Actieve burger heeft geen vergaderaars nodig

De lokale democratie verkeert in een crisis, maar met de steden gaat het steeds beter, constateert Jos van der Lans....

DE lokale democratie lijkt er niet best voor te staan. In Culemborg kon de plaatselijke afdeling van D66, nu nog de derde partij in deze gemeente, geen kandidaten vinden voor een nieuwe D66-lijst.

In Arnhem werd de plaatselijke CDA-afdeling verrast door een enorme toestroom van Turkse leden die hun meerderheid op de algemene ledenvergadering nog heel bescheiden gebruikten en slechts één kandidaat op een verkiesbare plaats eisten.

Hetzelfde overkwam GroenLinks in Den Haag. Het enige verschil was dat de Haagse Turkse kandidaat ook echt op de lijst kwam, terwijl de Arnhemse kandidaat vanwege connecties met de Grijze Wolven uiteindelijk het veld moest ruimen.

Op zichzelf zijn deze incidenten nog geen bewijs dat het slecht gaat met de lokale democratie. Nam Nieuw Links in de jaren zestig immers niet op dezelfde manier een aantal PvdA-afdelingen over om vervolgens het aanzien van de hele partij te veranderen?

Het verschil is echter dat toen afdelingen werden overgenomen omdat de belangstelling voor de politiek onder jeugdige intellectuelen toenam, nu kunnen afdelingen in handen komen van groepjes voorbijgangers omdat de belangstelling voor het politiek handwerk onder intellectuelen juist afneemt.

Afdelingsvergaderingen zijn verworden tot onderonsjes van kleine groepjes bekenden die steeds minder zijn geworteld in de lokale samenleving. Was het raadslid vroeger als vanzelf een man (en zelden vrouw) van aanzien, een lokale notabele die zijn positie opfleurde met tal van lidmaatschappen van besturen van maatschappelijke organisaties, tegenwoordig ziet men raadsleden nauwelijks nog staan. Het is eerder een ondankbare taak dan een dankbare plicht geworden.

Een trouwe bezoeker van de afdelingsonderonsjes staat al gauw op een verkiesbare plaats, waarbij de vraag of hij of zij nu echt over de nodige kwaliteiten beschikt voor het moderne politieke handwerk, eigenlijk niet meer wordt gesteld.

Sterker: de discussie over wat die kwaliteiten zouden moeten zijn wordt eigenlijk al niet meer gevoerd, omdat er voor alle trouwe vergaderaars wel een plekje op de lijst is. Dus waarover zou je dan nog moeten discussiëren?

Het merkwaardige is dat het verdwijnen van de respectabiliteit van het gemeenteraadslid bepaald niet heeft geleid tot een verarming van het maatschappelijk leven in de meeste grote gemeenten. Integendeel zelfs, er wordt in de landelijke media en door Haagse politici wel eens schamper over gedaan, maar de inspanningen van tal van lokale maatschappelijke organisaties en ondernemingen om nieuw leven in de stad te blazen, om buurten weer leefbaar te maken, om nieuwe werkgelegenheid te scheppen, zijn succesvoller dan ooit.

Het tij zit ook mee, de aanhoudende opleving van de economie wordt langzaam maar zeker in de steden voelbaar. De angst voor getto's, het sombere vooruitzicht op troosteloze gebieden met een opeenhoping van perspectiefloze mensen - tien jaar geleden in nagenoeg elke grote stad dreigend aanwezig - is thans in de meeste grote gemeenten ver te zoeken.

Natuurlijk zijn er forse problemen. Grote groepen allochtonen staan op de arbeidsmarkt aan de kant, in tal van buurten neemt de verscheidenheid toe en daarmee de onderlinge ergernissen en spanningen, er is vereenzaming onder ouderen en agressie onder jongeren. Maar men doet de werkelijkheid ernstig tekort als men het bij deze constateringen zou laten.

Want tegenover deze problemen staat in de meeste steden een rijk palet aan initiatieven. Organisaties zoeken samenwerking, er worden afspraken gemaakt, convenanten afgesloten.

Basisscholen bieden niet alleen meer onderwijs, maar begrijpen dat ze in een buurt een belangrijke integrerende rol spelen, sociale diensten doen meer dan alleen uitkeringen verschaffen, woningcorporaties investeren gericht in de sociale kwaliteit van de leefomgeingen, de politie probeert crimineel gedrag door allerlei buurtgerichte projecten in de kiem te smoren.

Dat zijn niet alleen papieren wensen, dat staat voor gerichte, professionele inspanningen en actieprogramma's, en voor zichtbare resultaten in buurten en wijken in de grote steden, waar de spiraal van verloedering geen kans heeft gekregen.

Zeker, er valt nog veel meer te doen, er gebeuren - zoals we onlangs in Groningen hebben mogen zien - nog steeds 'ongelukken' en er is van alles op aan te merken, maar onmiskenbaar is dat de teruglopende politieke participatie in tal van opzichten wordt gecompenseerd door een toenemende maatschappelijke en professionele participatie van burgers en maatschappelijke instellingen op de werkvloer van de samenleving.

Onderzoek bewijst dat ook keer op keer: het feit dat burgers steeds minder aanschuiven aan de vergadertafels van de lokale partijen wil geenszins zeggen dat ze minder betrokken zijn. Ze zoeken er alleen andere uitingen voor.

De lokale politiek is in deze ontwikkeling in toenemende mate met lege handen komen te staan. Steeds vaker heeft zij het nakijken in de vergadercultuur waarin wethouders en ambtenaren zaken doen met het professionele management van grote organisaties. Deze hebben op aandrang van de meeste gemeentebesturen uit naam van efficiency en doelmatigheid de afgelopen tien jaar een ingrijpende schaalvergroting ondergaan.

Wat er aan intellectuele politieke kwaliteit uit de gemeenteraden de afgelopen tien jaar lijkt te zijn weggeëbd, is er aan management-kwaliteit aan de kant van het maatschappelijk middenveld bijgekomen.

De politiek vormt in deze lokale machtsconstellaties inmiddels de zwakste schakel. De komende gemeenteraadsverkiezingen beloven daar vooralsnog niet direct verandering in aan te brengen. In het beste geval weten de lokale partijen een paar 'wethouderabele' mensen aan de kop van hun lijst te plaatsen en wordt de rest van de lijst opgevuld met mensen van de tweede garnituur die, eenmaal gekozen, nauwelijks in staat zijn om grondig weerwerk te leveren aan hun bestuurders.

Zo ging het vier jaar geleden en het valt te vrezen dat het ook nu weer zo zal gaan. Vooral de lokale partijen zullen daarbij van de aanhoudende malaise in de lokale filialen van de landelijke partijen profiteren. Nu al zijn zij in de gemeenten - bij elkaar opgeteld - de tweede partij. En niemand hoeft verbaasd te staan als zij na 4 maart de grootste partij zullen vormen. Of zij in staat zijn om de lokale democratie uit de crisis te halen valt echter te betwijfelen. Die crisis is juist hun bestaansrecht en dat is meestal niet de beste uitgangspositie om daar echt fundamenteel verandering in aan te brengen.

Wat dan wel? is er nog redding voor de lokale democratie? Zeker, maar dan zullen politici uit een ander hout moeten zijn gesneden. Zij zullen niet langer moeten blijven hangen in de cijfertechnocratie, waarin kengetallen, input- en output-cijfers, tabellen en monitoren de enige bemiddeling vormen tussen de vergaderzaal en de werkelijkheid. Ze moeten ook ontsnappen uit het beleidsbastion waarin ambtenaren, bestuurders en volksvertegenwoordigers elkaar gevangen houden en daarvoor een geheel eigen taal hebben ontwikkeld.

Vrijwel alle lokale politieke partijen beseffen dat eigenlijk ook. Ze voelen al jaren intuïtief aan dat het anders moet. In vrijwel elke gemeente staat bestuurlijke vernieuwing inmiddels hoog op de politieke agenda, buigen zich er commissies over en zijn de experimenten niet meer te tellen.

'Interactieve beleidsvorming' is zo'n toverwoord dat zich in de programma's voor de komende gemeenteraadsverkiezingen in een warme belangstelling zal mogen verheugen. Zie eens burgers, hoe wij ons best doen u erbij te betrekken. Maar overtuigend is het niet. Wie echt in de harten van lokale politici kijkt, zoals Brabantse onderzoekers onder leiding van bestuurskundige Pieter Tops twee jaar geleden deden, ziet er twee zielen in schuil gaan. Tops cs concluderen: 'Enerzijds staan zij welwillend tegenover betrokken burgers, anderzijds bestaat een zekere terughoudendheid. De bestaande bestuurlijke besluitvormingsprocedures geven houvast, terwijl initiatieven waarin de buitenwacht een grote rol speelt niet of nauwelijks te beheersen zijn.'

Meedenken is prima, graag zelfs, daartoe moet het arsenaal van betuursinstrumenten ook in hoog tempo aangevuld worden, maar het moet niet te ver gaan - wij, politici, blijven de baas.

Die aarzeling bij de meeste politici maakt bestuurlijke vernieuwing in Nederland uiteindelijk toch tot een armetierige en intellectueel wat schraal ogende vertoning. In de dagelijkse praktijk heeft het zich versmald tot een kwestie van beter communiceren met burgers, waarbij politici er nauwlettend op toezien dat zij de vinger aan de pols blijven houden.

Andere opties, zoals het kwalitatief versterken van de politieke democratie of het opnieuw introduceren van beginselvastheid in het politieke handelen, dan wel het echt en vergaand experimenteren met een vorm van maatschappelijk regisseren en 'makelen', komen in de lokale discussies over bestuurlijke vernieuwing nauwelijks voor.

Toch zijn er kansen en mogelijkheden genoeg om de lokale politiek uit haar achterhoede-positie te bevrijden. Op elk symposium over elk beleidsonderwerp wordt door zo ongeveer iedereen te berde gebracht dat er in het ontwerp van toekomstig Nederland 'niet alleen aandacht moet zijn voor de fysieke infrastructuur, maar ook voor de sociale infrastructuur'. Alle aanwezigen knikken dan instemmend, maar in tegenstelling tot de harde werkelijkheid van spoorbanen, snelwegen en mainports weet eigenlijk niemand precies wat men zich bij 'een sociale infrastructuur' moet voorstellen.

Juist lokale politici zouden zich moeten opwerpen als de pleitbezorgers, de verbeelders en de ontwerpers van een dergelijke sociale infrastructuur. Als deze immers ergens 'voorstelbaar' is dan is het in de steden. Niet ten onrechte stelde Ed van Thijn bij zijn afscheid als burgemeester van Amsterdam al dat 'de discussie over de verzorgingsstaat (. . .) een discussie over de verzorgingsstad zou moeten zijn'.

Politici kunnen daarbij aansluiten bij de vele initiatieven die er in hun gemeente al genomen worden, maar ze kunnen die op een hoger niveau tillen door ze in een ruimer perspectief te zien van een lokaal sociaal infrastructuurplan.

In Engeland kent men bijvoorbeeld de constructie van citizencharters waarin rechten van burgers, met name op het gebied van lokaal sociaal beleid, nader omschreven zijn. In die richting valt er voor lokale politici nog een wereld te winnen.

Maar dan moeten ze wel uit de wereld van ons-kent-ons treden, flair ontwikkelen en discussies aangaan. Hun status van semi-vrijwilliger zou ook moeten veranderen, hun ondersteuningsapparaat zou aanzienlijk moeten worden uitgebreid en ze zouden helderheid moeten creëren waar ze als lokale politici voor staan, wat nu eigenlijk de essentie van het politieke handwerk is.

De lokale politiek moet durven om doelgericht en in volle overtuiging in zichzelf te investeren. Dat is - naast de forse problemen die nu eenmaal met elke moderne stad gegeven zijn - een mooie taak om de komende vier jaar aan te gaan werken.

Jos van der Lans is journalist en auteur van De onzichtbare samenleving.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden