in waarin hij van zijn joodse kant wordt belicht. De rijkdom werd in een ongunstig daglicht geplaatst.'

Ach, het is lastig, vindt De Wijze. 'Je moet als schrijver eigenlijk absolute vrijheid hebben, daar kun je geen moraal op loslaten. Aan de andere kant: als je zo dicht op de realiteit gaat zitten, dan moet je uitkijken. Mijn hele familie en al mijn vrienden komen er herkenbaar in voor. En ja, Adri en ik woonden in een huis van mijn vader, Adri was verliefd op mijn zusje en hij deed het met mijn moeder. Van mijn moeder heeft hij dan nog 'stiefmoeder' gemaakt in het boek, maar mijn zwager - een hele aardige, grappige jongen - wordt het hele boek door afgekraakt. Ik vind, achteraf gezien, dat Adri iets te onzorgvuldig is geweest. Wat mijn vader betreft: Adri was kwaad omdat hij op een gegeven moment het huis uit moest. Hij was een beetje rancuneus tegenover mijn ouders.'

Roel Kriense Lokker herkende minder van zichzelf in het derde hoofdpersonage uit De tandeloze tijd, Felix Boezaardt, roepnaam Flix, maar hij stond er wel deels model voor. Zijn huis in Den Bosch zag hij uitgebreid, in verdichte vorm, beschreven, maar Kriense Lokker zelf lijkt in weinig op het personage Flix, het Geldropse schoffie waar de jonge Albert Egberts in De tandeloze tijd zo tegenop kijkt. 'In werkelijkheid was Adri altijd het sturende type. Hij had andere vrien-

den met meer persoonlijkheid dan ik. Die vriend schappen zijn ook eerder stukgelopen. Ik had wat minder moeite met die rol aan de zijlijn.'

Toen Kriense Lokker een aantal jaren geleden Van der Heijdens brieven niet meer beantwoordde, dacht Adri dat het met zijn boeken te maken had. 'Hij heeft me nog weleens vertwijfeld gevraagd of ik dan ook behoorde tot die grote groep mensen bij wie zijn boeken in het verkeerde keelgat waren geschoten. Maar dat was niet zo. Toen ik Vallende ouders las dacht ik wel: goh, had je die Flix niet wat positiever kunnen beschrijven, maar als kunstenaar vervorm je nu eenmaal de werkelijkheid en dat heeft hij razend knap gedaan.'

Intussen, in Amsterdam, leefde Adri van der Heijden zoals hij schreef: volop en in de breedte. Hij was het onbetwiste middelpunt van een gestaag uitdijende (literaire) vriendenkring waarmee hij zich gulzig stort te op het hoofdstedelijke horecaleven. Zijn oude vriendenkring bestond niet meer, maar er kwamen veel meer nieuwe vrienden voor in de plaats. Dat hij het vanzelfsprekende middelpunt was, kwam niet alleen omdat hij het succesvolst was. In de biotoop van het café was hij op zijn best: onderhoudend, hartelijk, charmant en royaal, al had hij, meent Joost Zwagerman, 'juist door die flux de bouche ook iets onbenaderbaars, iets ongenaakbaars en misschien wel iets eenzaams.'

Adri sprak zoals hij schreef: beeldend. In de buurt van Adri verveelde niemand zich en kon iedereen zich onderdeel wanen van iets dat groter was dan hem- of haarzelf. Arjan Peters: 'Ik kwam als bleekneuzig student wel in café De Zwart. Ik zag dan gewoon een druk café met pratende mensen. Maar bij Adri werd het, zoals hij in Asbe stem ming beschreef, een soort kermis waarin dienbladen als discussen over de hoofden zweefden. Rondom Adri leek het alsof je deel uitmaakte van iets heel bijzonders.'

Adri speelde zijn rol als 'koning' van de Nederlandse literatuur, als opvolger van de 'grote drie' naturel. Joost Zwagerman interviewde hem in 1988 voor de Haagse Post en stond versteld van het zelfbewustzijn van de Brabander. 'Hij zei dat Reve en Hermans hem toch hadden teleurgesteld in de nadagen van hun carrière. Dat ze hun belofte niet helemaal hadden ingelost. Adri was toen 37 of 38, ongeveer mijn huidige leeftijd. Stel je voor dat ik zoiets nu zeg: ik word ge lyncht. Hij zei op een gegeven moment ook dat het overlijden van Frans Kellendonk hem tamelijk eenzaam maakte, want nu had hij niemand meer om op een prettige, opzwepende manier mee te concurreren. Dat is behalve een eerlijke verzuchting natuurlijk ook een slag in het gezicht van iedereen van om of nabij zijn leeftijd. Dat is wellicht ook een van de redenen voor het latere ressentiment tegen hem.'

Joost Zwagerman was van dichtbij getuige van het ontstaan van wat Geerten Meijsing later zou omschrijven als 'de hofhouding' van Adri. 'Typisch Geerten om dat zo te zeggen, maar er zat absoluut een kern van waarheid in. Adri had toen een claque. Hij zou dat zelf nooit zeggen, hij orkestreerde het ook niet, maar het ontspon zich vanzelf, rondom zijn persoon.'

Jaap de Wijze: 'Ik kwam een jaar of vijf geleden een keer in café De Zwart terecht. Daar stond Adri met een grote groep mensen om zich heen. Ik had onmiddellijk het onaangename gevoel: dat zijn een soort vazallen.'

Er zat een ijzeren regelmaat in die vrijdagavonden. Zwagerman: 'We troffen elkaar in De Zwart, dan gingen we met een kleine groep eten, meestal in Tartuffo. Na het eten vertrokken we naar Schiller, daarna scheidden onze wegen zich. Adri ging dan terug naar De Zwart, of naar De Favoriet en daarna naar allerlei duistere cafés die ik niet kende. Het mirakel was dat Adri dit niet alleen op vrijdag deed, maar ook op andere dagen van de week. Ik hield dat niet vol. Ik heb me één keer voorgenomen om gelijke tred te houden met drinken. Juist die avond - ik stond rond vijf uur 's nachts te tollen op mijn benen in café Weber - keek Adri me aan en zei vaderlijk: ''Weet je wat het is met jou? Je drinkt niet op tempo.”

'Voor de anderen was het een wonder: de man dronk meer dan wie ook, maar hij werkte ook het hardst van allemaal en er kwam in omvang en in kwaliteit veel meer uit.'

De veelheid van alles, het was inderdaad verbluffend. Niet alleen schreef Van der Heijden gestaag door aan zijn toch al omvangrijke oeuvre, hij schreef ook nog eens bijna dagelijks een brief, waarbij exemplaren van 38 kantjes geen uitzondering waren.

Het leek wel of er geen grenzen bestonden voor deze Geldropse 'prins van den bloede'.

Maar die grenzen bestonden wel degelijk. Dat openbaarde zich in de loop der jaren in steeds talrijkere woedeaanvallen, (slaande) ruzies en tuimelingen, waarbij hij lang niet altijd ongeschonden uit de strijd kwam. Het leven van Van der Heijden leek steeds meer samen te vallen met het destructieve leven van zijn romanpersonages. 'De mens moet een toontje lager zingen', zei Van der Heijden in interviews.

De schrijver Van der Heijden, de 'romantische misantroop' (Zwa ger man) richtte voor iedereen een standbeeld op, niet gemaakt uit brons of marmer, maar uit lompen. En het personage op de sokkel dient voor het ontleden en nietig maken van de mensheid. Was Albert Egberts, het hoofdpersonage in De tandeloze tijd, voortdurend op zoek naar het diepste punt, de complete onttakeling, als een soort reinigingsritueel, als een manier om iedere keer opnieuw met een schone lei te beginnen, de persoon Adri van der Heij den leek het voorbeeld van zijn literaire afsplitsing te volgen, zij het minder bewust.

Zoals alles groot is aan Van der Heijden, kreeg ook de lijst brouilles in de loop der jaren imposante proporties. Zijn brieven, voorheen vaak stijloefeningen waarbij hij vrienden op de hoogte hield van de voortgang, waren steeds vaker woedende afrekeningen, waarbij hij vriendschappen opzegde. Of het waren juist excuusbrieven, waarmee hij vriendschappen weer moest redden. De werktitel voor het grote boze brievenboek van Van der Heijden zoemt al rond in het Amsterdamse literaire circuit: Brieven op poten.

'Adri kan verschrikkelijk kwaad worden', zegt Frans van der Heijden. 'Om dingen waarvan je denkt: wat is er eigenlijk aan de hand, waar komt dat vandaan?'

Toch begrijpt hij wel iets van dat 'woedende gedrag', dat volgens hem begon toen zijn broer aan Vallende ouders bezig was. Eén van de verklaringen: 'Hoe goed Adri ook kan schrijven, het is voor hem een enorme worsteling, bijna een strijd op leven en dood. Dan moet niemand daar ook maar enige afbreuk aan doen, want dan misken je gewoon dat hij daar zo op heeft zitten ploeteren en dat dat zijn alles is, zijn hele wereld. En als je zo in afzondering een groot literair werk zit te schrijven, dan moet je wel een beetje gek worden. Niet dat hij dan van de normale wereld afdrijft, maar hij leeft wel helemaal in zijn eigen universum. Eigenlijk wordt dan alles literatuur. 'Adri moet zich, om door te werken, heel rigoreus tegen afleiding beschermen. Een simpele receptie kan hem al uit balans brengen. Daar maakt hij zelf ook geen geheim van. Je durft hem in zo'n schrijfperiode bij wijze van spreken niet voor een verjaardagsetentje te vragen, bang dat hij dan van slag raakt en een week uit z'n werk is.'

Mirjam Rotenstreich: 'Adri is in zoverre gevoelig dat hij zelf altijd erg bang is om anderen te kwetsen. Hij gaat uit van het goede, hij is geen cynicus en hij wil het ook niet worden. Daarom is hij heel erg geraakt als blijkt dat mensen het niet goed met

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden