Adam en Eva wisten wat de blues is John Lee Hooker en Homesick James vertellen hoe het zit

AL CAPONE WAS een nobel mens. Vergeet maar meteen wat je over hem hebt gehoord - Homesick James weet waar hij het over heeft....

Portrait of the Blues, een kloek salontafelboek van de schrijver Paul Trynka en de fotografe Val Wilmer, zit vol dergelijke prikkelende en soms verbazingwekkende uitspraken. Trynka, een jonge Britse bluesliefhebber, laat in dit boek zestig Amerikaanse bluesmuzikanten hun hart luchten over hun muziek en de omstandigheden waaronder die wordt gemaakt. Zijn eigen observaties beperkt hij tot korte typeringen van zijn belangrijkste gesprekspartners, aangevuld met sobere voetnoten.

Dat doet hij niet uit gemakzucht, zegt de schrijver in zijn inleiding, maar omdat hij zich ergert aan al die journalisten die vooral hun eigen mening willen verkondigen, en daarmee het zicht op hun onderwerp eerder vertroebelen dan verhelderen: 'When Val Wilmer and I discussed this book, we decided to make its images, both verbal and photographic, as honest and unfiltered as possible.'

Het resultaat van die werkwijze is een verzameling kleurrijke monologen van bekende en minder bekende bluesmuzikanten, die te zamen misschien niet direct bijdragen aan een betrouwbare theorievorming over de ontwikkeling van de wijdverbreidste Afro-Amerikaanse muziekvorm, maar wel een onderhoudende, afwisselend aangrijpende en vermakelijke oral history van de ups en downs van een bluesmuzikant opleveren.

Waar geen fatsoenlijke bluesonderzoeker het waagt de slaventransporten en andere pijnlijke items uit de oertijd van de blues onvermeld te laten, blijken de muzikanten bij Trynka zelf vaak een heel andere kijk op hun roots te hebben. Chicago-bluesgitarist Homesick James verkondigt heel stellig: 'Laat je niets wijs maken, de blues komt uit Europa.' Wit of zwart maakt niet uit, en arme sloebers kennen de blues heus niet beter dan rijke lui, zegt Homesick: 'Like the president got the Blues right now.'

Ook de bejaarde John Lee Hooker, geëerd met een eigen voorwoord, drukt de lezer op het hart bij de blues niet meteen aan geknechte katoenplukkers of uitgewoonde getto's te denken: 'The Blues is life, it's as simple as that. It's been around since the world was born. I think the Blues started back in the Garden of Eden - when Adam and Eve got thrown out.'

Niet alle geïnterviewden drukken zich zo kernachtig uit (Yank Rachel mag omstandig uiteenzetten hoe hij als twaalfjarige zijn vaders enige varken ruilde voor een mandoline), maar tegenover de weinige mindere passages staat een schat aan memorabele inside-verhalen, waaruit het moeiteloos citeren is. Jimmy Rogers vertelt bijvoorbeeld heel smakelijk over de rivaliteit tussen de twee grote bluessterren van de jaren vijftig, Howlin' Wolf en Muddy Waters, die zich ook uitdrukte in hun voorkeur voor glanzende auto's ('Wolf was in the Pontiac situation, Muddy would deal with Chevys').

Onthullend zijn Willie Dixons ontboezemingen over Leonard Chess, de joodse eigenaar van het platenlabel Chess, dat vanaf 1950 de markt voor Chicago-blues jazz op hardhandige wijze domineerde. 'Leonard Chess wist niets van muziek - als je een plaat maakte waarop hij met zijn voet mee kon tikken vond hij dat het een góede plaat was. In de studio joeg hij mensen tegen zich in het harnas. Hij vloekte ze uit, want hij dacht dat ze dan beter speelden. We hebben op die manier heel wat tijd verspeeld.'

Een fraaie aanvulling vormen de herinneringen van Keith Richards, die beschrijft hoe hij in 1964 met The Rolling Stones opnamen maakte in de Chess-studio in Chicago - in die jaren een bedevaartsoord voor elke beginnende Britse bluesgroep. Richards trof er een man in een witte overall aan, die in opdracht van Leonard Chess de studio aan het schilderen was. De man op de trapleer bleek niemand anders dan de door hem geadoreerde Muddy Waters te zijn. 'It was just another of those slaps around the face.'

Dertig jaar na dato spreekt de rock 'n' roll-miljonair nog steeds met liefdevolle eerbied over de muzikale helden van zijn beginjaren. Muddy Waters en John Lee Hooker ontfermden zich zonder enige naijver over de bleekneusjes uit Engeland, terwijl die niet alleen noot voor noot hun muziek kopieerden, maar er ook nog aanzienlijk meer geld mee verdienden dan zijzelf. Richards: 'It was like, we've had some babies, and they're white!'

Ondanks de overvloed aan sterke verhalen vraagt het enige zelfdiscipline om Portrait of the Blues ook daadwerkelijk te lezen. De opmaak met een kleine drukletter op hinderlijk glanzend papier nodigt eerder uit tot bladerend genieten van de talrijke zwart-wit foto's van Val Wilmer. Wilmer is een veteraan van de Britse muziekpers. Ze schreef in de jaren zestig voor het tijdschrift Melody Maker, en vestigde haar naam als onafhankelijk jazzfotografe en -publiciste, onder meer met het nog steeds zeer leesbare As Serious As Your Life, een in 1977 verschenen boek over avantgarde-jazz.

Portrait of the Blues, waarvan sommige foto's op klein formaat verschenen in Feel Like Going Home (1971) en Sweet Soul Music (1986) van Peter Guralnick, bevestigt nog eens haar kwaliteiten. Ook Wilmers vroegste foto's (Memphis Slim in 1960, Roosevelt Sykes in 1961) dragen al een eigen stempel. In haar beste portretten (vaak niet gemaakt op het podium, maar voor of na een optreden) laten muzikanten zonder pose zien wie ze zijn. Dat innemende naturel verraadt een vakvrouw voor wie muzikanten kennelijk spelenderwijs hun reserves laten varen.

Een merkwaardig trekje van Portrait of the Blues is wel dat het boek de suggestie wekt van een nauwe samenwerking tussen fotografe en schrijver, terwijl al bij vluchtige lezing duidelijk wordt dat Trynka's interviews vaak van minstens tien jaar later dateren dan Wilmers foto's. Afgezien van dat schoonheidsfoutje in de presentatie: Portrait of the Blues is een innemend boek van twee toegewijde fans, die onvoorwaardelijk geloven in hun onderwerp.

The blues will never die. Zelfs niet als de zwarte jeugd in de jaren negentig de muziek geheel links laat liggen, zoals Magic Slim op pagina 151 constateert: 'De zwarte kids houden van rock, en van die muziek waarbij zoveel gepraat wordt, hoe heet dat, rap en rock en drugs. Daarom hebben ze geen oor voor de blues. They are the Blues, but they won't support it.'

Paul Trynka & Val Wilmer: Portrait of the Blues. America's Blues Musicians In Their Own Words. Hamlyn, import Nilsson & Lamm, ¿ 50,40.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden